"Franse Revolutie in het Midden-Oosten."

Interview Mariwan Kanie

Heeft de islamitische wereld behoefte aan narren? Of is het meer een tijd van revolutionairen? De martelaars lijken in elk geval hun tijd te hebben gehad, gezien de gebeurtenissen in Egypte. Een gesprek over verschillende vormen van maatschappij- en religiekritiek.

Met een brede glimlach begroet hij mij, vol van de val van Moebarak in Egypte en opgetogen over de beweging van verandering die door het Midden-Oosten trekt. Mariwan Kanie geeft als politicoloog aan de Universiteit van Amsterdam college over democratie en dictatuur in het Midden-Oosten, maar dat is zeker niet de enige reden dat hij de gebeurtenissen daar op de voet volgt. In zijn land van herkomst, Irakees Koerdistan, is Kanie een gevreesd en gezien opiniemaker. Hij is medeoprichter van een van de meest gelezen kritische tijdschriften Rahand (Dimensie) en schrijft wekelijks een column voor de krant Awena. Zijn laatste boek Religie en de wereld, dat in januari in het Koerdisch verscheen, werd een bestseller. Onlangs werd Kanie aangeklaagd wegens smaad, omdat hij zich kritisch uitliet over het bewind. Dat proces is inmiddels gewonnen. Het lijkt erop dat er overal in het Midden-Oosten meer ruimte komt voor vrije gedachtevorming.

Is er in deze context behoefte aan komische kritiek op de macht? Zit de Arabische wereld te wachten op politieke narren en de islam op een eigen Lof der Zotheid? Kanie heeft zich vooral beziggehouden met de tegenpool van de nar: de zelfmoordterrorist, die zich offert voor een hoger ideaal. In december promoveerde hij in Amsterdam op een onderzoek naar martelaarschap in Koerdistan.

Toch ziet Kanie overeenkomsten. Zowel narren als martelaars kritiseren de gevestigde macht. En hij onderscheidt nog een derde figuur: degene die de parrèsia beoefent, een Grieks begrip voor vrijmoedig de waarheid spreken. Deze drie vormen van kritiek zijn er in de geschiedenis altijd geweest, aldus Kanie. Tijd voor nadere uitleg.

“Ook in de Arabische wereld bestaat de figuur van de nar. De ‘bahlul’ is degene die door de machthebber is aangesteld om hem te amuseren en een spiegel voor te houden. Hij kan zeggen wat normaal niet gezegd wordt. De bahlul wordt ook wel gezien als een gek, die je net als kinderen niet verantwoordelijk kunt houden voor zijn daden en woorden. Narren stappen eigenlijk uit hun volwassenheid, buiten het gebied van de rede. De woorden en de daden van de nar zijn niet in harmonie met elkaar. Hij doet niet wat hij zegt en hij zegt niet wat hij bedoelt.

Dat ligt heel anders voor iemand die kritiek oefent volgens het concept van parrèsia. Hij stelt zich met lijf en ziel garant voor wat hij zegt. Hij spreekt openlijk en onverhuld de waarheid en neemt daarmee risico, omdat degene die de waarheid hoort vrijwel altijd macht heeft over degene die de waarheid vertelt. Het kan slecht met hem aflopen. Dat geldt ook voor de nar. Maar als die onthoofd wordt, betekent dat eigenlijk dat hij zijn werk niet goed heeft gedaan. De parrèsiastes kan gestraft of gedood worden als gevolg van zijn woorden en hij aanvaardt dat ook. Hij uit zijn kritiek op eigen gezag, omdat zijn geweten hem daartoe verplicht. Anders dan bij narren is er geen sprake van dubbele bodems, knipogen en verdraaiingen. De nar vertegenwoordigt de kritiek van het systeem op zichzelf zodat het als systeem kan blijven functioneren, terwijl de parrèsiastes een individu is die het systeem van buitenaf kritiseert. Denk bijvoorbeeld aan zo iemand als Noam Chomsky. Na 9/11 verzette hij zich in de Verenigde Staten tegen het radicale patriottisme en werd vervolgens voor verrader uitgemaakt.

Dan is er nog de figuur van de martelaar, en ik denk hier met name aan de zelfmoordenaar. Dit is iemand die deel uitmaakt van een beweging die de wereld wil veranderen. Door zichzelf op te offeren bevestigt hij dat zijn geloof of ideaal de waarheid is. In het martelaarschap zit een dodelijke, fatale vorm van liefde besloten. Bij de nar is de dood een bedrijfsongeval, bij de parrèsiastes kan de dood worden aanvaard als consequentie, maar bij de martelaar is de dood onderdeel van de boodschap zelf. De dood wordt hier een politiek concept, een communicatiemiddel met de rest van de wereld.

De nar en de martelaar hebben beide een theatraal karakter. Ze hebben publiek nodig om te kunnen functioneren. Voor de parrèsiastes geldt dat minder, die spreekt van mens tot mens. De nar spreekt tot de hofhouding, de politieke wereld, terwijl de martelaren tot de samenleving als geheel en soms zelfs tot de hele wereld spreken. Maar alle drie kritiseren ze de bestaande orde.”

Op welk van deze figuren zitten we nu het meest te wachten in de westerse wereld?
“Martelaarschap is in de liberale democratie geen bruikbare categorie. Het behoort tot een predemocratische manier van politiek bedrijven. Dood als politiek concept, als strategie, dat moeten we niet hebben. Wat betreft de nar: die is in onze samenleving onderdeel geworden van de entertainmentindustrie. Er zijn nog wel kritische cabaretiers, maar door de lach verliest hun kritiek een deel van zijn radicaliteit. De lach zwakt de kritiek af. In onze samenleving hoef je je niet te verbergen achter de lach; je kunt openlijk spreken. Je zou daarom zeggen dat je ook de parrèsia niet nodig hebt in een goed functionerende liberale democratie, er bestaat immers vrijheid van meningsuiting. Toch zou ik zeggen dat de parrèsia in deze tijd van populisme weer belangrijk is, maar dan op een andere manier. Het is niet zo zeer nodig de waarheid te zeggen tegen de politieke leiders, maar juist tegen de samenleving en de burgers. De Nederlandse staat is veel fatsoenlijker dan de Nederlandse samenleving. Er zijn goede regels en wetten, maar tegelijk is er volop discriminatie en racisme uit naam van de vrijheid van meningsuiting. De kritische strategieën moeten zich dus richten op de samenleving in plaats van op de staat.”

“Het probleem is volgens mij dat de politiek is meegegaan met het populistische betoog en uit electorale overwegingen de dingen niet meer bij de naam durft te noemen. Ook GroenLinks is daar veel te voorzichtig in. Er is moed voor nodig om tegen mensen te zeggen: wanneer je op deze manier praat maak je je schuldig aan racisme en uitsluiting. Politici moeten weer zeggen waar ze echt zelf in geloven, vooral linkse politici. Ze verliezen dan misschien eerst een of twee zetels, maar ze winnen enorm aan overtuigingskracht.”

En welke van de drie kritische figuren is het meest nodig in de Arabische wereld?
“Wat zo bijzonder is aan de gebeurtenissen in Egypte, is dat het een breuk is met het verleden. Het martelaarschap dat in de Iraanse revolutie zo belangrijk was, speelde nu geen rol. Mensen gingen niet uit naam van iets of iemand de straat op om te doden en zich op te offeren. Er zijn wel een paar zelfverbrandingen geweest, maar dat waren individuele protestacties die niet tot doel hadden anderen te doden. Er werd geen bevrijding gezocht door middel van geweld. De betogers in Egypte spraken een liberale taal, zonder dat ze het liberalisme als politiek kader gebruikten. Ze willen namelijk ook zaken die het liberalisme niet biedt, zoals rechtvaardigheid, een minimum inkomen en eerlijke sociale verhoudingen. Ze willen sociaal liberalisme, eigenlijk een echte groenlinkse revolutie. De eenpartijstaat is failliet. Cruciaal is ook dat men de buitenwereld niet meer de schuld geeft van de eigen problemen, maar die zelf aanpakt. En daarbij spelen de grote ideologieën van de afgelopen decennia in het Midden-Oosten geen rol. Panarabisme, islamisme en linkse socialistische ideologieën hebben uitgediend. Wellicht komt dat ook omdat het geen opstand van een stedelijke elite was, maar van verschillende sociale groepen en klassen; zowel van de grote stad als van kleinere steden en dorpen. Dat maakte het oncontroleerbaar. Als ik me heel optimistisch wil uitdrukken dan zeg ik: dit is de Franse Revolutie van het Midden-Oosten. Ik denk dat de invloed van Egypte op het Midden-Oosten net zo groot zal zijn als die van Frankrijk op de rest van Europa na 1789.”

De Franse Revolutie had zijn Robespierre. Europa was juist ook in die periode heel gewelddadig.
“Ja, dat is zo. Ik geloof niet dat het in Egypte zo zal gaan. De regio is al vijftig jaar in geweld verzonken: de ene oorlog na de andere, de ene opstand na de andere. De mensen hebben er genoeg van, daar gaat het nu juist om. Ze geloven niet meer in geweld. En het feit dat er geen charismatische politieke leider is, vind ik eigenlijk heel positief. Er is een grote politieke energie vrij gekomen in Egypte. Er zijn allerlei discussies, groepen die zich verzamelen. Als het ze lukt zichzelf een politieke vorm te geven en er komen zes partijen die een coalitie moeten vormen, dan zou dat heel gezond zijn. Er moet nu niet weer een nieuwe Moebarak komen. Ja, ik ben hoopvol.”

Erasmus wordt met zijn Lof der Zotheid gezien als een belangrijke hervormer, hij kritiseerde de kerk en inspireerde Luther tot de reformatie. Heeft de islam, in aansluiting op deze politieke revolutie, narren nodig die de islam relativeren door er de gek mee te steken?
“Het is moeilijk om de geschiedenis van het christendom te vergelijken met die van de islam omdat de islam geen kerk heeft. In de moskee is geen hiërarchie en geen clerus. Iedereen kan imam spelen. Er is in de geschiedenis van de islam heel veel religiekritiek geweest. In de soefitraditie wordt bijvoorbeeld gezegd dat het hele stelsel van formele begrippen van gelovigen en ongelovigen, afvalligen, haram en halal niets betekent, maar dat het gaat om de persoonlijke relatie met God. Zelfs bidden en vasten worden niet gezien als noodzakelijke rituelen om een goed gelovige te zijn.”

Toch wordt dat voortdurend gezegd: de islam moet leren om zichzelf te lachen, zich te relativeren etc. Een spotprent over Jezus kan, maar een over Mohammed is uitgesloten.
“Je moet goed bedenken dat deze hardheid in de islam van het Midden-Oosten nieuw is. Ze dateert van na de Iraanse revolutie. Er zijn tal van narren en spotters geweest in het verleden. Mijn opa is een bekende koerdische dichter. In de jaren vijftig schreef hij een gedicht waarin hij het paradijs volkomen belachelijk maakt als een plek waar je niet wilt zijn omdat het er vol zit met oude vrouwen en leugenaars. Hij kon dat schrijven en publiceren en er gebeurde niets. Als ik nu in Koerdistan hetzelfde zou doen zou ik voor de rechtbank komen. De radicalisering van de religie is heel recent. In Egypte heeft Sayyid Qutb, de belangrijkste theoreticus van de fundamentalisten, gezegd dat de hele wereld, zowel de islamitische als de rest van de wereld in de jahiliah verkeert, dat is de toestand van afwezigheid van religie, oorspronkelijk het tijdperk voor de islam. Hij heeft dus ook de islamitische samenlevingen als ongelovige samenlevingen bekritiseerd. In 1966 is hij opgehangen door Nasser vanwege zijn denkbeelden. Daarna kwamen er groepen die zijn ideeën overnamen en radicaliseerden; toen kregen we te maken met groepen als Al Kaida. Ook het martelaarschap van zelfmoordterroristen is een recent verschijnsel. Het is in feite een seculier concept met een religieus sausje. De leermeester van Ghomeini, Ali Shariati, bestudeerde in Parijs marxistische ideeën over het bevrijdend karakter van geweld. Denk aan de uitspraak van Marx dat geweld de vroedvrouw van de geschiedenis is en denk aan Frantz Fanon, die begreep dat geweld ook een therapeutische daad van zelfbevestiging kan zijn en die hoopte op een derde weg tussen kapitalisme en socialisme. Voor Shariati was dat de islam. Daar komt de invloed van het nationalisme nog bij. Vanaf de negentiende eeuw is het nationalistische martelaarschap enorm toegenomen, denk aan de Europese soldaten die zingend de Grote Oorlog van 1914 introkken en alle patriottistische dodenherdenkingen. In de grondslag van het huidige sjiïtische model van martelaarschap dat is ontwikkeld in de jaren zeventig en ook is overgenomen door de soennitische beweging, zie je duidelijk de invloed van radicaal linkse westerse seculiere denkers terug.”

Moet het oude islamitische tijdperk van narren dan niet weer tot leven worden gewekt?
“Ik denk niet dat dat een oplossing is. Er is nu geen ruimte voor narren, die worden meteen uit de weg geruimd. Het is onmogelijk geworden om religie op een komische manier te kritiseren. Er is revolutie nodig, zoals in Egypte.”

Kan de Egyptische revolutie deze radicale islam de wind uit de zeilen nemen?
“Ik hoop dat ja, ik hoop dat er een nieuwe gezamenlijke taal wordt gevonden waarin ruimte is voor pluralisme. En dat bereik je niet door religie belachelijk te maken. Dat werkt averechts.  Je moet ook bedenken dat de massamedia een nieuwe wereld hebben gecreëerd waarin alles heel gemakkelijk gepolitiseerd raakt. Iets wat in een kleine gemeenschap grappig is, kan nu door miljoenen mensen worden bekeken en heel anders worden opgevat.

Je moet religie dwingen om democratisch te zijn door middel van discussies en debatten; met parrèsia dus. Ik ben zelf een voorbeeld van iemand die religie kritiseert, maar omdat ik niet de taal gebruik die vernederend is voor mensen, kan dat. Ik zeg dat er religieuze waarheid is, maar dat er daarnaast andere waarheden zijn. Religiekritiek in de Arabische wereld moet heel serieus zijn. Humor en satire werkt op dit moment niet. Vroeger bestond het, maar nu is dat een gevaarlijke en niet productieve strategie.”

Leven we dan in een humorloze wereld? Zowel in het Westen als in het Midden-Oosten is de figuur van de nar op dit moment blijkbaar niet aan zet.
“Er zijn momenten in de geschiedenis dat je met humor niet verder komt. Ik geloof niet dat we nu zitten te wachten op de lach. Populisten en islamisten kun je niet bestrijden met lachen. Er is een parrèsiaanse houding nodig waarmee je de samenleving met de waarheid durft te confronteren in plaats van haar naar de mond te praten.”

Literatuur:

- Michel, Foucault Parrèsia. Vrijmoedig spreken en waarheid, (verschillende vertalers), Uitgever Parrèsia 2004 (1983).
- Frantz Fanon, De verworpenen der aarde, oorspr. Les Damnéés de la terre (1961), Bruna 1973, vertaling Han Meyer (niet meer in de handel).
- Sayyid Qutb, Milestones, Indianapolis, American Trust Publications 1990.
- Mariwan Kanie, Martelaarschap tussen natie en religie. Politieke liefde, poëzie en zelfopoffering in Koerdisch nationalisme, 2010 (proefschrift UvA).

Onderzoeker en docent aan de Protestantse Theologische Universiteit. Oud-hoofdredacteur van tijdschrift de Helling.
Alle artikelen