EU-verbod op ‘gemakslandbouwgif’: te weinig, te laat

Hoe lobby en framing neonicotinoïden buiten beeld hielden

The Bee Barn, Lyons, Nebraska. Muurschildering van Matthew Willey. (c) The Good of the Hive, 2016

Neonicotinoïden zijn de meest giftige én de meest populaire insecticiden ter wereld. De grootschalige nevenschade van ‘neonics’ aan ons ecosysteem is echter jarenlang weggemoffeld door onder meer een verkeerde framing van dit landbouwgif en een intensieve lobby van producenten. Het recente EU-verbod op neonics is een belangrijke stap maar is nog niet voldoende om het tij te keren, betoogt Jeroen van der Sluijs, universitair hoofddocent nieuwe risico's in Utrecht en hoogleraar risicocontroversen in Bergen: “Landbouwgif is een gemaksmiddel geworden.”

In haar boek Stille Lente schetste de Amerikaanse biologe Rachel Carson ruim een halve eeuw geleden met profetische precisie het nachtmerriescenario van systemisch landbouwgif. De technologie van het meest gebruikte insectengif ter wereld, de neonicotinoïden, lag toen nog op de tekentafel. In haar boek waarschuwde ze ons dat deze technologie een wereld zou voortbrengen waarin bossen giftig zijn geworden voor insecten, omdat het plantensap vergiftigd is. Waarin een vlo die een hond bijt, dood zal neervallen doordat het bloed van de hond is vergiftigd. Waarin bijen nectar van vergiftigde bloemen naar de bijenkast brengen en daarmee giftige honing produceren.

Rachel Carsons nachtmerrie is inmiddels werkelijkheid geworden. Een recente grootschalige studie vond in driekwart van alle honing wereldwijd neonicotinoïden terug. Dit landbouwgif bevindt zich overal: in de bodem, in ons oppervlaktewater, in het grondwater, in gezuiverd rioolwater, en zelfs in wilde bloemen en bomen. Als u een huisdier heeft, is de kans groot dat het bloed van uw kat of hond giftig is voor vlooien dankzij vlooiendruppels.

Ondertussen stapelt het wetenschappelijk bewijs zich op dat de gehele insectenwereld op instorten staat. In nog geen dertig jaar is drie kwart van de insecten verdwenen. De Britse bioloog Dave Goulson spreekt van een ‘insectenarmageddon’. Vogelonderzoekers luiden inmiddels de noodklok omdat de insectenetende vogels nu ook op instorten staan. Langzaam maar gestaag begint deze stille en sluipende ramp ook in het politieke debat door te dringen. Maar wat is er nu precies aan de hand en wat kan de politiek hieraan doen?

Dreigende bestuivingscrisis

De terugloop van insecten werd voor het eerst duidelijk en zichtbaar via de snelle wereldwijde terugloop van de zogenaamde bestuivende insecten, zoals de bij. Zonder bestuiving is geen vruchtzetting of zaadvorming mogelijk. Naar schatting 94 procent van alle bloeiende planten op aarde is voor voortplanting en evolutie afhankelijk van dierlijke bestuiving.

Het belang van bestuivende insecten
Bestuiving wordt aan het plantenrijk en de landbouw geleverd door onder meer de naar schatting 25.000 bijensoorten die op aarde voorkomen. Andere bestuivers zijn vlinders, zweefvliegen, motten en kevers. Ook de landbouw is aangewezen op bestuivers, met de door mensen gehouden honingbij en de gedomesticeerde hommel als bekendste. Samen zijn deze goed voor iets minder dan de helft van alle dierlijke bestuiving in de landbouw. Het resterende en grootste deel wordt door wilde bestuivers verzorgd. Met alleen de honingbij is de huidige landbouw niet mogelijk. Wereldwijd zijn circa 90 belangrijke landbouwgewassen afhankelijk van bestuivende insecten. Samen zijn die goed voor ongeveer een derde deel van de totale wereldvoedselproductie: van fruit en groenten tot oliegewassen zoals zonnebloemen, noten en sojabonen. Ook specerijen en kruiden, koffie en chocola, veevoergewassen (onder meer alfalfa) en vezelgewassen (katoen, vlas, hennep), biobrandstofgewassen (koolzaad), hout (eucalyptus), sierplanten en tal van geneeskrachtige planten (denk aan kinine) zijn afhankelijk van bestuivende insecten.

De terugloop van bestuivende en andere insecten kent een aantal elkaar versterkende oorzaken die allemaal te maken hebben met de moderne landbouw. Door schaalvergroting, monocultuur en moderne landbouwpraktijken zijn wilde bloemen grotendeels uit het agrarisch landschap verdwenen. Doordat er nergens meer ‘rommelhoekjes’ of ongebruikte stukjes land zijn, is er geen geschikte nestgelegenheid meer voor tal van wilde bijen. Tussen het koren vind je zelden nog korenbloemen. Ook tal van onschadelijke akkeronkruiden, zoals perzikkruid tussen aardappels, zijn verdwenen door routinematige onkruidbestrijding met onder meer de onkruidverdelger Roundup. Door aanhoudend hoge ammoniakuitstoot en kunstmestgebruik komt steeds meer zogenaamd ‘actief stikstof’ via de lucht en de regen in de bodem van natuurgebieden terecht. Deze wordt daardoor zo stikstofrijk dat tal van wilde bloemen die alleen op schrale grond gedijen, verdwenen zijn en plaatsmaken voor nog slechts enkele plantensoorten zoals brandnetels die wel goed groeien op stikstofrijke grond. Door het grootschalig gebruik van landbouwgif krijgen insecten het hele jaar rond een cocktail van gifstoffen binnen. In een bijenkast vind je al snel residuen van meer dan honderd verschillende chemicaliën die in de landbouw worden toegepast om onder meer schimmels (fungiciden), onkruiden (herbiciden) en insecten (insecticiden) veelal preventief uit te roeien. De meest zorgwekkende factor zijn de systemische pesticiden en daarbinnen de neonicotinoïden. Naar in de afgelopen vijftien jaar steeds duidelijker is geworden, gaat het gebruik daarvan gepaard met een ongekende nevenschade voor het insectenrijk, en daarmee ook voor insecteneters zoals vogels.

Gemakslandbouwgif

Begin jaren negentig deed een nieuwe generatie insecticiden zijn intrede in de landbouw: de zogenaamde neonicotinoïden, afgekort neonics. Waar de oude insecticiden alleen de buitenkant van het gewas giftig maken, werken neonics systemisch: ze worden vaak als coating preventief aangebracht op zaden. Tijdens de groei wordt de werkzame stof uit de zaadcoating opgenomen in de sapstroom van de plant. De plant wordt daardoor van binnen uit langdurig giftig voor insecten. Ook de nectar en het stuifmeel bevatten sporen van het zenuwgif. Bijen krijgen het binnen via het eten van stuifmeel en nectar.

“Neonics worden op tal van gewassen routinematig preventief toegepast, zonder dat er al sprake is van een plaag die bestreden zou moeten worden.”

 

Neonics worden op tal van gewassen routinematig preventief toegepast, zonder dat er al sprake is van een plaag die bestreden zou moeten worden. Het meeste gebruik is volstrekt onnodig: als het gewas niet behandeld was, zou er in de meeste gevallen geen insectenplaag zijn gekomen die de omvang van de oogst daadwerkelijk kan beïnvloeden en daarom bestrijding behoeft. Het is in feite een gemakslandbouwgif. Veel toepassingen zijn bovendien louter esthetisch en tasten de andere kwaliteiten van het gewas niet aan, zoals het voorkomen van gele plekjes in golfbaangras door emelten (larven van de langpootmug) te doden met neonics; of het voorkomen van vlekjes op rijstkorrels of op de bladeren van snijbloemen door preventief insecten te doden die plantenvirussen zouden kunnen overbrengen. Het voorkomen van een mislukte oogst is vaak niet eens het hoofddoel.

Neonicotinoïden zijn wereldwijd toegelaten in ruim 120 landen en zijn in zeer korte tijd uitgegroeid tot de meest gebruikte insecticiden wereldwijd: ze maken ongeveer 40 procent uit van de wereldwijde insecticidenmarkt. In Europa zijn vijf neonics in gebruik: imidacloprid, clothianidine, thiamethoxam, thiacloprid en acetemiprid. Deze werkzame stoffen zitten in duizenden professionele en particuliere gewasbeschermingsmiddelen, in biociden (dat zijn middelen om insecten te doden in bijvoorbeeld stallen, bedrijfskeukens, vrachtwagens en containers) en in diergeneesmiddelen (zoals vlooiendruppels).

Slechts een heel klein deel van het toegepaste gif wordt door de plant opgenomen om deze tegen insecten te beschermen, ook bij zaadcoating. Meer dan 80 procent komt in de bodem en het water terecht. Neonics breken moeilijk af en blijven lang aanwezig in het milieu. In de bodem zijn ze zeer schadelijk voor het bodemleven, denk aan regenwormen. Sinds 2004 staat imidacloprid consequent zeer hoog in de lijst van de meest normoverschrijdende stoffen in Nederlands oppervlaktewater. Aangetoond is dat waargenomen insectenaantallen in en om het water tot meer dan 70 procent afnemen met oplopende imidaclopridconcentraties in oppervlaktewater. Het gaat daarbij om alle insecten die in het water leven, inclusief een groot deel van de vliegende insecten die immers hun levenscyclus als larf in het water beginnen: juffers, libellen, dansmuggen, eendagsvliegen, zweefvliegen en tal van kevers.

Neonics zijn voor bijen ruim 7000 keer giftiger dan DDT, een van de eerste chemische insecticiden. Langdurige blootstelling aan zeer lage doses is op termijn dodelijk voor insecten, doordat de blootstellingsduur de giftigheid versterkt. In lage dosis verstoort het gif navigatie en vlieggedrag, waardoor de bijen verdwalen. Dit verzwakt de hele kolonie, waardoor andere doodsoorzaken (varroamijt, infecties) meer kans krijgen. De geldende toelatingstests zijn sterk verouderd en nemen deze nieuwe eigenschappen van systemische insecticiden onvoldoende mee.

Dwaalsporen en framing

Toen de bijwerkingen van neonics voor bijen in de jaren negentig bekend werden, zijn de producenten in navolging van de tabaksindustrie met succes de toelatingskaders met zware lobby naar hun hand gaan zetten om hun lucratieve wondermiddel op de markt te houden. Ook lieten zij systematisch allerlei andere oorzaken van de bijensterfte onderzoeken; de zogenaamde ‘rode haringen’ om mensen op een dwaalspoor te brengen. Zo is een groot deel van het onderzoek naar bijengezondheid en vooral de varroamijt, een parasiet die ziektes overbrengt bij de honingbij, door de producenten van neonics gefinancierd, vooral door Bayer Cropscience en Syngenta. Het gevolg is dat een zoektocht naar wetenschappelijke literatuur over bijensterfte veel gegevens oplevert over varroa en een reeks van honingbijziekten, en veel minder over de rol die insecticiden spelen. Het lijkt dan alsof varroa de belangrijkste oorzaak is. Maar bijenvolken die zijn blootgesteld aan neonics blijken aanmerkelijk vatbaarder te zijn voor varroainfecties. Wat de imker ziet is het terminale symptoom, de varroainfectie, en niet de onderliggende oorzaak waardoor het volk verzwakt is geraakt. Een gezond en sterk honingbijenvolk kan zonder in te storten samenleven met deze parasiet.

“Producenten van neonics hebben met zware lobby de toelatingskaders naar hun hand gezet om hun lucratieve wondermiddel op de markt te houden.”

 

De wijze waarop de industrielobby de focus van het onderzoek en van het debat stuurt, speelt nog subtieler op het diepere niveau van de zogenaamde framing van het vraagstuk. De nu dominante focus op alleen de honingbij en haar mijt is namelijk een fundamenteel verkeerde framing van het vraagstuk, waardoor de ware schade van neonics lange tijd effectief en doelmatig buiten het gezichtsveld is gebleven. Deze frames zitten heel diep en hebben het debat lange tijd bepaald.

De varroamijt komt alleen voor bij de door mensen gehouden honingbij. De honingbij is geen wild dier en kan zich zonder imker vrijwel niet in Nederland handhaven. Vergelijk het hiermee: zoals de legkip geen goede maat is voor de gesteldheid van de boerenlandvogels, zo is de honingbij geen goede maat voor de bijenstand. In Nederland leven 358 verschillende bijensoorten, zoals heidehommels, metselbijen en zandbijen. Bij slechts één van die 358 soorten, de honingbij, komt de varroamijt voor, terwijl het met vrijwel alle bijensoorten en tal van andere insecten bergafwaarts gaat. Omgerekend speelt de varroamijt dus slechts bij 0,3 procent van alle in Nederland voorkomend bijensoorten een mogelijke rol bij de sterfte, en dan nog eerder als terminaal symptoom dan als oorzaak. Bij de overige 99,7 procent van die soorten komt varroa niet voor. Die soorten zijn namelijk niet de gastheer van die parasiet. Ondertussen staan 181 van die soorten op de rode lijst. Ze worden bedreigd met uitsterven, of zijn al verdwenen. Toch blijft het sprookje van de spindokters van de industrie dat de varroamijt de oorzaak zou zijn van de bijensterfte eindeloos rondzingen in de echokamers van het maatschappelijke en wetenschappelijke debat. En zo steekt het ministerie al jaren lang vrijwel al het onderzoeksgeld in honingbijengezondheid - en dan vooral de varroamijt, een symptoom.

EU-verbod: te weinig, te laat

Nadat de Europese voedselwaakhond EFSA desgevraagd had onderzocht en geconcludeerd dat alle normaal gebruik van de drie meest problematische neonics onaanvaardbare nevenschade berokkent aan bijen, besloot de Europese Unie in april van dit jaar het gebruik ervan te verbieden in alle buitenteelt van gewassen. Het verbod geldt echter voor slechts drie van de vijf in gebruik zijnde neonicotinoïden: clothianidine, imidacloprid en thiamethoxam. In 2013 al werd het gebruik van deze drie neonics verboden in de buitenteelt van bloeiende gewassen. In de praktijk zagen we dat telers massaal overschakelden op een ander neonicotinoïde, namelijk thiacloprid. Iets minder acuut dodelijk, maar het zorgt er bijvoorbeeld nog steeds voor dat bijen hun navigatievermogen verliezen. Van de regen in de drup.

Met het verbod is ook de vervuiling van ons leefmilieu met de drie verboden neonics nog niet gestopt. In de glastuinbouw blijven ze grootschalig toegestaan. Gelukkig moeten kassen nu een waterzuiveringsinstallatie hebben, waardoor verreweg de meeste pesticiden eruit gefilterd worden voordat het spuiwater geloosd wordt in de sloten. Maar als door extreme regenval de kas overstroomt – wat met name in West-Nederland waar veel kassen staan, steeds vaker gebeurt –wordt dat wateroverschot rechtstreeks uit de kas in het oppervlaktewater gepompt, met gif en al. Ook zijn kassen niet hermetisch af te sluiten. Bestuivende insecten vliegen gewoon naar binnen. Bovendien moeten veel gewassen in kassen ook worden bestoven. De redenering achter de uitzondering voor kassen is in dat licht onbegrijpelijk.

Met name imidacloprid wordt op grote schaal ook buiten de teelt van gewassen gebruikt. Die zogenaamde biocide-toepassingen vallen ook buiten het verbod. Toch komt het langs die weg net zo hard in het leefmilieu terecht. In koeien-, varkens- en kippenstallen wordt routinematig tot vijf keer per jaar imidacloprid (bayt spray) op de muren en vloeren gespoten om vliegen te verdelgen. Dat komt uiteindelijk terecht in de gierkelder. De mest, van oudsher de bakermat van de rijkdom aan vliegende insecten op het boerenland (en daarmee van tal van boerenlandvogels zoals zwaluwen), wordt met gifrest en al over het boerenland uitgereden. Onbegrijpelijk dat deze toepassing nog steeds niet ter discussie staat.

Wat moet er veranderen in de landbouw?

We zitten al zestig jaar in een mallemolen van pesticiden, waarbij opeenvolgende generaties op de markt worden gebracht en zo’n twintig jaar later weer verboden worden wanneer blijkt dat ze schadelijk zijn voor het milieu. Elke keer worden ze vervangen door iets nieuws, en elke nieuwe groep chemische stoffen brengt nieuwe, onverwachte en ernstige nevenschade. Om het tij te keren, moet het roer dan ook helemaal om. We moeten inzetten op een overgang naar het agro-ecologische model van landbouw bedrijven, waarbij we met de natuur meegaan in plaats van tegen de natuur in. Het gebruik van landbouwgif moet tot een minimum worden teruggedrongen. Het toelatingsbeleid voor landbouwgif moet onafhankelijk en transparant worden. Preventief middelengebruik, zoals het coaten van zaden, kan ook binnen de huidige chemische landbouw nu al stoppen als de politieke wil er is. De alternatieven zijn er al, zoals biologische bestrijding, wisselbouw, permacultuur, geïntegreerde gewasbescherming of een collectieve verzekering voor meer zekerheid over de economische opbrengst voor individuele akkerbouwers. Preventief gebruik van landbouwgif, zoals zaadcoating, is een prachtig business model voor de industrie omdat het leidt tot grootschalig onnodig middelengebruik. Zo is gif een gemaksmiddel geworden in plaats van het laatste redmiddel op het moment dat er daadwerkelijk een plaag opkomt. In feite is juist dat preventief gebruik nu zelf de echte plaag geworden, een plaag voor ons ecosysteem dat eronder aan het bezwijken is.

Dit artikel staat in het zomernummer van tijdschrift de Helling. Klik hier om je te abonneren.

Universitair hoofddocent nieuwe risico's aan de Universiteit Utrecht en hoogleraar aan de Universiteit van Bergen.
Alle artikelen