Column: De nieuwe dialectiek

Heinrich Heine, poëet en romanticus, tijdgenoot en zo nu en dan ook bondgenoot van Karl Marx, zei eens het volgende over de grote queeste die onze geschiedenis is: “De historie is een sfinx, zij zoekt haar afgrond zodra haar mysterie opgelost is.”

De geschiedenis van de revolte van Nederlandse burgers tegen beroepspolitici, naïeve multi-culturalisten en een zielloos Europa is nog heel vers en beslist niet opgelost. De Sfinx is springlevend en zweeft als een nachtmerrie boven de hoofden van de beroepspolitici, die nog altijd met lege handen staan.

Begrijpelijk, om de geschiedenis te kunnen duiden is denktijd en bezinning nodig. Dat is een schaars goed in een tijd waarin de heftige politieke turbulentie en de vluchtige mediacultuur nauwelijks de ruimte en stilte gunnen die nodig is om de beide politieke voeten op de grond te kunnen zetten.

De hoeders van het collectivisme, CDA, Christen Unie en SP zitten in de lift. Aan de links progressieve kant van het politiek spectrum vallen daarentegen harde klappen. D66 bestaat nog amper. De partij van Wouter Bos – want dat is wat de PvdA de afgelopen jaren is geworden: de achterban van een éénkoppig politiek monster – zakt in elkaar, nu de jonge held een vertwijfelde controlefreak blijkt te zijn. GroenLinks weet geen antwoord op de breed gedeelde vraag onder de kiezers naar meer verbondenheid. Bij gebrek daaraan neemt de partij genoegen met een minuscule defensieve rol als hoeder der vrije individuen tegenover het gevaar van het collectief en het offensief van fatsoenrakkers.

Waar blijft de linkse, progressieve moed om zichzelf opnieuw uit te vinden en met een eigen antwoord op de communitaristische uitdaging te komen? In een Volkskrantartikel (21 april j.l.) trof ik een citaat van Bart Snels, directeur van het Wetenschappelijk Bureau GroenLinks. Het is wat mij betreft exemplarisch voor wat er mis is met GroenLinks anno 2007. ‘Nederland was progressief in de jaren negentig. Maar toen kwam elf september 2001, de moorden op Fortuyn en Van Gogh. Nederland is daardoor teruggeworpen’, aldus Snels.

Het is een compacte verklaring voor wat er in afgelopen jaren gebeurt is. En het is een verklaring die ik vaker in hoge GroenLinks kringen te horen heb gekregen. Het is een verontrustend gemakzuchtige wijze van interpreteren van de recente geschiedenis. Het neigt naar fatalisme en werkt eerder verlammend dan motiverend. Snels, en met hem velen binnen GroenLinks, weigeren door te denken over de fundamentele stroom op wiens golven Fortuyn opkwam en Van Gogh onderging.

Wat maakte van Fortuyn een historisch figuur? Het is te veel eer om zijn impact aan zijn mediagenieke houding of aan zijn zijden stropdassen toe te schrijven. Waarom kwam de elfde september politiek zo verschrikkelijk hard aan in Nederland, veel harder dan bij onze buren in België? Welke historische dynamiek, welke opborrelende dialectiek was al een tijd geruisloos gaande? Welke oorzakelijke monsters lagen te loeren die in elf september, Pim Fortuyn en de dorpsgek van Gogh hun aanleiding vonden om bovengronds te komen? Het zijn vragen tot welke Snels en de GroenLinks zich niet weten te verhouden. Men hoopt stilletjes dat het ‘bekrompen gemeenschapsgedoe’ vanzelf over zal gaan. Ook dat is iets dat je vaak binnen GroenLinks hoort.

Het is een ijdele hoop. De zogenaamd progressieve jaren – althans, als je vrijheid, blijheid en naïef geloof in de wonderen van de markt progressief kunt noemen – komen niet terug. Links progressief Nederland heeft het tamelijk goed gedaan zolang de politiek zich afspeelde binnen de dialectische arena van arbeid tegenover kapitaal en solidariteit tegenover welvaart.

Linkse progressieve mensen zijn nu uitgedaagd om hun progressieve geest op nieuwe vragen te richten. Juist bij een progressieve politiek hoort het innoverend omgaan met nieuwe uitdagingen. Daar is op dit moment weinig van te merken onder het GroenLinkse elite korps.

Ze moeten uit hun luie stoel komen en de dialectiek waarmee de nieuwe eeuw ons heeft geconfronteerd recht in de ogen te kijken. Ik heb het over de dialectiek tussen globalisering en gemeenschapszin, tussen consumptiementaliteit en behoefte aan moraal. Tussen zorgethiek en verlangen naar ongedwongenheid. Het zijn botsingen die zich concentreren rondom een paradoxaal verlangen dat zowel de hang naar een duidelijke identiteit behelst als ook de behoefte aan een brede horizon; het gaat om volledige vrijheid als ook het gevoel van verbondenheid, om werelds zijn en tegelijkertijd knus willen leven.

De taak van goede politici is niet om het verlangen van zijn kiezers tot een onmogelijkheid te verklaren, maar om mogelijke uitkomsten aan te reiken, met andere woorden: de juiste synthese.

Socioloog, publicist en programmamaker.
Alle artikelen