Eeuwige vrede

Kant overleed 200 jaar geleden, maar zijn Zum Ewigen Friede, met een pleidooi voor een volkerenbond, soevereiniteit en kosmopolitisch recht mag zich vanwege de actualiteit in een groeiende belangstelling verheugen.

De 18de eeuwse verlichtingsdenker Immanuel Kant wordt weliswaar gerekend tot de belangrijkste auteurs binnen de filosofie, maar zijn denken over recht en politiek werd tot voor kort niet hoog aangeslagen. Maar er is heel veel veranderd. Zowel in het gespecialiseerde filosofische debat, als in de publieke discussie neemt Kants filosofie van recht en politiek een prominente plaats in, vergelijkbaar wellicht met de positie van Marx in de jaren zestig en zeventig. Dat heeft zeker te maken met het veranderde tijdsgewricht. Sinds het einde van de Koude Oorlog en de val van de Berlijnse Muur bestaat er volgens sommigen – denk aan Fukuyama’s ‘einde van de geschiedenis’ – geen alternatief meer voor de liberale democratie. Indien dat het geval zou zijn, noopt dat tenminste tot een goede bepaling van wat dat betekent. Verder hangt de aandacht voor Kant samen met het grote aantal internationale conflicten van het moment. Kants beroemde pleidooi, onder de titel Zum ewigen Frieden, voor een mondiale vredestoestand gebaseerd op het recht mag zich sindsdien op vernieuwde belangstelling verheugen.

Zum ewigen Frieden verschijnt in 1795. Kant (1724-1804) bevindt zich dan in de nadagen van zijn filosofische carrière, toch is dit geschrift momenteel wellicht zijn bekendste werk. In alle recente discussies over vraagstukken van oorlog en vrede speelt het een belangrijke rol. Denk bijvoorbeeld aan discussies over de stelling dat democratieën van nature vredelievend zouden zijn, of over het vraagstuk van mensenrechten en humanitaire interventie, de betekenis van de internationale rechtsorde en met name die van de Verenigde Naties. Of denk aan de stelling van het ‘Kantiaanse’ Europa tegenover de ‘Hobbesiaanse’ Verenigde Staten, zoals verdedigd door Robert Kagan. En ook in de meer theoretische en wetenschappelijke debatten over vraagstukken van internationale (verdelende) rechtvaardigheid, globalisering en kosmopolitisme is Kant niet weg te denken. Het is dan ook toe te juichen dat uitgeverij Boom dit jaar, waarin wereldwijd de tweehonderdste sterfdag van Kant wordt herdacht, de eerste volledige Nederlandstalige uitgave van dit geschrift op de markt brengt.

Uitvinder

Wanneer Kant op 71-jarige leeftijd Zum ewigen Frieden laat verschijnen, heeft de Franse Revolutie net plaatsgevonden en vinden de eerste schermutselingen plaats van wat later de Napoleontische oorlogen zullen heten. Kant probeert in zijn geschrift zowel aan die gebeurtenissen een betekenis te geven als ook de richting aan te wijzen waarin de oplossing voor deze internationale conflicten gevonden kan worden. De weg die Kant inslaat is tamelijk uniek. Natuurlijk bestaat er een traditie van werken die aan het internationale recht zijn gewijd, men denke aan de beroemde ‘De Iure Belli ac Pacis’ van Hugo de Groot, maar die traditie is toch vooral gericht op het juridisch reguleren en temmen van de oorlog, niet op de afschaffing ervan. Kant daarentegen houdt een pleidooi voor een op het recht gebaseerde mondiale vredesregeling. Daarom wordt Kant door de historicus Michael Howard de ‘uitvinder van de vrede’ genoemd. Dit betekent niet dat Kant er een naïef, optimistisch mensbeeld op na hield. Een van zijn stellingen is juist dat de oorlog zozeer met de menselijke natuur is verbonden dat hij ook zonder een bijzondere reden kan losbarsten. Maar het feit dat de menselijke natuur ‘oorlogszuchtig’ is, maakt de vrede niet onmogelijk. Met Hobbes is Kant dus van mening dat de ‘natuurlijke toestand’ van de mens er een is van oorlog. Kant is het ook eens met Hobbes dat vijandelijkheden tussen mensen voortdurend kunnen uitbreken wanneer er geen rechtsregels zijn en geen soevereine instantie die op de handhaving ervan toeziet. Anders evenwel dan Hobbes meent Kant dat de ‘natuurlijke toestand’ niet beëindigd wordt door het maatschappelijk verdrag waarbij een staat wordt ingesteld of, met Hobbes’ woorden, de Leviathan wordt opgericht. Een politieke gemeenschap, deze individuele Leviathan, zal zich immers op een hoger, interstatelijk, niveau ten opzichte van andere politieke gemeenschappen in eenzelfde ‘natuurlijke toestand’ van potentiële oorlog bevinden. Daarom pleit Kant ervoor dat het maatschappelijk verdrag wordt aangevuld met een soortgelijk verdrag tussen de verschillende staten.

Daarmee is tevens de hoofdstructuur van het essay aangegeven. Kant begint met het een belangrijk, quasi-juridisch gedeelte, waarin hij de voorwaarden beschrijft die nodig zijn voor het bereiken én instandhouden van vrede. Daarbij maakt hij een onderscheid tussen de juridische stappen die de vrede vanuit de natuurlijke oorlogstoestand tussen de staten dichterbij brengen (dat zijn de zogenaamde preliminaire artikelen), en stappen die de toestand van vrede doen stabiliseren (de definitieve artikelen). Met zijn preliminaire artikelen maakt Kant duidelijk dat slechts een begin kan worden gemaakt met het streven naar vrede wanneer het principe van non-interventie onvoorwaardelijk wordt aanvaard. Daarom luidt het vijfde preliminaire artikel: “Geen enkele staat mag zich met geweld mengen in de constitutie en regering van een andere staat”.

Irak

Het is dan ook onbegrijpelijk én onjuist dat de bekende Engelse conservatieve filosoof Scruton meent Kants filosofie van de vrede te kunnen gebruiken voor het legitimeren van de recente aanvalsoorlog tegen Irak. Volgens Kant vloeit immers uit de idee van het maatschappelijk verdrag voort dat een staat als een moreel persoon moet worden beschouwd die over zichzelf dient te beschikken. Ten aanzien van het vraagstuk van humanitaire interventie zou Kant op zijn minst bijzonder terughoudend zijn. Een tweede element waarop Kant in zijn preliminaire artikelen wijst, is de absolute noodzaak tot het respecteren van wat vandaag het humanitaire oorlogsrecht heet. Kant zou niets moeten weten van de tegenwoordig gehanteerde afwijkingen van de Geneefse Conventies, van het introduceren van begrippen als ‘illegal combatants’ of van het negeren van het bij verdrag vastgelegde absolute verbod op marteling.

In de zogenaamde definitieve artikelen vinden we de kern van Kants voorstel. Hij bepleit hier voor alle staten op deze aarde een republikeinse staatsvorm. Deze wordt gekenmerkt door een scheiding van de wetgevende en de uitvoerende macht, door democratische vertegenwoordiging en door respect voor het recht van de mens. Deze staten moeten vervolgens instemmen met een federatieve vereniging om tot blijvende vrede te komen. Een dergelijk vereniging is nodig, omdat geschillen tussen staten zullen blijven bestaan, ook nadat de oorlog als een zogenaamd legitiem middel om die geschillen te beslechten zal zijn afgeschaft. De ‘eeuwige vrede’ maakt geen einde aan wat Kant de ‘onmaatschappelijke maatschappelijkheid’ noemt, maar vraagt om een vredesbond waarbinnen met dergelijke geschillen kan worden omgegaan. Over de precieze juridische structuur van die vredesbond aarzelt Kant tussen een sterk supranationaal orgaan met verregaande ‘soevereine’ rechten of een losse federatie waartoe staten zouden kunnen toetreden, maar waaruit zij zich ook zouden kunnen losmaken.

Kosmopolitisch

Tenslotte bepleit Kant, naast republikanisme en federalisme, ook nog het zogenoemde ‘kosmopolitisch recht’. Daarmee beoogt hij het reguleren van de verhoudingen tussen staten en burgers van een andere nationaliteit. In dat kosmopolitisch recht bepleit Kant wederzijds respect: alle mensen hebben het beperkte recht om het territorium van een ander volk te bezoeken, maar zij hebben niet het recht om zich daar permanent te vestigen zonder instemming van de ontvangende gemeenschap. En buitenlanders moeten dus door staten en gemeenschappen met respect worden behandeld, ondanks het feit dat zij zich buiten de bescherming van hun eigen staat bevinden. Vreemdelingen moeten zelfs permanent worden opgenomen indien ze in hun land van herkomst gevaar lopen. Omgekeerd moeten vreemdelingen de integriteit en levensstijl van andere gemeenschappen respecteren. Buitenlanders moeten de gemeenschappen die ze aandoen met respect bejegenen en mogen zich vreemde territoria niet zomaar toe-eigenen. Dit is een niet mis te verstane kritiek op het Europese kolonialisme en een aanklacht tegen de ‘ongastvrije’ gedragingen van wat Kant de ‘zogenaamde geciviliseerde naties’ van Europa noemt.

Naast dit juridische gedeelte wil Kant in Zum ewigen Frieden ook aannemelijk maken dat zijn voorstel geen loze utopie is maar verwezenlijkt kan worden. Daartoe gaat Kant in op wat ik de setting van de vrede noem: de natuurlijke, geografische gegevenheden en politieke gegevenheden zoals het streven naar macht.

Out-law states

Kants poging om een realistisch vredesvoorstel te formuleren lokte veel reactie uit. Hegel veroordeelde het plan: het zou op onrealistische wijze het feit negeren dat staten altijd op hun raison d’état gericht zouden zijn. Bovendien zou een toestand van permanente vrede niet wenselijk zijn omdat de oorlog een zekere zin een morele betekenis heeft, namelijk de burgers van een staat te verheffen uit de zelfgenoegzame lethargie van het eigenbelang en de staat meer voor hen te laten zijn dan een besloten vennootschap van wederzijds nut. Na de oorlogszuchtige 20ste eeuw en zeker na de val van de Berlijnse muur klinkt een dergelijk beroep op de heilzame werking van een beperkte oorlog ons alleen nog maar cynisch in de oren. Vandaar dat aan het einde van de vorige eeuw filosofen zoals Habermas en Rawls zich juist door Kants voorstel hebben laten inspireren en pogingen hebben ondernomen om Kants ideeën aan te passen aan de huidige omstandigheden. Beiden benadrukken, meer nog dan Kant zelf, de noodzaak van een helder internationaal juridisch begrippenkader en internationale regels die bindend zijn voor staten. Heel in het algemeen bepleit Habermas de overgang van ‘internationaal recht’ naar daadwerkelijk kosmopolitisch wereldrecht. Daartoe zouden de Verenigde Naties moeten worden versterkt, onder andere door de mogelijkheid om sancties op te leggen aan staten die niet aan het internationale recht gehoorzamen, en door de democratische legitimiteit van deze organisatie te vergroten. In zijn The Law of Peoples (1999) stelt Rawls dat hij de leidraad van zijn voorganger uit Königsberg wil volgen en veel van wat Kant schrijft overneemt. Meer dan Kant gaat Rawls in op de vraag hoe om te gaan met staten die het internationale recht aan hun laars lappen. Dus vindt men bij hem beschouwingen over de vraag wanneer de internationale gemeenschap het recht heeft druk, eventueel militaire druk, uit te oefenen op wat hij ‘out-law states’ noemt. Verder gaat Rawls in op het vraagstuk van armoede en economische ongelijkheid op mondiale schaal. Weliswaar wijst hij radicale voorstellen voor een mondiale herverdeling van welvaart af, maar hij bepleit wél – impliciet in aansluiting op een ‘socialistische’ interpretatie van Kant van voor de Tweede Wereldoorlog – het opnemen in ‘het recht van de volkeren’ van de juridische plicht voor welvarende volken om samenlevingen die gebukt gaan onder slechte economische omstandigheden behulpzaam te zijn. Een dergelijke plicht gaat veel verder dan de huidige ‘ontwikkelingshulp’, die een vorm is van welwillendheid of charitas.

Aldus blijkt Kants tekst te getuigen van een grote vitaliteit. Door zijn unieke combinatie van morele argumentatie, ironie, verontwaardiging en gematigd optimisme vormt hij een bron van inspiratie voor het hedendaagse denken over internationale rechtvaardigheid.

Literatuur

- I. Kant, Naar de eeuwige vrede, vertaling Thomas Mertens, Edwin van Elden; Boom, Amsterdam 2004.

Hoogleraar rechtsfilosofie in Nijmegen. Oud-lid van de Raad van Advies van Bureau de Helling.
Alle artikelen