De koehandel voorbij

EU-grondwet is winst

GroenLinks is enthousiast over het ontwerp voor een Europese Grondwet. Het garandeert geen groen en progressief beleid, maar vergroot wel de mogelijkheden om daarvoor te strijden. Het referendum in 2004 is een keuze tussen kosmopolitisme versus nationalisme. Dat verklaart de verschillen tussen GroenLinks en SP. 

In juli heeft de Europese Conventie een blauwdruk voor een Europese Grondwet afgeleverd. Voor het bijeenroepen van deze Conventie, een forum van (euro)parlementariërs en regerings­vertegenwoordigers onder leiding van de Franse oud-president Giscard d’Estaing, hebben GroenLinks en de andere groene partijen in Europa lang geknokt. Joschka Fischer, de Duitse Groene-minister van Buitenlandse Zaken, heeft het idee gelanceerd. Het kon worden verwezenlijkt toen de onderhandelingen tussen de Europese regeringsleiders in 2000 voor de zoveelste keer koehandel werden achter gesloten deuren, met het magere Verdrag van Nice als resultaat. GroenLinks verwachtte dat een Conventie die in meerderheid uit parlementariërs zou bestaan en in het openbaar zou vergaderen de EU aan betere spelregels zou kunnen helpen. Die verwachting is uitgekomen. De blauwdruk voor een Europese Grondwet die de Conventie heeft ontworpen maakt de EU democratischer, doorzichtiger en besluitvaardiger.

Stappen vooruit

Vanuit GroenLinks-perspectief zet de ontwerp-Grondwet een aantal belangrijke stappen vooruit:

Meer macht voor het Europees Parlement. De Europese volksvertegenwoordiging is de grote winnaar van de Europese Conventie. Volgens de ontwerp-Grondwet wordt zij medewetgever op het gebied van asiel en justitie en op de hoofdlijnen van het landbouw- en visserijbeleid. Tot nu toe besloot alleen de Raad van (nationale) Ministers hierover, achter gesloten deuren. Beïnvloedingsmogelijkheden vooraf voor ngo’s ontbraken goeddeels, evenals democratische verantwoording achteraf. Dat leverde vaak beroerde wetgeving op. Het Europees Parlement krijgt ook het laatste woord over de hele Europese begroting en over handelsverdragen. De Europese verkiezingen zullen aan belang winnen. Voor GroenLinks is het interessant dat de nieuwe bevoegdheden van het Europarlement juist de beleidsterreinen betreffen waarop we tot nu toe de meeste kritiek hadden. 

Minder geheimhouding. De Raad van Ministers wordt verplicht om, net als het Europees Parlement, in het openbaar te vergaderen over wetgeving. Het recht van burgers op toegang tot informatie gaat gelden voor alle EU-instellingen. 

Minder bemoeizucht. Nationale parlementen kunnen aan de noodrem trekken wanneer zij vinden dat de Europese instellingen hun bevoegdheden overschrijden. Het Europees Parlement kan de Europese Commissie (het dagelijks bestuur van de EU) terugfluiten wanneer wetgeving niet goed wordt uitgevoerd. Daardoor is er voor euro­parlementariërs minder reden om allerlei details vast te leggen in wetten. Juist die regelneverij is een belangrijke bron van irritatie en euroscepsis.

Grotere besluitvaardigheid. Door het verdwijnen van het vetorecht van lidstaten wordt de EU besluitvaardiger op het gebied van asiel en misdaadbestrijding. Ook de rechten van werknemers en zelfstandigen die in een ander EU-land werken kunnen beter worden geregeld. 

Betere rechtsbescherming. Burgers krijgen meer instrumenten om zich tegen de EU te verweren wanneer deze hun grondrechten aantast. Het EU-Grondrechtenhandvest wordt bindend. Dit omvat niet alleen klassieke grondrechten, zoals het verbod op discriminatie, maar ook sociale grondrechten zoals het recht op sociale bescherming, onderwijs en gezondheidszorg. Het handvest waarborgt het recht op asiel voor vluchtelingen. De EU treedt tevens toe tot het Europees Verdrag over de Rechten van de Mens. Daarmee wordt aan de bestaande interne juridische controle, door het Europees Hof van Justitie in Luxemburg, een externe controle toegevoegd: die van het Mensenrechtenhof in Straatsburg. 

Burgerinitiatief. Voor het eerst krijgt de EU een vorm van directe democratie: het burger­initiatief. Burgers kunnen een wetsvoorstel op de agenda van de Europese instellingen zetten, als zij daarvoor een miljoen handtekeningen uit verschillende landen verzamelen. De drempel van een miljoen is zeker haalbaar: na de uitbreiding volgend jaar telt de EU maar liefst 450 miljoen inwoners. Het burgerinitiatief biedt kansen voor bijvoorbeeld milieu- en dierenbeschermings­organisaties om de EU aan te zetten tot voortvarender beleid. Zo hebben actiegroepen van omwonenden van vliegvelden, van Schiphol tot Athene, die door de Groene fractie in het Europees Parlement waren bijeengebracht, onlangs besloten om een handtekeningenactie op te zetten voor een verbod op nachtvluchten. 

Europese minister van Buitenlandse Zaken. De EU krijgt een eigen minister van Buiten­landse Zaken, die het buitenlands beleid van de lidstaten coördineert. Deze minister moet opkomen voor de internationale rechtsorde en mag namens de EU spreken in de VN-Veiligheidsraad. Hij of zij zal moeten opstappen wanneer het Europees Parlement het vertrouwen opzegt. 

Vaste voorzitter Europese Raad. Het wisselend voorzitterschap, waardoor een dubieuze figuur als Berlusconi zich nu ‘voorzitter van de EU’ mag noemen, verdwijnt. De Europese Raad van regeringsleiders krijgt een vaste voorzitter. Diens bevoegdheden zijn gelukkig beperkt. Wanneer de Europese Commissie, het dagelijks bestuur van de EU, een sterkere voorzitter krijgt dan Prodi, hoeft deze zich niet te laten overvleugelen door de nieuwe Raadsvoorzitter. Dat is in het Nederlands belang, want de Commissie heeft meer oog voor de belangen van kleinere lidstaten dan de Europese Raad. De Commissie laat zich leiden door regels, in de Raad telt vooral de macht.

Kritiek

Natuurlijk valt er ook kritiek te leveren op de voorgestelde Grondwet. Wij hadden het vetorecht verder willen terugdringen bij sociaal beleid, (milieu)belastingen en buitenlandse politiek. Op het gebied van strafrecht zijn de bevoegdheden van de EU juist te ruim omschreven. Een minister van Buitenlandse Zaken alleen volstaat niet om tot een eensgezinder buitenlands beleid te komen dat een tegenwicht kan bieden aan de Amerikaanse spierballenpolitiek. Het is een gemiste kans dat het Europees Parlement de voorzitter van de Europese Commissie wel mag benoemen, maar dat regeringsleiders uitmaken wie de kandidaat is.

De Europese Conventie heeft echter bepalingen opgenomen die het mogelijk maken om in de toekomst, zonder grondwetswijziging, de Europese spelregels te verbeteren. De ontwerp-Grondwet is als het ware op de groei gemaakt. Zonder Grondwet vallen we daarentegen terug op de huidige Europese verdragen, die een veel groter tekort aan democratie kennen. De voorgestelde Grondwet garandeert geen groen en progressief beleid, maar vergroot wel de mogelijkheden om daarvoor te strijden, binnen en buiten het Europees Parlement.

Europa wordt meer dan ooit een volwaardige politieke arena, in plaats van een lustoord voor technocraten. Veel nationale regeringen hebben het daar moeilijk mee. Zij vinden dat de europarlementariërs teveel zeggen­schap krijgen, en burgers teveel rechten. Tekenend voor de weerzin tegen de politisering van Europa is de houding van minister Zalm. Hij begrijpt absoluut niet waarom het Europarlement het laatste woord zou moeten hebben over de Europese begroting. Parlementaire bemoeienis maakt de onderhandelingen tussen de nationale regeringen in zijn ogen alleen maar ingewikkelder en vergroot het risico dat hij meer contributie moet afdragen dan hem lief is. Dat ook in de begrotingspolitiek bij uitstek politieke keuzes gemaakt worden die democratische legitimatie behoeven, ontgaat deze technocraat volkomen.

Het probleem is dat Zalm niet alleen staat. Dezelfde regeringen die eerder deelnamen aan de openbare discussies in de Conventie en tekenden voor het resultaat, voelen zich vrij om de bereikte compromissen weer open te breken nu zij hun zegje kunnen doen achter de gesloten deuren van de zogenaamde Intergouvernementele Conferentie (IGC,  herzieningsbijeenkomsten van de nationale regeringen). Als alle nationale eisen worden gehonoreerd voordat de Europese regeringsleiders de definitieve Grondwet vaststellen, blijft er niets over van de democratische vernieuwingen waarover de Conventie het eens werd. Het is dan ook zaak om het werk van de Conventieleden te verdedigen tegen nationale behoudzucht.

Referendum

Op initiatief van GroenLinks zal in Nederland, net als in een aantal andere EU-landen, een referendum gehouden worden over de Europese Grondwet. Als de ontwerp-Grondwet de IGC overleeft zonder al te veel democratische averij, zal GroenLinks campagne moeten voeren vóór de Grondwet. Is dit typisch GroenLinks masochisme: een referendum uitlokken over iets waar je voor bent? Ongetwijfeld, maar een referendum is ook de bevestiging van het feit dat de EU met deze Grondwet het tijdperk van de technocratie en de voldongen feiten achter zich laat. Zonder de instemming van de burgers kan geen Europese democratie tot stand komen. Veel Europese volksvertegenwoordigers zijn het beu om bij elke stap in het integratieproces over hun schouder te moeten kijken om te zien of de achterban wel volgt, en dan taal noch teken te ontvangen. Stilzwijgen ontmoeten, veel meer dan kritiek ontvangen, ondermijnt het effectief optreden van een parlementariër. Alle reden om de roep om een referendum over Europa, die volgens peilingen door viervijfde van de Nederlanders ondersteund wordt, te honoreren.

Het referendum over de Europese Grondwet zal, als de IGC op tijd wordt afgerond, gelijktijdig met de Europese verkiezingen van juni 2004 plaatsvinden. De twee campagnes kunnen elkaar versterken en de opkomst bevorderen. In de referendumcampagne is weinig plaats voor nuance. GroenLinks is voor of tegen de Grondwet en zal haar uiteindelijke keuze voluit moeten verdedigen. In dat licht moet ook het ontwerp-verkiezingsprogramma van GroenLinks voor de Europese verkiezingen worden gezien. In het herfstnummer van De Helling (nr. 3-2003) bekritiseert Harmen Binnema het eerste concept van dit programma. Hij verbaast zich over de ‘welhaast juichende passage over de Europese Grondwet’. Maar juist deze passage, die de breuk met het technocratische Europa onderstreept, is toegesneden op een ja-campagne voor het referendum.

Dat wil niet zeggen dat GroenLinks al het Europese beleid moet verdedigen. In die rol zullen we ons niet laten drukken. Dat gebeurt ook allerminst in het ontwerp-verkiezingsprogramma. Dat is zeer kritisch over bijvoorbeeld de eenzijdig repressieve Europese justitiesamenwerking en over de opstelling van de EU in de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Het sociale hoofdstuk levert forse kritiek op de Europese sociaal-democraten, wier onvermogen om een sociaal project voor Europa in de steigers te zetten eraan heeft bijgedragen dat het heilloze project van de marktwerking nog steeds dominant is in Brussel. GroenLinksers die de eerste versie van dit hoofdstuk kregen voorgelegd, vroegen zich af waarom de partij überhaupt nog iets ziet in Europa. De les daaruit is dat een programma niet alleen kritiek moet leveren, maar ook politiek perspectief moet schetsen. GroenLinks zal in de campagne voor het Europees Parlement dan ook voluit te keer gaan tegen allerlei Europese liberaliseringsplannen, van openbaar vervoer tot drinkwatervoorziening, maar tegelijk benadrukken dat het de moeite waard is om te vechten voor Europese sociale normen. Alleen zo kan de markt worden ingetoomd. Een sociale politiek die louter nationaal is, stuit snel op haar grenzen.

De SP

Het ontwerp-verkiezingsprogramma bevat teveel programmapunten, aldus Harmen Binnema in de Helling. Een vreemd verwijt, want het zijn er veel minder dan in ons nationale programma. Terwijl de kans om deze punten te realiseren in Straatsburg veel groter is dan in Den Haag. In het Europees Parlement is nu eenmaal geen sprake van een vaste scheidslijn tussen regeringsmeerderheid en oppositie. In gelegenheidscoalities met socialisten en liberalen krijgt de Groene-fractie heel wat voor elkaar, en niet alleen op milieugebied. In die Groene-fractie zitten veel partijen die hun programma geheel of gedeeltelijk van GroenLinks hebben gekopieerd. Een serieus verkiezingsprogramma schrijven loont dus. Tegelijk maakt GroenLinks zich kwetsbaar voor het verwijt een Europese regelneef te zijn. Het officiële ontwerp-verkiezingsprogramma probeert, sterker dan eerdere concepten, dat verwijt te pareren. Het benadrukt dat veel Brusselse bemoeizucht veroorzaakt wordt door het streven naar een vrij verkeer van goederen en diensten, niet gehinderd door verschillen in nationale wetgeving. Dat leidt bijvoorbeeld tot een Europese verbod op vaccinatie tegen mond- en klauwzeer en een inmenging in de prijs van Nederlandstalige boeken. Met een pleidooi om de markt een halt toe te roepen kan GroenLinks het verwijt van Brusselse bedilzucht retourneren aan partijen als VVD, CDA en D66, die de interne markt altijd hebben gesteund.

Steun voor de Europese Grondwet, die de Europese Unie van een economisch tot een politiek project maakt, past in deze lijn. GroenLinks zal er niet aan ontkomen om het debat te zoeken met de SP, die zich al op een ‘nee’ tegen de Grondwet heeft vastgelegd nog voor de tekst ervan vaststaat. Karikaturen als zou de EU zich met deze Grondwet vastklinken aan de NAVO zijn makkelijk door te prikken. Europa zet juist onwennige stapjes naar een zelfstandig Europees veiligheidsbeleid, teneinde meer weerwerk te bieden aan Washington. Daarom verdedigen Berlijn en Parijs de ontwerp-Grondwet van de Conventie, en liggen Londen en Den Haag nog dwars. De grote meerderheid van Europeanen heeft het afgelopen jaar laten blijken niets te zien in Amerikaans militair avonturisme. Aan deze kiezers bieden partijen als de SP geen alternatief zolang zij Brussel en Washington als lood om oud ijzer beschouwen. Daar zit dan ook hun achilleshiel.

Europa is geen links en geen rechts project. Mede daarom kunnen partijen die dicht bij elkaar staan op de links-rechts-as, op behoorlijke afstand van elkaar staan op de as die loopt van pro naar contra Europese integratie. Deze scheidslijn zal, mede onder invloed van het referendum over de Europese Grondwet, aan belang winnen. Het gaat in essentie om kosmopolitisme versus nationalisme. Dat verklaart de verschillen tussen GroenLinks en SP, maar ook de verdeeldheid binnen de VVD.

Kopgroep

Nederland is allerminst immuun voor nationalisme, zo weten we sinds Fortuyn. Dat de Nederlandse burgers voor de Europese Grondwet zullen stemmen is geen uitgemaakte zaak. Hoewel het formeel slechts een raadplegend referendum betreft, zal het parlement bij een voldoende opkomst geen andere keuze hebben dan de uitslag te volgen. Een Nederlands nee tegen de Grondwet kan verstrekkende gevolgen hebben. In het beste geval zijn de andere EU-landen bereid om opnieuw te onderhandelen teneinde, door middel van aanpassingen van de Grondwet of uitzonderingsbepalingen voor Nederland, tegemoet te komen aan de bezwaren die in de referendumcampagne zijn komen bovendrijven. In het slechtste geval ontstaat een impasse. Duitsland en Frankrijk zullen dan allicht proberen een Europese kopgroep te vormen op basis van de Grondwet. Wanneer Nederland buiten die kopgroep blijft, hebben we niet langer invloed op de koers van de Europese integratie. De economische en politieke prijs van een dergelijk isolement is hoog, zo zal blijken. Nederlands plek is in het hart van Europa. Maar misschien kan die les alleen door schade en schande geleerd worden.

Voormalig Europarlementariër voor GroenLinks. Politiek analist in Turkije.
Alle artikelen
Medewerker van Bureau de Helling.
Alle artikelen