Artikelen tijdschrift

Ecologische duisternis in tijden van Verlichting

Je kunt heel somber worden van de energie- en klimaatcrisis: we gaan met zijn allen naar de verdoemenis. Met open ogen nog wel. Maar ons grondig bewust worden van de tegenstrijdigheden in onze cultuur is de eerste stap uit de crisis.

Wie een satellietfoto van nachtelijk Europa bekijkt, weet waarom we ons tijdvak Verlichting hebben gedoopt. Het schitterende schouwspel dat Europa haar nachtelijke bezoeker biedt, zou onder het huidige energieregime zonder de verbranding van fossiele brandstoffen simpelweg onmogelijk zijn. Wereldwijd halen we meer dan tachtig procent van onze energie uit fossiele brandstoffen. Kolen, gas en vooral olie hebben de moderne way of life vorm gegeven. Meer nog dan door internet en televisie zijn de burgers van de wereld in hun lot verbonden door het verborgen stelsel van pijpleidingen, boorputten, elektriciteitskabels en raffinaderijen. De hele infrastructuur van de moderne wereld is op fossiele brandstoffen afgestemd: we drijven er niet alleen onze voertuigen mee aan, maar verwarmen er ook onze huizen mee, wekken er onze stroom mee op en gebruiken oliederivaten als grondstof voor tal van materialen. Olie is zowel het smeermiddel als het bloed dat vloeit door de aders van de moderne koolwaterstofeconomie. De sprong van één miljard aardbewoners in 1825 naar bijna zeven miljard nu was zonder kunstmest, landbouwmachines, vrachtwagens en gekoeld bulktransport ondenkbaar geweest. Deze grote sprong voorwaarts heeft echter een hoge prijs: we hebben onze welvaart gebouwd op een fundering die zichzelf langzaam maar onvermijdelijk uitholt. Alle nieuwe winningstechnieken ten spijt raakt de olie echt een keer op. Op zich is dit weinig nieuws. Aanwezigheid en gebruik van energievoorraden zijn van oudsher de stille kracht achter de geschiedenis geweest. Of het nu ging om voldoende graan voor het leger en de stadsbevolking of olie voor vliegtuigmotoren, de beschikbaarheid van energie heeft vaak beslist over de opkomst en ondergang van samenlevingen. De strijd om energie heeft de geschiedenis mede geschreven, van de val van het Romeinse Rijk tot de komst van de Tweede Wereldoorlog en de genocide in Rwanda. In zijn boek The hydrogen economy definieert Jeremy Rifkin cultuur zelfs als het vermogen om steeds meer energie voor menselijke doeleinden beschikbaar te maken.
Wat wel nieuw is aan onze situatie is de onwaarschijnlijke omvang van ons energiegebruik en de snelheid waarmee dit toeneemt. Hoewel er voorlopig geen acuut gebrek aan fossiele brandstoffen te verwachten valt, zal volgens de imperatieven van de markteconomie ook dit probleem zich in eerste instantie manifesteren als een economisch probleem : lang voordat mensen de laatste druppel olie hebben opgepompt zal de discrepantie tussen vraag en aanbod van energie de wereld in een economische wurggreep houden. De gestaag oplopende energierekeningen zijn slechts de onschuldige voorbodes van wat ons bij ongewijzigd beleid in de nabije toekomst te wachten staat. De hoge olieprijs is de beste indicator voor het naderende einde van het tijdperk van de goedkope olie. Is de wereld klaar voor een olieprijs van 200 dollar per vat?
De snelheid waarmee ontwikkelingslanden zich in de mondiale vaart laten meevoeren, drijft de vraag naar fossiele brandstoffen tot ongekende hoogten op. De cynische, dilemmatische waarheid van een wereld met een levensstandaard zo hoog als de onze is dat juist eerzame, hard werkende mensen deze wereld met steeds rassere schreden naar haar moment van ineenstorting voeren. Als de bevolking van China en India op het welvaartsniveau van West-Europa zou gaan leven, dan is met de huidige delvings- en verwerkingstechnieken minimaal een extra planeet aarde nodig om aan de vraag naar grondstoffen te kunnen voldoen.
Over de voorwaarden die onze levensstijl mogelijk maken zijn we in de geïndustrialiseerde wereld verontrustend slecht ingelicht. Wie heeft een idee van de omvang van de verborgen productiekosten van de artikelen die hij dagelijks consumeert? Van de zes liter olie die een kilo biefstuk kost? Of de 20000 liter drinkwater die voor een T-shirt nodig waren? Of de meer dan duizend materialen in een laptop? Het vigerende moreel-economische paradigma dat straffeloze productiegroei en onverzadigbare consumptieve behoeften vooronderstelt, heeft van westerse landen comfortparadijzen gemaakt die structureel op te grote voet leven. Hoe zijn we eigenlijk in deze energieverslindende levenswijze verzeild geraakt?

Pompen en verzuipen

In zijn boek Eurotaoïsme laat de Duitse filosoof Peter Sloterdijk zien dat mobiliteit het wezen van de moderniteit is en vrijheid de facto neerkomt op bewegingsvrijheid. In de moderniteit handelen mensen ten gevolge van de schok die hen overviel, toen ze erachter kwamen dat ze wezen zijn in het heelal. Door God verlaten en door de moderne kosmologie verbannen naar een onbeduidende zij-arm van het zonnestelsel, heeft de mens zich sinds de Renaissance bevrijd van de middeleeuwse bindingen door het geloof, en zichzélf goddelijke, verlossende trekken toegedicht, vertrouwend op zijn morele rationaliteit, wetenschappelijke inzicht en technische vernuft. De westerse mens heeft als maître et possesseur de la nature God van zijn troon gestoten en beschouwt zichzélf als de intelligente designer van de beschaafde wereld. Als gevolg van deze culturele paradigmawisseling, later Verlichting genoemd, lijden we in het Westen aan de kwaal dat we ons leven pas dan als menswaardig, als zinvol ervaren,