De knutseleconomie

Passie voor spullen

Winning van tantaal in Congo. Foto door Sasha Lezhnev, Enough Project. CC BY-NC-ND 2.0

De markt moet het doen in de circulaire economie: duurzaamheid en spaarzaamheid door economische prikkels. Desondanks zal er in de omgang met schaarse grondstoffen geen verandering komen zonder de passie van lokale initiatieven. Een pleidooi voor een economie van ‘bricoleurs’.

Terwijl het ‘rendementsdenken’ of de ‘economisering’ in GroenLinks-kringen als perversiteit te boek zijn komen te staan, is er binnen de grondstoffenpolitiek een belangrijke rol voor ze weggelegd. Juist boekhouders, krentenwegers, rekenmeesters en bureaucraten staan op het punt om voor een duurzame doorbraak te zorgen. De omgang met schaarse hulpbronnen vereist immers kostenbewustzijn, efficiëntie, zuinigheid en discipline. De toekomstige ‘circulaire economie’ ontstaat op de tekentafel van ingenieurs en in de systemen van accountants. Er worden ‘grondstoffenpaspoorten’ en online volgsystemen ontworpen die de bewegingen van kostbare grondstoffen nauwgezet in de gaten houden. Grote afvalbedrijven vernieuwen hun business en gaan aan ‘grondstofmanagement’ doen. Fabrikanten verkopen hun product niet meer, maar leasen het en nemen het terug, zodat de duurzame herbestemming van de gebruikte materialen gegarandeerd is. En de overheid, ten slotte, ziet toe op het totaalplaatje. Ze bewaakt de reserves en grijpt bij marktfalen in met cap and trade: peil de omvang en toestand van de voorraad, stel een jaarlijks plafond vast, verdeel het beschikbare rantsoen en de rest is marktwerking. Zo gaat het al met de kooldioxideuitstoot en zo zou het kunnen gaan met schaarse metalen en fosfaat. Het door de fractievoorzitter van GroenLinks in de Tweede kamer zo verfoeide ‘economisme’ heeft, kortom, goede papieren voor een grondstoffenpolitiek van besparing en duurzaamheid.

Affectie

Dat is de ene kant van het ‘circulaire’ verhaal: duurzame winst behalen door slimme, technologische en marktgerichte oplossingen. Een systeem van externe prikkels, afkomstig van economische schaarste, regulering of maatschappelijke druk, dat producenten dwingt tot efficiëntie en recyclage. Mijn overtuiging is dat deze aanpak voor grote en multinationale bedrijven geschikt en zelfs noodzakelijk is. Maar op het geheel van de maatschappij zijn deze extrinsieke motivaties niet genoeg. Het louter varen op de economisch-rationele leefwereld van ingenieurs, managers en boekhouders laat belangrijke, meer gevoelsmatige en innerlijke waarden onaangesproken; waarden die zich vooral uiten op het niveau van individuen en gemeenschappen. De markt kán zorgen voor een efficiënt en schoon productiesysteem, maar is hiertoe alleen bewogen als de ‘ontvangende kant’ van de economie zich intrinsiek gemotiveerd voelt om schone producten af te nemen. Dat is waar grondstoffenpolitiek zich óók op zou moeten richten. Laat ik, voordat u denkt dat ik hierbij doel op het weinig geëmancipeerde ‘stemmen via het winkelwagentje’, wat verder ingaan op het aspect ‘zorgvuldigheid’.

De zorgvuldige omgang met grondstoffen en materialen is niet alleen een rationaliteit. Het kan ook voortkomen uit een motivatie die diametraal tegenover het economisme ligt: affectie. Dat is zorgvuldigheid uit betrokkenheid en passie, in plaats van als doordachte uitkomst van een buitenmenselijk proces. Geen omgang met materialen met de kilte van de kosten-batenanalyse, maar met koestering. De behoefte aan spullen met karakter en geschiedenis. Geen cijfermatige afstand, maar met je neus er bovenop. Liefde voor het materiaal. Knutselen en improviseren met wat je toevallig in je schuur hebt liggen. Mooie dingen maken met grondstoffen en hulpmiddelen uit je eigen omgeving. Een belangrijke reden voor mensen om duurzamere keuzes te maken is immers niet de wetenschap dat een product een goedkeurende levenscyclusanalyse heeft, maar de behoefte aan goede producten van een authentieke kwaliteit.

Spontaan

Productkwaliteit is dan ook, net als zorgvuldigheid, op twee manieren uit te leggen. Er is objectieve, technische kwaliteit – superieure industriële producten met een navenant hoog prijskaartje – en er is subjectieve en zintuiglijke kwaliteit, waarbij de beleving centraal staat. Het zijn twee valide perspectieven, maar in het tweede is de rol van het individu groter. Zijn interactie met het product is persoonlijker en verleidt tot het zich eigen maken van de functionele en zintuiglijke kwaliteit.

Deze tweedeling doet denken aan Claude Lévi-Strauss’ onderscheid tussen de werelden van de ingenieur en de ‘bricoleur’ (vrij vertaald: de knutselaar), die een voorliggende kans of probleem heel anders aanpakken. ‘De ingenieur gaat volgens een vooropgezet plan tewerk; hij heeft een precies doel voor ogen en maakt gebruik van materiaal dat speciaal voor dit doel ontworpen is,’ aldus de Nijmeegse milieufilosoof Jozef Keulartz die zich op Lévi-Strauss baseert. ‘De bricoleur werkt daarentegen zonder duidelijk plan; hij maakt op creatieve en vindingrijke wijze gebruik van het toevallig aanwezige materiaal bij het vervaardigen van nieuwe objecten met een onverwacht soort functionaliteit.’ In het onverwachte en het toevallige schuilt juist de meerwaarde. Het is een verrijkende (zelf)beperking: het werken met spontaan beschikbaar materiaal heeft charme, houdt je scherp en zorgt bovendien voor selectiviteit. Steeds meer kunstenaars, architecten en meubelmakers laten hun ontwerpen beïnvloeden door de structuur van herwonnen materiaal, in plaats van nieuwe materialen in te kopen die voldoen aan de perfectie van het tekentafelontwerp.

Politieke daad

Meer bricolage betekent een actievere rol van individuen en daarmee een sterkere vertegenwoordiging van intrinsieke, affectieve waarden in het economisch verkeer. Ingenieurs bevinden zich in de formele economie van mijnbouwers en fabrikanten; bricoleurs zitten vaak middenin de (stedelijke) samenleving, maar economisch gezien juist meer in de rafelranden. Ze repareren afgedankte spullen of knutselen er geheel nieuwe dingen van. En er zit groei in deze economische rafelranden. De activiteit in het informele circuit, waar mensen delen, ruilen en uitwisselen, neemt toe. Dit gebeurt deels noodgedwongen, door de werk- en inkomstenonzekerheid, en deels is het de tijdgeest van duurzaamheid, hergebruik en ‘doe-het-zelven’ – intrinsieke motivaties. Een voordeel van het heden daarbij is de beschikbaarheid van online kennis en connecties. Veel meer dan vroeger kun je je kansen tegenwoordig bij elkaar communiceren en op die manier de eindjes aan elkaar knopen. Er zijn voorbeelden genoeg. In Nederland kennen we Marktplaats (ontstaan in de vrije tijd van een kringloopwinkel-medewerker) en het leenplatform Peerby. In Toronto (Canada) rapporteert men oogstbare materialen op de site Trashswag.com, wat resulteert in een praktisch overzicht van waar er deuren, pallets, meubels en tegels voor het oprapen en circuleren liggen. En tegen de stroom van irreparabele consumentenelektronica in is het in Nederland geboren Repair Café internationaal aangeslagen. In een Repair Café kunnen buurtbewoners op gezette tijden naar defecte apparatuur en andere spullen laten kijken door handige vrijwilligers. 

Deze en andere maak- en deelplatforms zijn niet alleen van praktisch nut: ze behelzen ook een politieke daad. Initiatieven zoals het Repair Café zijn een poging om zeggenschap terug te winnen in een wereld waarin de productie van kennis, goederen en voedsel steeds verder wordt geprivatiseerd en het gebruik van producten door een bedrijf wordt gedicteerd. Je kan maar beter ‘open’ materialen hebben liggen waarvan de mogelijkheden nog legio zijn, dan ‘gesloten’ consumptieartikelen die met hun gedachten al in de prullenbak zitten. Wat dat betreft ligt bricolage in het verlengde van de beweging der hackers (Helling zomer 2015). De functionaliteit van producten moet toegankelijk zijn, en desnoods wederrechtelijk toegankelijk worden gemaakt. Of, zoals verwoord in het Self-repair manifesto van reparatie-wiki iFixit.comIf you can’t open it, you don’t own it.

Straatjutters

Maar kun je wel op bouwen op bricoleurs? Als het bovenstaande onbeduidend klinkt, of al te oneconomisch, loont het om de rollen, houdingen en activiteiten iets wetenschappelijker te bekijken. Architect Jan Jongert (Helling winter 2013) en onderzoekers Gijsbert Korevaar en Nels Nelson bestuderen hoe materiaal- en energiestromen efficiënter en geraffineerder kunnen worden aangewend, en door wie. Zij destilleerden uit het groeiende en divergerende veld van circulaire doeners en bedrijfjes het concept van de ‘cyclifier’, een nieuwe spilfunctie in de circulaire economie. Cyclifiers zijn “actoren die de stedelijke stofwisseling verbeteren, sturen of aanleggen. Ze doen dat op zo'n manier dat het systeem meer onderling verweven wordt en het milieu minder wordt belast” (eigen vertaling).

De auteurs analyseerden de kenmerken en prestaties van vijftien uiteenlopende gevallen in binnen- en buitenland, sommige passend in een schuur of ter grootte van een plein, andere inhakend op grote materiaalstromen in en rondom de stad. Bij nadere bestudering bleek de bijdrage van cyclifiers te kunnen worden samengevat als: het in de stedelijke omloop houden van grondstoffen en/of het in stand houden of verhogen van materiaalkwaliteit. In een economie waarin grondstoffen in feite maar een korte stedelijke tussenstop hebben als consumptieartikel en de gangbare recyclingkanalen vaak niet meer doen dan massaal verpulveren, verbranden en enkel de meest waardevolle grondstoffen weer terugwinnen, is dat een kei van een bijdrage.

Hoewel de casussen van Jongert e.a. vaak heel contextspecifiek en soms best ingewikkeld zijn, is het concept zelf volledig schaalbaar en kan ook het individu tot actie aanzetten. Straatjutters en deelnemers aan online marktplaatsen zijn een soort cyclifiers. Een kringloopwinkel zou een cyclifier kunnen zijn. Ook de Voedselbank is een cyclifier: restpartijen eten worden herverdeeld onder de minima. Op cyclifier.org is inmiddels een baaierd aan inspirerende voorbeelden verzameld, waaronder zelfvoorzienende woonwijken, lokaal hergebruik van warmte en bouwwerken met geredde grondstoffen.

Knutselenderwijs

De mondiale grondstofschaarste en milieuaantasting vragen om een ‘economische’ en verantwoordelijke grondstoffenpolitiek. Grote bedrijven hebben de mogelijkheid om nauwgezet hun grondstoffenverbruik en milieu-impact te monitoren en te verbeteren. Waar ze toch het milieu belasten door natuurlijke hulpbronnen af te tappen of afvalstoffen uit te stoten, zouden ze gedetailleerde milieuheffingen opgelegd kunnen krijgen (zie het interview met Femke Groothuis in dit nummer). Grote bedrijven begrijpen de taal van het economisme en vragen de overheid zelfs nadrukkelijk om met groene wetgeving te komen.

Maar de overslag van een kwantitatieve naar een kwalitatieve economie is daarmee niet gemaakt. Daarvoor is een affectieve en persoonlijke relatie met grondstoffen en materialen nodig, die vooral op het niveau van schuren, steden en gemeenschappen ontstaat. Daar is ruimte voor een dynamiek waarin de lokale beschikbaarheid van hernieuwbare grondstoffen de kansen en beperkingen schept voor een duurzame economie. Schaarste en overvloed niet als antoniemen, maar als verwanten. Knutselenderwijs aan de slag, en terreinwinst op het onbezielde economisme.
 

Literatuur

J. Jongert, N. Nelson en G. Korevaar, 2015, Cyclifiers: an investigation into actors that enable intra-urban metabolism, www.cyclifier.org, 2015.
J. Keulartz, De actualiteit van Rachel Carson, lezing op de Dag van de Milieufilosofie 2013, www. bureaudehelling.nl.
J. Klaver, De mythe van het economisme. Amsterdam, Bezige Bij 2015.
C. Lévi-Strauss, Het wilde denken, Amsterdam, Meulenhoff 2009 (1968).
S. Schouten, De circulaire economie. Waarom productie, consumptie en groei fundamenteel anders moeten, Amsterdam, Leesmagazijn 2015.

 

Dit artikel staat in De Helling, herfst 2015: Grondstoffenpolitiek.

Projectleider Commons Lab bij Waag en redacteur van tijdschrift de Helling.
Alle artikelen