"De mens is een verwend wezen"

Een interview met Peter Sloterdijk

Peter Sloterdijk is een van de grootste hedendaagse filosofen. De Duitse denker beschrijft de mens als een ‘verwend wezen’ omdat hij wordt geboren in overvloed en door die overvloed zijn leven lang wordt bepaald. Een interview.

Peter Sloterdijk (1947) is een spraakmakend filosoof. In de jaren negentig maakte hij furore met zijn boek Regels voor het mensenpark (1999). Het boek leidde tot een heftige, in de media gevoerde, discussie over genetische manipulatie, waarbij Sloterdijk zich tegenover die andere spraakmakende Duitse filosoof Habermas bevond. Nadat hij eerder het best verkochte Duitse filosofieboek van na de Tweede Wereld Oorlog had geschreven, Kritiek van de cynische rede (1983), komt Sloterdijk nu ook steeds meer in de internationale schijnwerpers te staan. In zijn recente trilogie onder de titel Sferen, een letterlijk en figuurlijk groots werk, gaat hij op zoek naar een filosofie van de ruimte. Niet de ruimte in mathematische of geografische, maar in extatische zin, dat wil zeggen over de vraag: waar verhouden de mensen zich toe? In Sferen 1 (1998) beschrijft Sloterdijk onder andere hoe deze ruimte lange tijd werd bepaald door de relatie tot God. De mens werd gedefinieerd ten opzichte van God. Sloterdijk lijkt in Sferen 3 (2004) te beweren dat de mens wordt bepaald door de overvloed – in de persoon van de moeder – waarmee hij geconfronteerd wordt als hij ter wereld komt. Dat maakt de mens tot een ‘verwend mens’.

Om meer inzicht te krijgen in deze ‘ruimtefilosofie’ en in de verwende wezens die erin leven, spreken we op een zomerse dag met Peter Sloterdijk in het Ambassadehotel te Amsterdam. Nadat we enige tijd hebben moeten wachten – de filosoof zit nog aan zijn ontbijt – maakt de fysiek imposante Sloterdijk entree, steekt een grote sigaar op, en laat het gesprek beginnen.

In uw ogen is de mens een verwend wezen. Kunt u dat toelichten?
“De waarheid is dat mensen wezens zijn die uit een alles vormende luxe voortkomen: ze zijn vanaf de eerste dag luxewezens. Dat heeft ermee te maken dat ze als vroeg geborenen in de wereld komen in de armen van familie, in de armen van een moeder waarvan we de existentiële betekenis moeten interpreteren als een schat. Dat is interessant: het kind komt ter wereld, het eerste dat het ontdekt, is een schat. De moeder is niet de moeder, maar voor het kind is de primaire ervaring van de moeder als persoon – er zijn eigenlijk nog geen woorden voor deze situatie – dat er een schat is die het vinden kan. Hierin zit de ervaring van verwenning die leidend is voor het verdere bestaan. Later zoekt men een equivalent van de moederschat, maar alleen in het begin vindt men die. De mensen veranderen zo gezegd door de tijd op de een of andere manier van schatvinders (bij de conceptie en de geboorte) in schatzoekers (de rest van het leven). Dat heeft ermee te maken dat de schat zich steeds verder terugtrekt. Terwijl het kind groter wordt, wordt de schat steeds onzichtbaarder. Dan heeft men op een gegeven moment een echte moeder, maar men begrijpt niet meer dat het eerste wat men in de wereld ontdekt heeft rijkdom is. Een moeder is niets anders dan het principe rijkdom als persoon, want zij heeft altijd iets, ze komt nooit met lege handen, ze is meer bron dan mens. Ze is een soort van tovenares, de fee, de nimf van haar kind. Het vervelende is alleen dat het schateiland, de wereld waarin men geboren wordt, een plaats van waanzin kan worden. Het ergste is: de schatzoekers vinden niets op hun schateiland. Dan is de wanhoop dubbel zo sterk. Mensen worden daardoor vanaf het begin af aan gekwetst, worden wantrouwend en ‘komen niet graag ter wereld’.”

Wat voor consequenties heeft dit verwende mensbeeld op maatschappelijk vlak?
“De moderne maatschappij is op een bepaalde manier een poging het collectieve schateiland te construeren. En om de belofte te doen dat er in ons systeem bij het schatzoeken uiteindelijk niemand met lege handen blijft staan.” 

In uw werk staat de ruimte centraal. Wat is de plaats van uw eigen filosofie? Is dit een westerse filosofie of een mondiale filosofie?
“Ik denk dat de tijd van de wereldfilosofie voorbij is. Mondiale filosofie gaat gepaard met metafysica, dat wil zeggen: veronderstelt universele waarheden. Een niet metafysische filosofie, zoals de mijne, zal dus niet mondiaal zijn. De metafysica was namelijk een poging de mens in een kosmopoliet te veranderen. Letterlijk betekent het begrip ‘kosmopolitisme’ dat de mens een excentrische waarnemer van de wereld wordt en met een hemelse blik het oog van God imiteert. Dat is het filosofisch kosmopolitisme van de klassieke metafysica [zoals van Plato, Hegel, Kant; red.]: de wereld zien zoals God haar zien zou wanneer hij menselijke ogen had. Ik denk dat voor de mens die hier en nu leeft die poging voorbij is. Wij moeten onze plaatsgebondenheid radicaal accepteren, dus zeggen waar wij zijn.”

Wat moeten we ons voorstellen bij die plaatsgebondenheid?
“De mensen zijn eigenlijk nakomelingen van savanneapen, die tegenwoordig in de stad leven. Wat betekent dat? Wat doet een savanneaap in de stad? Dat is de vraag die hedendaagse ruimtefilosofie, ruimteantropologie, beantwoorden moet. Allereerst: hoe komen savanneapen erbij steden te bouwen? En hoe kunnen ze daarin leven? En hoe kunnen ze de ecologische en de psychologische absurditeit van die plaatsgebondenheid verdragen? Daarop zijn vele antwoorden mogelijk, die ik beschrijf in Sferen 3 waar het moderne individualisme aan bod komt. Mensen bouwen in hun appartementen een soort van kleine vestingen en tegelijkertijd leven ze op verschillende manieren in connected isolations, zoals ik dat noem.” Volgens Sloterdijk leven mensen in hun appartementen aan de ene kant individueel en plaatsgebonden (isolation) maar anderzijds ook verbonden met elkaar (connected): je hoort de buren, je kijkt bij de overburen naar binnen, et cetera. Iedereen zit in zijn eigen cel, heeft zijn eigen blik op de wereld, maar men is niet geheel los van elkaar.

In Sferen beschrijft u uitgebreid dat dit de situatie is waarin stedelingen leven. Nu heeft u niet als doel een politiek werk te schrijven, maar deze situatie roept toch politieke vragen op. Schept het leven in ‘connected isolation’ bijvoorbeeld ruimte voor een democratie? Misschien zelfs een mondiale democratie?
“Iedereen weet dat er geen mondiale democratie bestaat, om de simpele reden dat de democratie een systeem is waarin de taal heerst. In de democratie is de taal aan de macht. De politicus is slechts iemand die de taal op een bijzondere manier gebruikt. De goede politicus is diegene die de stemming van het collectief met taal interpreteert en met argumenten, met spreken, met verleiding of met geruststelling de collectieve psyche dirigeert. Democratie is een puur verbale dynamiek om een gemeenschap te leiden en het is algemeen bekend dat de grote gemeenschappen tegenwoordig niet door middel van een taal gestuurd worden. Ze worden gevormd door geldstromen en beelden, de grote vitale illusiesystemen voor de beheersing van de behoeften van de massa’s. De taal wordt steeds meer gemarginaliseerd. Het heeft dus simpelweg een medialogische reden dat zoiets als een mondiale democratie niet bestaat noch kan bestaan. Er is geen mondiale taal.”

Uw voorlaatste boek ‘Binnenruimte van het kapitalisme’ (2005) gaat deels over wat tegenwoordig ‘globalisering’ heet. Op welke manier verschilt wat u de ‘binnenwereld van het kapitaal’ noemt van de neoliberale globaliseringsutopie?
“Hoewel het kapitalisme ongelofelijk inclusief is – het heeft misschien een miljard of anderhalf miljard leden en is daarmee het grootste inclusiesysteem dat de wereld ooit gekend heeft – is het nog steeds exclusief, want er zijn veel mensen die er niet bij horen. Negri en Hardt, de auteurs van het spraakmakende boeken Empire en Multitude, hebben naar mijn gevoel het kapitalistisch fenomeen verkeerd beschreven. Door gebruik van het begrip ‘empire’ geven ze mijns inziens een volledig verkeerd beeld van die mondiale structuur. Ze zijn in mijn ogen in de neoliberale propaganda getrapt en geloven werkelijk dat het kapitalisme een systeem is dat geen exclusiviteit meer kent. Maar dat klopt niet. Globalisering is een thema in het zelfgesprek van de rijke wereld. De inclusieve ruimte van het kapitaal is een zeer duidelijk te onderscheiden sfeer, hetgeen men simpelweg merkt aan het feit dat men op bepaalde plaatsen in de wereld met een creditcard iets kan doen, maar op zeer veel plaatsen niets. Dat betekent wellicht een inclusie van een vierde van de mensheid en sluit vanzelfsprekend drie vierde uit. Ik zou simpelweg zeggen: wie tegenwoordig beweert dat de totale inclusie van de mensheid in de mensheid mogelijk is, is een charlatan.”

In wat voor sfeer, in welke ruimtelijkheid, leeft men in de uitsluiting van het kapitalisme?
“Men kan buiten het kapitalisme leven en een authentiek leven leiden, maar dan met andere – niet kapitalistische – vormen: andere culturen, andere culturele containers waarbinnen geleefd wordt. Daaraan is niets verkeerd, omdat mensen altijd in zulke vormen geleefd hebben. De ruimte die door het kapitaal gevormd wordt, is een relatief moderne constructie die niet ouder dan 200 jaar is. Er is een ‘buiten’, dat is volkomen duidelijk, maar de mensen die buiten de ruimte van het kapitaal leven, leven daarom nog niet ‘buiten’, maar in een ander ‘binnen’. Daarmee is duidelijk dat voor die mensen de religie zo ontzettend belangrijk is. Het kapitalisme heeft de religies geëlimineerd of vervangen door de sociale zekerheid. Men had eenvoudigweg geen behoefte meer aan de symbolische immuniteit van de religie toen de grote solidariteitssystemen opkwamen. Wie een ziektekostenverzekering heeft, heeft God nog maar half zo hard nodig. En wie een levensverzekering heeft, heeft hem vrijwel helemaal niet meer nodig. Inmiddels heeft men in het Westen ontdekt dat God nog andere gebruikswaarden heeft en daarom wordt hij hier gereanimeerd.”

Het neoliberale denken bevat de vooronderstelling dat het kapitalisme de hele wereld kan omvatten en geen ‘buiten’ heeft. Is dat een vorm van imperialisme?
“Ja, het is een imaginair imperialisme, zoals ook het – altijd missionair ingestelde – communisme dat was. Het communisme was, zo men wil, een tweede katholicisme. Een katholicisme zonder God dat zich tot iedereen richtte. Dat is overigens de reden waarom Johannes Paulus II na de val van het communisme zo verbazingwekkend makkelijk de eeuwige waarheden van het communisme voor het Vaticaan claimen kon. Toen het er zeker van was dat het monster overwonnen was, begon het Vaticaan communistisch te spreken, om de katholieke inclusie te vergroten. Het katholicisme is weliswaar de grootste religie van de wereld, maar is even exclusief als het kapitalisme. Dat wil zeggen: een miljard binnen, vijf miljard buiten.”

Laat dit inclusief-exclusief denken ruimte voor kritische filosofie? Immers, een kritische filosofie heeft altijd gestreefd naar emancipatie van het buiten, dat wil zeggen: heeft gepoogd om het ‘buiten’ binnen te halen, om het exclusieve inclusief te maken.
“Wat is kritiek? De enige vorm van kritiek die voor mij geldt, is dat men een betere theorie biedt of een betere beschrijving van de wereld. Het is de taak van de lezer zich een beeld te vormen van wat de betere beschrijvingen zijn. Mijn kritische ambitie ligt in het schrijven van ‘betere’ boeken. Ik gebruik daarin niet de gangbare globaliseringstheorie maar ga op zoek naar een veelvoud van taalspelen, discoursen,  die aansluiten bij mijn denkbeelden. Voor het overige denk ik inderdaad dat het tijdperk van de kritiek voorbij is. Vele vormen van kritiek zijn eigenlijk alleen maar een productie van illusies. Door kritisch, dat wil zeggen negatief te zijn, gelooft men dat men soeverein is. Ik zie dat als een romantische overdrijving, want de ervaring is dat dergelijke kritiek eigenlijk hulpeloosheid met zich meebrengt. In plaats van de mensen soeverein te maken, maakt de kritiek of het kriticisme de mensen eerder nog hulpelozer dan ze al zijn. Het negativisme moet vervangen worden door een kritiek die wel zinvol is, een die bouwt op associaties, organisaties, solidariseringen, collectieve acties: allemaal dingen die operatief zijn.”

Literatuur:

- Peter Sloterdijk, Alain Finkielkraut, Hartslag van de wereld, SUN 2005.
- Peter Sloterdijk, Het kristalpaleis. Filosofie van de globalisering, SUN 2006.

Liesbeth Noordegraaf-Eelens is filosoof en econoom.
Alle artikelen
Socioloog aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.
Alle artikelen