De Europese Unie is adequater dan de natiestaat

Interview met Veit Bader

Met ‘Nooit meer oorlog’, begon de Europese samenwerking. Voor Veit Bader is dit nauw verbonden met democratisering. Eenvoudig is dat niet. Fragmenten uit een gesprek over de paradoxen van Europa.

De emeritus professor in de sociologie en de sociale en politieke filosofie aan de Universiteit van Amsterdam, Veit Bader, is zelf een oorlogskind. Hij is geboren in 1944. Toen hij acht maanden was werd zijn geboortestad Ulm in Duitsland gebombardeerd. Terwijl de stad in rook opging, vluchtten zijn oma en tante met hem in de kinderwagen door de brandende stad. Dat beeld staat Bader nog altijd voor ogen. Maar de familiegeschiedenissen over oorlog reiken verder terug: “Als kind hoorde ik al jong verhalen over de Eerste Wereldoorlog van mijn beide grootmoeders, vooral over de novemberrevolutie van 1918: mijn grootvader weigerde als commandant van de lokale politie in Neurenberg te schieten op de stakende spoorwerkers. Hij had de ineenstorting van het keizerrijk zien aankomen. Ook hoorde ik verhalen over de inflatie in 1923, waarin ze allemaal hun geld zijn kwijtgeraakt en die een van de wegbereiders was van het nationaalsocialisme. Mijn grootmoeder was liberaal en moest niets van de nazi’s hebben, maar ze kreeg enorme problemen met haar eigen kinderen. Die hebben haar bij de Gestapo aangegeven.”

 

“Mijn vader was fascist, en hij was lid van de Waffen SS. Toen ik na de oorlog, vanaf een jaar of dertien, begon te begrijpen wat dit betekende, verkilde mijn relatie met mijn vader. Hij wilde er niet over praten. Pas twee jaar voor zijn dood vertelde hij dat hem in 1943 duidelijk was dat de oorlog verloren was. Toen hij in 1944 met zijn compagnie de Westgrens verdedigde heeft hij gezegd: we houden ermee op, we gaan ervan door. Vervolgens verbleef hij tot 1947 in krijgsgevangenschap. Dit had hij natuurlijk moeten vertellen toen ik dertien was. Voor mij was het hopeloos, en dat betekende dat die hele generatie mannen hopeloos was. Dat heeft diepe impact gehad. Ook omdat ik begreep dat de BRD-staat op alle niveaus nog veel oud-nazi’s bevatte. Als ik mij al met Duitsland wilde identificeren, dan kon dat alleen met het ‘andere’ Duitsland, de DDR, want daar had wel een grondige denazificatie plaatsgevonden.”

 

“Ik was er dus één van de ‘vaterlose Generation’. Wij groeiden op zonder vaders en hadden bovendien een verstoorde relatie met ze. Voor ons hoorden ook veel van de docenten aan de universiteit bij ‘die oude rotzakken’. We hadden allemaal een probleem met mannelijke autoriteit en dat verklaart ook voor een deel het specifieke van de Duitse studentenbeweging van de jaren zestig, waar ik deel van uit maakte.”

 

Stabiele munt

“Twee grote angsten uit de twee oorlogen en de tijd erna hadden en hebben een grote invloed op de Duitse politiek. Ten eerste de honger en het gebrek, en ten tweede de geldontwaarding, tot twee keer toe. Ook in mijn familie heeft het een grote impact gehad dat er na 1945 weer een nieuwe munt kwam, waardoor we voor de tweede keer bijna al ons geld verloren. De politieke consequenties daarvan: koste wat het kost voorkomen dat er weer oorlog komt, en economische een zo stabiel mogelijke munt. Dat laatste past Duitsland nu ook op de euro toe, met fnuikende gevolgen voor Europa. Natuurlijk moet je de weeffouten van de euro repareren door de overdracht van fiscale en economische bevoegdheden, maar de druk die wordt uitgeoefend op landen die aarzelen, dat ze dan maar uit de EMU en misschien ook maar meteen uit de Europese Unie moeten. Die druk ondermijnt het hele project.”

 

Uitgeholde democratie

“Ik deelde de conclusie van ‘nooit meer oorlog’, maar voor mij was en is het ook evident dat de natiestaat niet deugt. Vele, urgente mondiale problemen kunnen we überhaupt niet meer op nationaal niveau behandelen. Leuk of niet, we moeten wel samenwerken in Europa. Natuurlijk zijn er nog veel problemen: het is nu eenmaal moeilijk om een nieuw type politieke eenheid te ontwikkelen en dat tegelijkertijd op democratische wijze te doen. Geen enkele natiestaat heeft dat gedaan. Die waren er, vervolgens werden ze een constitutionele staat en pas daarna kwamen er democratische revoluties. Als je allebei tegelijk wil ontwikkelen, zoals via ‘export van democratie’ in Irak of in de Arabische lente, lukt dat dus niet.

 

Het gekke is dat men van de Europese Unie dacht dat het daar in één ruk zou kunnen, terwijl het natuurlijk een project van de elites was, dat vervolgens stapsgewijs gedemocratiseerd moet worden.

 

Iedereen kritiseert het gebrek aan democratie in de EU, terwijl het de lidstaten zelf zijn die de democratisering tegenhouden omdat ze geen bevoegdheden willen overdragen. Hier stuiten we op een paradox: men klaagt over het gebrek aan democratie in de EU, maar kijkt niet naar het gebrek aan democratie in de lidstaten.”

 

“Doen we dat wel, dan zien we weliswaar democratische verkiezingen, maar ook een machteloos parlement met een machteloze regering. Ook dat is een paradox: op het moment dat de daadwerkelijke soevereiniteit van staten, in de zin van wat ze kunnen bereiken voor mensen, stelselmatig afneemt, wordt het gebabbel over het behoud van nationale soevereiniteit almaar massiever. Zie dat onzinnige initiatief van Ewald Engelen, Thierry Baudet en Paul Cliteur voor een EU-referendum. Als je mensen op zo’n domme manier vraagt of ze voor of tegen zijn, weet je dat ze ‘nee’ gaan zeggen. En wat dan? Engelen weet toch heel goed dat bijvoorbeeld regulering van financiële markten alleen op internationaal niveau kan. Er is sprake van heimwee naar een geïdealiseerd model van de sterke sociaaldemocratische natiestaat die voor een gecontroleerd kapitalisme en een gezonde welvaartsstaat zorgt. Maar dat is allemaal passé.

 

We kunnen niet meer terug, o.a. vanwege het beleid van deregulering en liberalisering. Dat is echt niet alleen door de EU ingevoerd, maar zeker ook door de regerende sociaaldemocratische partijen zelf: in Engeland (Blair) net zo goed als in Duitsland (Schröder). Dus het is eigenlijk een soort politiek van kop in het zand. Democratie op het niveau van de natiestaat betekent feitelijk een uitgeholde democratie.”

 

“Intussen werken we wel samen met allerlei internationale organisaties die nog veel minder democratisch zijn dan de Europese Unie. Maar wie hoor je ooit over democratisering van de Wereldbank, de WTO enzovoort? Dat zou andere koek zijn. Nu wordt democratie versmald tot parlement en regering.

 

Mijn visie op democratie is verbonden met de socialistische traditie. Je moet zorgen dat in het alledaagse leven vormen van zeggenschap bestaan. Je ziet nu dat mensen zelf initiatieven nemen omdat de overheid het zo ongelooflijk slecht doet. Daar verandert niets aan door het met een neoliberale draai een ‘participatiesamenleving’ te noemen.”

 

Legitimiteit

“Kijk, je hebt twee soorten democratische legitimiteit: input en output. Bij input gaat het dan om het volk, niet alleen als staatsburger, maar ook als werknemer, consument, gebruiker van lucht enzovoort. Door de organisatie van belangen kunnen via overleg en onderhandeling oplossingen voor problemen gevonden worden. Als je alle relevante organisaties, NGO's, sociale bewegingen enzovoort bij elkaar brengt, moeten ze elkaars perspectief aanvaarden, met als gevolg een herdefinitie van het probleem. Illegalen of hun organisaties moeten bijvoorbeeld meepraten over immigratiebeleid. Dan vindt men soms hele productieve oplossingen. Daarin is de Europese Unie ijzersterk, veel beter dan de lidstaten. De oplossingen zijn de output die het hele proces legitimeren. Je hebt dus geen abstract volk nodig, democratische legitimiteit bestaat in zoverre zij in de praktijk wordt waargemaakt doordat zaken beter gaan. Als dat werkt, worden parlementen jaknikkers, want een voorstel waar alle relevante belanghebbenden achterstaan kan je moeilijk verwerpen, net zoals nu voorstellen van de sociale partners zelden worden afgewezen. Wie nog denkt dat je democratie alleen kan organiseren via die oude formule, verkiezingen, parlement en regering, begrijpt de wereld niet.”

 

Lotsverbondenheid

“Het idee dat een Europese democratie niet kan omdat er geen Europees volk bestaat, is flauwekul. We hebben burgers en verkiezingen in Europa. De Europese politieke partijen kunnen dus met een Europees programma komen in die nog nationaal georganiseerde Europese verkiezingen. Het is moeilijk, maar juridisch kan het. Dat is weer zo’n idiote paradox: in een tijd dat duidelijk is dat de idee van culturele homogeniteit of nationale cohesie een gigantische mythe is, wordt diezelfde mythe opnieuw gecreëerd als voorwaarde voor de ontwikkeling van een ‘demos’, het volk in politieke zin. De ‘demos’ van de natiestaat ontstond pas door oorlog, uitroeiing en assimilatiepolitiek. En zelfs dat niet volkomen, want er bleven altijd buitenstaanders. Als je al een politieke gemeenschap als basis voor democratie nodig hebt, dan bestaat die uit de gedachte dat je een gemeenschappelijke toekomst hebt. Een vorm van lotsverbondenheid dus.”

 

“Zelfs van de welvaartsstaat kun je niet beweren dat die alleen nationaal mogelijk is, want de ideeën daarover in de socialistische beweging waren internationaal en dateren van voor de tijd dat de nationale staat uitgeroepen werd tot ontwikkelaar van de welvaartstaat. Historisch gezien is het andersom: door de invoering van sociale verzekeringen van bovenaf door bijvoorbeeld Bismarck, werd het voor arbeiders aantrekkelijk zich met een staat te identificeren. Wat dat betreft zou de invoering van een minimum sociaal stelsel op Europees niveau helpen. Dergelijke maatregelen zorgen voor de opbouw van een Europese identiteit. In de jaren tachtig en negentig waren er voorstellen in die richting, maar de nationale regeringen wilden niet.”

 

“Om lotsverbondenheid te scheppen heeft Europa ook symbolen nodig. Zoals Kohl en Mitterand die elkaar in Verdun de hand gaven, of zoals Willy Brandt, die kon dat ook goed. Eén knieval in Auschwitz is beter dan honderd boeken over verzoening. Wat dat betreft is de Europese Unie altijd enorm zwak geweest. In plaats van die ongelooflijk saaie opening van het parlementaire jaar in Straatsburg, zou je een enorm feest moeten organiseren, waardoor mensen het gevoel krijgen: ‘daar gebeurt het'. En dat moet je met je programma verbinden. Verreweg de meeste Europese rapporten zijn uitstekend, maar niemand leest ze. Het Deense parlement heeft een commissie die precies volgt wat hun politici in de Europese Unie doen. Dat wordt gerapporteerd in het parlement en dan goedgekeurd. Dat zouden alle lidstaten moeten doen. Dan kunnen ze achteraf niet meer zeggen: het wordt daar allemaal in Brussel bekokstoofd. Want ze deden het namelijk zelf, maar vervolgens klagen ze. Dat gedrag ondermijnt het vertrouwen in de Europese Unie.”

 

Oorlog en vrede

“Het is ondenkbaar dat we terug zouden keren naar besluitvorming enkel op nationaal niveau. Dat kan gewoon niet! Je moet de transnationale politieke processen democratiseren en transparant maken. Dat vergt enorm veel denkwerk en experimenten, maar het kan. Als je in Amerika of Australië met politieke theoretici spreekt, dan zeggen ze allemaal: de Europese Unie is een fantastisch experiment. Van binnenuit zie je alleen wat er niet werkt, terwijl we bezig zijn met iets historisch nieuws dat in elk geval potentieel adequater is als vorm van bestuur en beheer dan de natiestaten.”

 

“Drie maanden geleden had ik een reünie van mijn eindexamenklas. Van de vijfentwintig waren er drie overleden. In historisch perspectief is dat absoluut verbijsterend. We zijn allemaal van net na de oorlog en hebben als generatie enorme mazzel gehad. Het is denk ik de eerste generatie in Duitsland die geen oorlog heeft meegemaakt in eigen land. Daarvoor zou er van zo’n klas vrijwel niemand meer over zijn. Misschien moet je ouder worden, of in een oorlogsgebied werken om je ervan bewust te zijn hoe fenomenaal het is dat wij hier, mede dankzij Europese samenwerking, in vrede met elkaar leven.

 

Maar toch, als je me vraagt of oorlog nog denkbaar is in Europa, dan zeg ik: ja. De dreiging van een nucleaire oorlog is er nog: je moet hopen dat mensen als Poetin begrijpen dat ze die knop niet moeten indrukken. In 1913 dachten mensen ook niet dat er oorlog zou komen; ook de huidige conflicten kunnen zo weer uit de hand lopen, door een kleine gebeurtenis die niemand kan bedenken. Daar ben ik van overtuigd. Er zijn altijd voldoende spanningen en ik vrees dat dat ook altijd zo zal blijven.”

Onderzoeker en docent aan de Protestantse Theologische Universiteit. Oud-hoofdredacteur van tijdschrift de Helling.
Alle artikelen