"Europese boer heeft grote toekomst"

Interview met Europarlementariër Thijs Berman

Hoe kan het dat in het welvarende Europa arme landarbeiders in regelrechte sloppen wonen? Heeft dat iets te maken met het landbouwbeleid van de Europese Unie? En zo ja, wat kan de EU daar dan aan doen? Die vragen legde ik voor aan Thijs Berman, lid van het Europese Parlement voor de PvdA. Het werd een gesprek over de toekomst van landbouw in Europa. 

Berman is niet verbaasd als ik hem vertel over de situatie van migranten in het Spaanse Almeria. Hij volgt de ontwikkelingen in de land- en tuinbouw sinds enkele jaren op de voet en kent de oorzaak van de sociale misstanden: de boer is aangewezen op goedkope arbeid om te kunnen overleven. Om mijn vraag naar het aandeel van het Europese landbouwbeleid in deze situatie te kunnen beantwoorden, gaat hij terug naar het begin van de Europese Unie: 

“Vanaf het begin van de Europese landbouwpolitiek is er gekozen voor de ondersteuning van  graan, zuivel- en vleesproductie. Wanneer de prijzen zakten werd er gesubsidieerd, werden overschotten opgekocht, enzovoort. Bijna de helft van de 100 miljard euro begroting van de EU gaat naar de landbouw. Daarvan gaat dan tien à vijftien miljard naar zuivel en vlees, dus naar de productie van vet en proteïne. Daardoor zijn zuivel en vlees relatief goedkoop in Europa – vet is dus goedkoop – terwijl wat gezond is, groente en fruit, relatief duur is. Voor een arm gezin in Europa is het dus gemakkelijker zich met vet te voeden dan met groente en fruit. De logica in de landbouw heeft niets te maken met het belang van gezond voedsel, het belang van de boer of het belang van een mooi landschap. Het is een pure financiële benadering.

Omdat de groente- en fruitproductie niet wordt gesubsidieerd, heeft hier de markt vrij spel en is er wereldwijd een moordende concurrentie. Het gevolg is dat de ruwe producten zoals paprika's en tomaten bijna niets meer waard zijn. De distributieketens van de supermarkten knijpen de producenten uit en strijken zelf de marges op, waarmee ze weer nieuwe ketens opkopen. De producent moet zijn kosten zo laag mogelijk houden om te overleven. Dat heeft dus alles te maken dus met de structuur van de landbouwsubsidies in Europa. Sociaal gezien is dit een drama, zowel voor de arbeidsmigranten als voor de boeren. Die zitten gevangen in een systeem waar ze onmiddellijk uit zouden breken als je ze de kans gaf.”

Welke invloed heeft het liberaliseren van de Europese markt gehad op het ontstaan van situaties zoals in het Spaanse Almeria?
Als je het houdt op Spanje, moet je constateren dat de Spaanse boerenstand er enorm op vooruit is gegaan. Dankzij de toetreding tot de Europese Unie werd het hele Europese achterland hun afzetmarkt. Toen is de hele gang in de tuinbouw gekomen, want de Spaanse tomaten en abrikozen zijn eerder rijp dan die van Frankrijk en Duitsland. Daardoor kunnen de Spaanse boeren eerder de markt op en dat is voor hen een gigantisch voordeel geweest. Tegelijkertijd kregen ze toegang tot de Europese subsidies, waar ze ook ongelofelijk veel voordeel van hebben gehad. De infrastructuur van het Spaanse platteland is er dankzij de structuurfondsen en de landbouwsubsidies enorm op vooruitgegaan.”

Economisch gezien is het dus een succesverhaal. Maar wat betreft milieu en sociale condities is dat niet het geval. Dus dat succes heeft wel een prijs.
“Ja, het heeft een prijs. En niemand pakt dat aan. Het punt is dat de controle van de werkvloer altijd een nationale aangelegenheid is. Er bestaat geen Europese arbeidsinspectie. Als de Spaanse overheid besluit dat het Spanje tot voordeel strekt om duizenden illegalen aan het werk te houden, dan doet Spanje dat. Maar het mag niet. En het is voor iedereen slecht. Bij meer controle zouden de Spaanse producenten gedwongen worden efficiënter te produceren, te innoveren, te zoeken naar de meerwaarde. Uiteindelijk zou het van groot voordeel zijn voor de hele Spaanse economie. Maar omdat ze van die goedkope arbeidskrachten hebben, worden ze geremd in hun economische ontwikkeling.”

Dat begrijp ik niet. Zonder die goedkope arbeid worden die paprika’s duurder en kunnen de boeren ze niet meer kwijt, toch? Dat is dan toch slecht voor je concurrentiepositie?
“En daarom moet je die paprika's en tomaten transformeren in een product dat wel iets oplevert, zoals soep, saus of diepvriespizza’s. Met een paprika verdien je niets, maar met een paprikasaus verdien je tien keer meer. Daar zit namelijk vet in en zout en dergelijke. Dat is goedkoop, maar je kunt het duurder verkopen. Spanje zou dus zijn infrastructuur moeten optimaliseren en de producten transformeren. Nederland doet niet anders dan dat. Wij zijn een kleine producent, maar we transformeren als bezetenen en zijn de tweede landbouwexporteur in de wereld, na de Verenigde Staten. De grondstoffen komen deels van elders, deels van eigen grond.

De Spanjaarden lopen dus in zekere zin achter met hun economische industriële ontwikkeling op het gebied van de voedselproductie. Door meer arbeidsinspectie los te laten op de arbeidsvloer, zou je de producenten ertoe aanzetten zich te bundelen, een betere infrastructuur te maken en efficiënter te werken zoals de Nederlanders doen. De sector verdient dan meer en je creëert ook betere arbeidsomstandigheden.

Vanuit Brussel kun je dus weinig doen als het gaat om arbeidsinspectie. Maar hoe zit dat met wetgeving?
“Dan gaat het vooral over de migratie- en asielpolitiek. Maar het grijpt natuurlijk wel op elkaar in. Op het moment dat je zou beginnen met een Europese greencard, die dan bluecard zou gaan heten, en een bewuste migratiepolitiek zou gaan voeren, dan kun je denk ik wel invloed uitoefenen. Maar ook dat staat of valt met inspectiewerk.”

Er bestaat een grote kloof tussen het politieke verhaal dat men houdt over het tegengaan van het ontstaan van een onderklasse (die er natuurlijk al is) en de (economische) werkelijkheid.
“Ja, dat lijkt een beetje op de hypocrisie van bijvoorbeeld Frankrijk op het gebied van drugs. Aan de ene kant eindeloos veroordelen, aan de andere kant ook eindeloos toestaan, omdat de voorsteden in Frankrijk uit elkaar zouden ploffen als je de drugseconomie de nek om zou draaien. En datzelfde geldt voor landbouw, groente en fruit. Op het moment dat je niets doet aan de overmacht van de supermarkten en wel die illegale arbeid onmogelijk zou maken, dan zouden een heleboel boeren omvallen. En dat is dus het probleem.”

Moet je dan niet beginnen om de monopolies van die supermarktketens aan te pakken?
“Europa heeft pas iets te zeggen over concurrentieverhoudingen wanneer een bedrijf meer dan tweederde van zijn omzet buiten zijn moederland haalt. Dan heb je het over bedrijven als  Philips of Microsoft. Zo groot zijn de Aholds en de Leclercs niet. Maar in het  binnenland zijn ze in hun sector almachtig. Die zijn dus verschrikkelijk moeilijk aan te pakken. De boeren hebben geen keus. De supermarkt  kan zijn sla uit Polen halen of uit Nederland. En de boer moet het wel kwijt. Dat is echt knetterhard.

Ik zou echt willen zoeken naar oplossingen om die boeren een redelijke marge te geven. We hebben het nu over groente en fruit. Ik ken meer voorbeelden uit de vleesproductie, omdat ik rapporteur dierenwelzijn ben geweest. Een boer verdient drie cent per kip aan reëel inkomen, terwijl hij voor zeven of acht euro in de winkel ligt. Dat zijn harde gegevens. Een boer kan daar enkel aan ontsnappen door hogere kwaliteit te produceren, zoals scharrelkippen en dergelijke.”

Bij het zoeken naar alternatieven heb je twee extremen. De ene kant zegt: het moet kleinschalig, sla die supermarktketens over, verkoop direct aan de klant en regionaliseer de landbouw. De andere kant zegt: Europa moet de landbouwproductie minimaliseren.
“Beide oplossingen zijn van een radicaliteit die ik onzin vind. Volstrekt absurd. Regionale productie is een marginale oplossing voor een marginale groep boeren en een marginale groep klanten. Want Nederlanders nemen geen genoegen met regionale producten; ze willen toch echt sinaasappels eten. Bovendien willen we onze slakropjes wel exporteren. Regionale productie klinkt heel mooi, maar ik zou de Afrikanen ook wel de kans willen geven om naar ons te exporteren in plaats van te zeggen: jullie mogen alleen voor je eigen markt produceren want dan bescherm je jezelf beter. Ik ben voor asymmetrische liberalisering, dat wil zeggen: arme landen krijgen wel de kans naar ons te exporteren, maar hebben het recht om hun eigen markt tegen onze efficiëntere en dus veel goedkopere producten te beschermen.

Regionale productie klinkt erg romantisch, maar er zouden veel mensen onder lijden.”

En de optie van het rigoureus terugbrengen van de landbouw in Europa?
“Die vind ik ronduit misdadig. De wereldbevolking kan de Europese landbouwgronden niet missen. Door de klimaatverandering zal er over veertig jaar minder landbouwareaal zijn, met name in de warmste gebieden van de aarde. Zelfs in Spanje zie je al verwoestijning. De landbouw in de gematigde klimaatzones zal daardoor steeds belangrijker worden. De vraag naar voeding stijgt twee à drie procent per jaar door toename van de wereldbevolking en de welvaart. Daarnaast heb je nog de druk om vervangers te vinden voor oliederivaten als brandstof, plastic, isolatiemateriaal, enzovoort. Daarvoor worden ook nu al steeds vaker planten gebruikt.

Dat betekent dat de landbouw in Europa belangrijker wordt dan het ooit is geweest. Ik ben er dan ook van overtuigd dat de Europese boer een grote toekomst heeft, want het betekent dat zijn prijzen zullen stijgen. Hij moet natuurlijk wel strijd voeren om ervoor te zorgen dat die prijzen ook in zijn zak komen en niet in de zak van bijvoorbeeld de grondbezitter of de leverancier van landbouwmachines. Bovendien: een sector waaraan zo'n tien à vijftien procent van de beroepsbevolking zijn inkomen dankt, die hef je echt niet zomaar op. Die is economisch veel te sterk en technologisch ook heel knap. Die laat zich niet zomaar afschaffen. Dat denken Amsterdammers die nooit op het platteland komen en de open ruimte niet verdragen.”

Wordt voedsel straks duurder als gevolg van de schaarsere landbouwgrond?
“Een beetje duurder, maar niet veel. Want als je kijkt naar de prijs die de boer krijgt en die de consument betaalt: de tomaat gaat zeven keer over de kop. Dus maak die tomaat voor de prijs die de boer ontvangt tien procent duurder, dan wordt die tomaat niet tien procent duurder. Die wordt twee procent duurder. In een brood is misschien drie procent van de prijs graan. Maakt de producent dat graan tien procent duurder, dan is dat dus tien procent van drie procent. Dat merk je nauwelijks.”

Wat gebeurt er met de voedselproductie in arme landen wanneer de druk om biobrandstoffen voor de rijke landen te verbouwen toeneemt? Er is al gewezen op het gevaar dat de voedselproductie voor de eigen bevolking onder druk komt te staan, omdat een land de inkomsten uit export niet kan missen. Je krijgt dan de cynische situatie dat de auto's van de rijken rijden op kosten van het voedsel van de armen.
“Ik geloof niet zo in dat verhaal. In Brazilië kan het wel eens kloppen dat er op grote schaal wouden worden gekapt waar suikerriet zal worden verbouwd en dat lokale bevolkingen hiermee in verband worden uitgebuit. Dat is ecologisch en sociaal een ramp. Maar de prijs van mais steeg in Mexico vooral door misoogsten elders in de wereld. En bio-energie hoeft geen ramp te worden voor arme landen, integendeel.

Er wordt nu geëxperimenteerd met een plant als Iatropha. Die staat veertig à vijftig jaar, levert een enorme hoeveelheid olie op waar je heel goed auto's op kunt laten rijden. Iatropha groeit op zeer droge grond die niet geschikt is voor voedingsproductie. De blaadjes en de afval van de plant bemesten echter de grond tussen de rijen planten en maakt deze geschikt voor voedingsproductie. Iatropha moet met de hand worden geoogst en dat levert dus arbeidsplaatsen op en duurzame productie. Terwijl palmolie een drama is, is een plant als Iatropha veelbelovend. In India wordt Iatropha nu op zeer grote schaal verbouwd. Daarbij worden weer mensen van hun land afgejaagd en dat is allemaal niet netjes. Maar het is natuurlijk wel handig om het grootschalig te doen. India hoeft dan geen olie meer te kopen in het Midden-Oosten en dat scheelt een hoop deviezen. Uit naam waarvan zou je zoiets willen verbieden? Een aantal NGO's pleit voor een algeheel moratorium op de productie van bio-energie in de derde wereld. Ik vind dat je per land en per plant moet kijken en sociale condities en handelsvoorwaarden moet eisen. Je kunt die landen niet verbieden zich te ontwikkelen, maar je kunt wel proberen om ontwikkeling en duurzaamheid samen te laten gaan. Het is ondenkbaar dat je je als politicus aan die poging zou onttrekken.”

Welke rol zou de Europese Unie moeten spelen als het om landbouw gaat?
“Wanneer Europa in brede zin grip wil krijgen op de landbouw, dan moet allereerst het Europese Parlement medezeggenschap krijgen. Ik was alleen al voor de zogenaamde Europese grondwet omdat dit daarin werd geregeld. En het is nodig, want alleen dan zullen andere dan de huidige argumenten een rol gaan spelen bij het bepalen van het landbouwbeleid. Nu maken de landbouwministers de dienst uit. Dat zijn vaak boeren, kinderen van boeren, ex-boeren en landbouwwetenschappers. Kortom: mensen die luisteren naar één categorie en de korte termijnbelangen van een beroepsgroep verdedigen. En dan ook nog eens van de grootste boeren, want die hebben de macht in de boerenbonden. Ik zit in de landbouwcommissie vaak zeer teleurgesteld te kijken naar de manier waarop de voorstellen van de PvdA en anderen stelselmatig in de prullenbak verdwijnen. Vanuit het Parlement kunnen we alleen adviseren. We kunnen alleen maar zeggen: wij willen het eigenlijk anders. En dan zeggen de ministers: goed, dat hebben we dan gehoord, maar we doen het zo. 

Als dat niet verandert komt er nooit een bewuste Europese politiek voor gezond voedsel, duurzaamheid en rechtvaardige mondiale verhoudingen.

Daartoe moet in elk geval het subsidiebeleid op de schop. Omdat de boeren in de toekomst door de druk op de landbouwgronden een beter inkomen zullen verwerven, verwacht ik dat die subsidies helemaal niet meer nodig zullen zijn. Maar wil je ze dan toch voor een klein deel handhaven, verschuif de subsidies dan in elk gemen zullen verwerven, verwacht ik dat die subsidies helemaal niet meer nodig zullen zijn. Maar wil je ze dan toch voor een klein deel handhaven, verschuif de subsidies dan in elk geval van vetproductie naar groente en fruit, en naar milieudiensten, landschapsonderhoud.

De huidige subsidies zijn inefficiënt en onrechtvaardig, omdat de grootste boeren het meeste krijgen. Eén procent van de Franse boeren krijgt nota bene veertig procent van de Franse subsidies! En is het echt nodig dat iemand als Prins Charles 700.000 euro subsidie opstrijkt  als grootgrondbezitter? Stel dan op zijn minst een maximum vast. En waarom krijg ik ook alle subsidie van de buurman wanneer ik zijn bedrijf overneem, terwijl ik minder kosten heb, want die machines e.d. had ik allemaal al. Hierdoor ontstaat een inkomensvoordeel door schaalvergroting. Daar is op zich ook niets tegen, maar honderd procent van de subsidies is echt overdreven.”

Als het geld niet meer opgaat aan subsidies, waar zou het dan aan besteed moeten worden? Of met andere woorden: wat is de taak van Europa op het gebied van landbouw en voedselproductie?
“Het is maar de vraag of al dat geld naar landbouw moet gaan – je kunt nauwelijks nog verdedigen dat landbouw zo exorbitant veel meer geld krijgt dan andere beleidsterreinen. Maar goed, je vraagt naar mijn visie op de Europese landbouw. Dankzij de vraag naar nieuwe productie en nieuwe energie zal die in elk geval blijven bestaan, daar hoeft de Europese Unie dus geen geld in te pompen wat mij betreft.

Je moet je echt de fundamentele vraag stellen: waarom moet landbouwbeleid Europees zijn? Waarom kan dat niet nationaal zijn? Mijn antwoord is dat landbouwbeleid Europees moet zijn omdat de landbouwproductie geen elastische markt is. Als je tien procent meer paprika's produceert worden er niet meteen tien procent meer paprika's gegeten. Wat wel gebeurt is dat de prijs instort. Boeren blijven kwetsbaar, dus zul je iets moeten doen aan gezamenlijke strategie, al kunnen boeren zelf ook een deel van het risico opvangen middels verzekeringen en eigen fondsen. Een ander gebied waarop het belang van een Europees beleid duidelijk is, is dierenwelzijn. De Nederlandse boer gaat eraan als je nationaal een hele stringente dierenwelzijnnorm oplegt, zoals de dierenpartij graag wil. Dat moet je echt op Europees niveau besluiten. Het merkwaardige is dat de Europese commissie en het Europese Parlement dat wel willen, maar dat coalities van lidstaten het tegenhouden, denk aan Frankrijk, Hongarije en Polen. Marianne Thieme zegt dat Europa slecht voor dieren is. Maar het zijn de lidstaten die tegenhouden dat Europa goed voor dieren is. Precies andersom dus. Als je voor dierenwelzijn bent zou je dus een hyper-Europeaan moeten zijn, eigenlijk zelfs een federalist.

Wat mij betreft zou een Europees landbouwbeleid moeten bijdragen aan duurzaamheid, zowel op het gebied van milieu als sociaal en internationaal. Bovendien heeft de landbouw een rol te spelen in het stimuleren van een diverse economie op het platteland, waar niet alleen voedsel wordt geproduceerd maar ook toerisme, ouderenzorg e.d. een rol spelen. Daartoe heb je in de toekomst twee of drie typen boeren nodig.

In de eerste plaats de grootschalige boer, die aan duurzaamheidscriteria onderworpen moet worden en die je daarnaast ook betaalt voor een bijdrage aan het landschapsonderhoud. Ten tweede zul je boeren krijgen die niet alleen levende weefsels produceren voor voeding en biobrandstof, maar zich daarnaast toeleggen op toerisme, zorg en dat soort dingen. Tenslotte zullen we ons moeten inzetten voor een derde type boer die niet kan concurreren op de wereldmarkt door de ligging van zijn boerderij, maar die je toch wilt behouden omdat hij bijdraagt aan het behoud van een streek, bijvoorbeeld de Auvergne of Drenthe. Het is veel duurder om zoiets aan staatsbosbeheer over te laten – een boer produceert tenslotte nog wat.  Die boeren zijn er al; het is hun land en laten we ervoor zorgen dat ze kunnen blijven.

Die drie types boeren hebben we nodig en dat moet je stimuleren, ook financieel. De subsidies kunnen enorm omlaag, maar de markt zal het niet allemaal betalen. Misschien over twintig jaar wel, want dan krijgt de boer door zijn productie hopelijk zoveel geld door de druk op het gebruik van de schaarsere landbouwgrond, dat hij er gewoon van kan leven.

Onderzoeker en docent aan de Protestantse Theologische Universiteit. Oud-hoofdredacteur van tijdschrift de Helling.
Alle artikelen