Gedenk de Grote Oorlog Europees

foto: archief Philippe McIntyre

De verhalen over de Grote Oorlog blijven doorgaans binnen een nationaal perspectief. De oorlog van 1914-1918, die een hele Europese generatie uitdunde, verminkte en voor het leven tekende, wordt nauwelijks gezamenlijk herdacht. Dat moet anders.

In veel Europese landen staat 1914-1918 in het geheugen gegrift als het inferno, dat de hooggestemde verwachtingen over de net begonnen twintigste eeuw deed omslaan in ontreddering en haat. Of, zoals de Franse dichter Paul Valéry (1871-1945) het in 1919 formuleerde: ‘Wij beschavingen weten nu dat we sterfelijk zijn’.

Hoe gedenken wij deze oorlog honderd jaar later? Voornamelijk op nationaal niveau. Elk land heeft zijn eigen monumenten en ceremoniën en probeert daarmee binnen de eigen nationale geschiedenis zin en betekenis te geven aan de gebeurtenissen van 1914-1918. Daardoor ontbreken twee belangrijke elementen in die herdenkingen, namelijk de ervaring van zinloosheid en de afschuw van het nationalisme, die de Grote Oorlog bij velen opriep, in welke loopgraaf ze ook vochten.

Aan de hand van drie stellingen pleit ik ervoor de oorlog op Europees niveau te gedenken. Ten eerste: de Eerste Wereldoorlog is een gemeenschappelijke Europese ervaring. Vervolgens: de Eerste Wereldoorlog is ook een particuliere ervaring. Tenslotte: Europa heeft een nieuwe cultuur van gedenken nodig.

 

Een Europese ervaring

De Eerste Wereldoorlog vaagde niet alleen een hele wereld weg, maar ook een wijd verbreide Europese gedachte. Tot dan toe stond de moderniteit in het teken van voortdurende vooruitgang op het gebied van kennis, technologie, welvaart en – en dat omvatte het gehele project – van de mens zelf. De Europeaan zou niet alleen een beter leven krijgen, maar ook in moreel opzicht een beter mens worden. Hij zou zelf nadenken, oude mythen en onzekerheden van zich afschudden en, daarbij geholpen door de kunst, almaar op een hoger geestelijk plan komen. Natuurlijk was hierop ook kritiek. De ‘drie meesters van de achterdocht’(Paul Ricoeur) hadden hun priemende vragen gesteld: Freud bij de rationaliteit van de mens, Marx bij de kapitalistische industrialisatie en Nietzsche bij moraal en religie. De Spaanse Dominicaan Bartolomé de las Casas had het als een van de eersten opgenomen voor de mensenrechten van de Indianen in de Nieuwe Wereld. Het moderne Europa stond vanaf het begin af aan onder kritiek en twijfelde hardop aan zichzelf. Juist dat maakte het tot een moderne samenleving.

Maar de duistere zijde van deze in de grond optimistische wereld zou pas op catastrofale wijze zichtbaar worden in de ‘korte twintigste’ eeuw. Achteraf is het schokkend te lezen, dat veel van de meest gerespecteerde denkers en intellectuelen destijds met groot enthousiasme ten oorlog trokken. Dankzij alle moderne technologische verworvenheden zou het snel voorbij zijn en roem en versterking van het nationale bewustzijn brengen, zo dacht men. Deze oorlog zou zelfs een einde maken aan het verschijnsel oorlog als zodanig. Paul Valéry merkt in het al eerder aangehaalde essay La Crise de l’Esprit daarom op, dat de vooruitgang zelf de vernietiging mogelijk had gemaakt. Juist technische en wetenschappelijke kennis en morele kwaliteiten als plichtsgevoel en discipline maakten het kwade in deze omvang mogelijk. “Zoveel verschrikkingen waren niet mogelijk geweest zonder zoveel deugden”, aldus Valéry. De Grote Oorlog betekende wat hem betreft het bankroet van het idealisme, de gedachte dat de geest de wereld draagt en almaar beter maakt. Een gevoel van diepe zinloosheid kwam er voor in de plaats. Soldaten uit vrijwel alle Europese landen deelden in de loopgraven niet alleen de ervaring van kou, honger, modder, ratten en het alles relativerende besef dat elke seconde de laatste kan zijn, maar al te vaak ook de constatering dat alles wat ze tot dan toe over het ‘goede leven’ geleerd hadden, zijn betekenis had verloren. Erich Maria Remarque vocht mee als Duitse soldaat. In 1929 verscheen zijn beroemd geworden roman Im Westen nichts Neues. De hoofdpersoon beschrijft hoe het wereldbeeld van zijn vroegere leraren, die hen op school voor de oorlog hadden gerekruteerd, met elke granaat en elke dode uiteen spatte. Als hij zelf zwaar gewond in een lazaret ligt, zegt hij, aan het eind van het boek:

Man kann nicht begreifen, dass über so zerrissenen Leibern noch Menschengesichter sind, in denen das Leben seinen alltäglichen Fortgang nimmt. Und dabei ist dies nur ein einziges Lazarett, nur eine einzige Station – es gibt Hunderttausende in Deutschland, Hunderttausende in Frankreich, Hunderttausende in Russland. Wie sinnlos ist alles, was je geschrieben, getan, gedacht wurde, wenn so etwas möglich ist! Es muss alles gelogen und belanglos sein, wenn die Kultur von Jahrtausende nicht einmal verhindern konnte, dass diese Ströme von Blut vergossen wurden, dass diese Kerker der Qualen zu Hunderttausende existieren.

In hetzelfde jaar beschrijft de Engelse auteur Richard Aldington in Death of a Hero zijn eigen oorlogservaringen in de vorm van een afrekening met het Victoriaanse wereldbeeld en een ode aan een dode soldaat, die hij diep benijdt:

What right do I have to live? Is it five million, is it ten million, is it twenty million? What does the exact count matter? There they are, and we are responsible. Tortures of hell, we are responsible! When I meet an unmaimed man of my generation, I want to shout at him: “How did you escape? How did you dodge it? What dirty trick did you play? Why are you not dead, trickster?” It is dreadful to have outlived your life, to have shirked your fate, to have overspend your welcome. There is nobody upon earth who cares whether I live or die, and I am glad of it, so glad of it. To be alone, icily alone. You, the war dead, I think you died in vain, I think you died for nothing, for a blast of wind, a blather, a humbug, a newspaper stunt, a politicians ramp. But at least you died. You did not reject the sharp, sweet shock of bullets, the sudden smash of the shell-burst, the insinuating agony of poison gas. You got rid of it all. You chose the better part.

Aan deze fragmenten kunnen gemakkelijk passages uit romans uit Frankrijk, België of Rusland worden toegevoegd. Paul Valéry concludeert in zijn essay: het nationalisme is failliet, het idealisme vermoord. De kennis heeft zijn onmacht gedemonstreerd om wat dan ook maar te redden. De wetenschap is onteerd door de toepassing van zijn verworvenheden en dodelijk geraakt in zijn morele ambities. De illusie van een Europese cultuur is verloren.

Inderdaad vernietigde de Eerste Wereldoorlog de prille samenwerking van een elite van Europese schrijvers en kunstenaars en maakte een eind aan de Tweede Socialistische Internationale. Hij leek de triomf van het nationalisme over deze pogingen tot een Europese cultuur en politiek. Tot op de dag van vandaag is het nationalisme een belangrijke politieke factor, en dat was het zeker na 1918: na Versailles vierde in Duitsland de nationalistische rancune hoogtij en ook elders in Europa maakte het deel uit van het opkomende fascisme. Velen waren er echter met Valéry van overtuigd dat het nationalisme als humanistisch ideaal failliet was.

Midden in die nationalistische en door oorlog verminkte jaren werd een ander Europa geboren. Het Europa van de gedesillusioneerde, nihilistische jeugd, met kunstbewegingen als de absurdistische en intuïtieve Dada, in 1916 als reactie op de oorlogsgruwelen in Zürich opgericht. Het Europa dat een diep wantrouwen koesterde tegen militarisme en autoritaire bewegingen en dat in de ban kwam van democratisering en pacifisme. Het Europa dat in 1919, zonder de scherven van een Europese cultuur te kunnen lijmen, opnieuw begon samen te werken in de Volkenbond. Vanaf 1933 brak dit Europa opnieuw uiteen, om pas weer in 1945 het ‘nooit meer oorlog’ te laten klinken.

 

Een particuliere ervaring

De Eerste Wereldoorlog, gevolgd door de Tweede, verdeelde Europa tot op het bot. De Duitsers werden nog decennia lang gehaat, de Russische Revolutie verdeelde Europa in twee kampen, de Engelsen verloren hun imperium en trokken zich terug op hun eiland, de Belgen kregen te maken met een groeiend wantrouwen tussen Vlamingen en Walen. In Polen betekende 1918 het einde van een periode van buitenlandse overheersing die al sinds 1795 duurde. Op de Balkan begon door het uiteenvallen van de Habsburgse dubbelmonarchie een moeizaam en ingewikkeld proces van natievorming. De impact van de oorlog op de politieke verhoudingen verschilt van land tot land en van regio tot regio. En ook de schuldvraag en het elkaar toegebrachte leed blijft verdelen. Het is daarom hachelijk om zonder meer een gezamenlijke ervaring te veronderstellen. De opgedane, al dan niet gemeenschappelijke ervaringen worden bovendien verschillend geïnterpreteerd en herdacht.

Een objectieve en afgeronde kennis van de Eerste Wereldoorlog bestaat niet. We kunnen nooit werkelijk weten ‘hoe het eigenlijk geweest is’, deels omdat het voor iedereen anders was, deels omdat de geschiedenis deel is van onze visie op heden en toekomst. In Europa zal de (politieke) relatie met anderen altijd een ontmoeting zijn tussen verschillende ervaringen, waarbij onze waarneming van de ander en diens verhalen ook weer wordt gekleurd door onze eigen geschiedenis en ervaring.

De Eerste Wereldoorlog is daarom tegelijkertijd een gezamenlijke Europese ervaring, waarin Europeanen elkaar kunnen herkennen, als ook een particuliere ervaring, waarbij we voor elkaar vreemden blijven.

 

Europa gedenkt

Heeft het zin de Eerste Wereldoorlog in Europa te gedenken? In zekere zin is die vraag overbodig, want het gebeurt natuurlijk al. Er zijn vooral dit jaar tal van herdenkingen door heel Europa. Het punt is dat dit vrijwel allemaal nationale herdenkingen zijn, al worden hier en daar grensoverschrijdende plechtigheden georganiseerd en nemen diplomaten en soms staatshoofden deel aan elkaars herdenkingen. Het grote probleem van deze herdenkingen is dat zij geen recht doen aan de conclusie van velen die diep gedesillusioneerd de loopgraven overleefden, namelijk dat het nationalisme failliet is, zoals Paul Valéry verklaarde. In plaats van de nationale retoriek die tot de oorlog leidde te problematiseren, reproduceren deze herdenkingen het nationalistische vertoog. Een goed voorbeeld hiervan is de aankondiging van de Britse Royal Mint in januari van dit jaar om een herdenkingsmunt voor de Eerste Wereldoorlog te maken met daarop de beeltenis van de beroemde generaal Lord Kitchener, zoals die tijdens de oorlog op de rekruteringsposters verscheen met de tekst: ‘Your country needs you’. Voor de ervaring waaraan Richard Aldington en Erich Maria Remarque met hun romans een stem gaven, is hier geen plaats.

Daarom is een andere manier van gedenken nodig. Een die de samenwerking tussen Europeanen bevordert en die de verschillende verhalen doet klinken. De Europese Unie staat symbool voor het overwinnen van het nationalisme. Zij heeft niets heroïsch, integendeel, ze is een nogal rommelig geheel dat van historische toevalligheden en politieke compromissen aan elkaar hangt. De EU vertoont nog vele hiaten en deficieten. Juist het feit dat de EU nog altijd op zoek is naar haar juiste politieke vorm, maakt haar bij uitstek geschikt om de organisatie van een ander soort van gedenken op zich te nemen. Een gedenken dat niet gericht is op de nationale eer, maar dat de verschrikkingen van oorlog als zodanig centraal stelt. Ook dergelijke herdenkingen staan binnen een politiek en symbolisch kader, maar omdat het geen nationalistisch kader is, schept het ruimte voor ervaringen die tot nu niet of nauwelijks konden worden herdacht.

Heeft het door economische en monetaire crises toch al zo verdeelde Europa baat bij het oprakelen van oude conflicten en oud zeer? Want wie gedenkt, maakt de geesten van het verleden wakker en stelt de doden weer in ons midden.

Wie echter wil dat het project van Europese samenwerking dieper wortel slaat dan alleen in bestuurlijke en commerciële kringen; wie wil dat het draagvlak van de Unie groter wordt, ontkomt er niet aan (ook) die oude geesten in het gezicht te zien. Willen we uit de huidige patstelling in Europa komen van enerzijds het gebrek aan economische solidariteit en anderzijds het gebrek aan democratische legitimatie en organisatie, dan moeten we de ruimte scheppen waarin onderling vertrouwen kan groeien. Daartoe is het cruciaal te luisteren naar elkaars oud zeer en hoe dat de politiek sindsdien heeft vormgegeven.

Een herdenking onder de auspiciën van het Europese parlement, waar diversiteit en meertaligheid een vanzelfsprekend gegeven zijn, zou een welkome opschudding van de nationale en militaire herdenkingscultuur betekenen. Het gaat er niet om één verhaal over de Grote Oorlog te produceren. Juist de verschillende interpretaties van de Eerste Wereldoorlog, zijn oorzaken en gevolgen, moeten zichtbaar worden. De doden kunnen niet meer spreken. Hun toekomst is nooit werkelijkheid geworden en Europa is ook door al die onvervulde beloftes wat zij nu is. De levenden zullen moeten vertellen wat hen beweegt en dierbaar is. Wat zij verloren hebben en wie zij ooit hopen te worden. Daardoor ontstaat mogelijk de ruimte en het vertrouwen die de Europese Unie zo keihard nodig heeft om gezamenlijk te kunnen handelen.

In de geschiedenisboeken kunnen verhalen worden opgenomen uit andere landen, zodat scholieren van meet af aan begrijpen dat geschiedschrijving er heel verschillend uit kan zien. Europese steden waar gemoord en gebombardeerd is, kunnen met hun voormalige vijanden het pijnlijke proces aangaan om het gebeurde te bespreken. Ook zouden nieuwe rituelen ontworpen en uitgeprobeerd kunnen worden, in de geest van Mitterrand en Kohl, die in 1984 tijdens de herdenking in Verdun (ruim 800.00 doden in 1916) elkaars hand grepen en minutenlang vasthielden. Rituelen die niet gericht zijn op de reproductie van nationalistische retoriek, maar die zich richten op wat we in de toekomst met elkaar hopen te worden.

Valéry vraagt zich af wat vrede is. Zijn antwoord: “Vrede is misschien de toestand waarin de natuurlijke vijandschap tussen mensen op creatieve wijze haar uitdrukking vindt, in plaats van zich te vertalen in destructieve activiteiten als oorlog. De Europese Unie, samen met andere Europese organisaties, is bij uitstek geschikt om te midden van alle onvermijdelijke politieke spanningen nieuwe vormen van gedenken en samenleven in Europa te scheppen. Zoals de monetaire unie niet kan functioneren zonder aanvullend economisch beleid, zoals de solidariteit in Europa een minimum aan sociale zekerheid voor iedereen verlangt, zo heeft de politieke samenwerking alleen toekomst wanneer zij wordt ondersteund door de uitwisseling van verhalen die ons maken tot wie we zijn.

 

Literatuur

Erich Maria Remarque, Im Westen nichts neues, Keulen 2004 (1929), p. 177.

Paul Valéry, La Crise de l’Esprit, 1919.

Richard Aldington, Death of a Hero, London 2013 (1929), p. 178-179.

 

 

 

Onderzoeker en docent aan de Protestantse Theologische Universiteit. Oud-hoofdredacteur van tijdschrift de Helling.
Alle artikelen