"Gelukkig is hij die een Turk is"

Het nationalisme van Turkije

De ontkenning van de Armeense genocide en de moord op de journalist Hrant Dink zijn uitingen van het Turkse nationalisme. De geschiedenis daarvan gaat terug naar het begin van de vorige eeuw toen een uiteenvallend rijk aaneengesmeed moest worden.

Het is in Turkije gewoonte om te spreken over de zogenaamde Armeense genocide. Wie dat niet doet riskeert vervolging op basis van het artikel 301 Turks Wetboek van Strafrecht. Er is veel te doen over dat artikel 301, waarin belediging van de Turkse nationale identiteit strafbaar is gesteld. Prominente intellectuelen als Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk, schrijfster Elif Şafak en zelfs buitenlanders als Joost Lagendijk zijn wegens hun kritische uitlatingen, op basis van dat artikel vervolgd door nationalistische openbare aanklagers. Steeds volgde er vrijspraak. Maar niet in het geval van de Armeense journalist Hrant Dink. Hrant Dink werd alom gerespecteerd om zijn kritische maar verzoenende boodschap. Hij riep op tot dialoog en stelde regelmatig dat conservatieve partijen in Europa de Armeense genocide-kwestie niet moesten misbruiken om Turkije buiten de EU te houden.

Hij kreeg zes maanden straf omdat hij gezegd zou hebben dat het Turkse bloed besmet is. Dat was aantoonbaar niet het geval, toch werd het vonnis tot op het hoogste niveau bekrachtigd. Verbijsterd over de veroordeling vroeg hij zich in zijn laatste column in de krant Agos af of hij wel moest blijven in het land dat hij ook het zijne noemde. Hij werd bedreigd en vreesde voor zijn leven omdat hij had gezegd dat Turkije de genocide moet erkennen. Hij wilde blijven. Ondanks herhaald verzoek kreeg hij geen bescherming. “Maar in dit land schieten ze geen duiven dood”, schreef hij in diezelfde column. Dink werd een paar dagen na het verschijnen van zijn column op 19 januari vermoord door een zeventienjarige ultranationalist uit de Zwarte Zee-stad Trabzon. Dezelfde stad waar vorig jaar een priester werd vermoord door een nationalist. Het nationalisme viert hoogtijdagen in Turkije. Om het Turkse nationalisme als fenomeen te kunnen doorgronden, moet men zich verdiepen in wordingsgeschiedenis van de Republiek Turkije.

Briljant

Aan het eind van de negentiende eeuw was het Osmaanse Rijk in verval. Constitutionele en politieke hervormingen baatten niet. Het Osmaanse Rijk, ooit zeer machtig, takelde steeds verder af en werd door de Russische Tsaar spottend ‘de zieke man van Europa’ genoemd. Allerlei Osmaanse rijksdelen streefden onder invloed van het nationalisme naar onafhankelijkheid en minderheden die leefden in Anatolië werden als vijfde colonne gewantrouwd door de ‘Jong Turken’. Dat was een groep revolutionaire militairen – waartoe ook Mustafa Kemal Atatürk behoorde – die wilden afrekenen met het Sultanaat en streefden naar de vestiging van een Turkse natiestaat. In de nadagen van de Eerste Wereldoorlog bevrijdde Atatürk, een briljant militair strateeg, Anatolië van de Russische, Franse en Engelse bezetters en vestigde uiteindelijk in 1923 een seculiere republiek naar Frans model. Etnische zuiveringen vonden in de periode 1914-1915 op grote schaal plaats. Grieken en Armeniërs werden gedeporteerd. Honderdduizenden kwamen daarbij om.

Zuiver

Atatürk moderniseerde het land vervolgens in hoog tempo naar westers voorbeeld, schafte het Arabische schrift af, voerde het Latijnse schrift in, lanceerde een hoedenrevolutie en verbood de fez voor mannen en de sluier voor meisjes op scholen en vrouwen in overheidsdienst. De republiek was seculier en godsdienst zou voortaan gecontroleerd worden door Diyanet – het Ministerie van Godsdienstzaken.

Om zijn culturele revolutie uit te voeren legde Atatürk meer nadruk op de Centraal-Aziatische, pre-islamitische oorsprong van de Turken, in plaats van op de Osmaanse en islamitische traditie. Tot de stichting van de Republiek noemde de elite zich nog “Osmanli’ en werd het neerbuigende woord Turk gebruikt voor de eenvoudige boeren van het arme Anatolië. De Osmanen waren heersers geweest over de Arabische gebieden en waren de hoeders van de islam geweest. De Sultan bekleedde immers ook het Khalifaat, het leiderschap over de Soena, de islamitische wereldgemeenschap. Met dat Osmaanse en islamitische verleden moest hard en in hoog tempo afgerekend worden.

Turk zijn moest iets gaan betekenen, men moest leren trots te worden op Turk-zijn. De taal werd gezuiverd van Arabische en Perzische leenwoorden. En imams moesten voortaan hun oproep tot het gebed in het zuivere Turks doen en niet langer in het Arabisch, zoals de Koran vereist. Zelfs het woord Allah werd vervangen met het pre-islamitische begrip ‘Tanri’ (hemel).

Atatürk vestigde de Republiek Turkije uiteindelijk op basis van zes pijlers. Het nationalisme en het secularisme werden de twee belangrijkste. Republikanisme is een andere pijler: ijveren voor terugkeer van het sultanaat werd verboden en gold als landverraad. Verder het populisme: belangen van heel het volk moesten prevaleren boven groepsbelangen. Klassen en klassentegenstellingen werden zodoende ontkend. Daarmee werd strijd op basis van klassenverschillen – socialisme en communisme – verboden. De laatste twee pijlers waren het reformisme, de voortschrijdende toepassing van het kemalistische gedachtegoed, en het etatisme, het erkennen van de sturende rol van de staat in de economie.

De zes pijlers waren een pragmatisch samenraapsel van opvattingen over staatsinrichting en vormden geen gesloten of éénduidige ideologie. Om het ideologische gat te dichten werd aan de pijlers een persoonlijkheidscultus verbonden. Al bij zijn leven werden er overal in het land standbeelden van Atatürk geplaatst. En passant experimenteerde Atatürk ook nog met democratie. Hij liet zijn strijdmakker van het eerste uur, generaal Inönü, oppositie voeren, maar verbood diezelfde oppositie onmiddellijk toen deze aanhang dreigde te krijgen. De partij van Atatürk, de CHP, de Republikeinse Volkspartij, bestaat nog steeds en heeft als symbool zes pijlers in het vaandel.

Canon

Het beeld van Turkije in West-Europa is te eenduidig. Turkije wordt voorgesteld als een homogeen seculier land waar negentig procent van de bevolking soenitisch-moslim is. Het land kent echter een grote etnische en religieuze diversiteit. De grootste groepen minderheden zijn de Koerden en Alevieten, en de christelijke Armeniërs en Suryoye. Hoewel Hrant Dink geen etnische Turk was, noemde hij zichzelf Türkiyeli. Türkiyeli betekent zoiets als ‘afkomstig uit Turkije’ en geldt als een term met een politiek signaal. Ook Koerden en andere etnische minderheden in Turkije gebruiken het woord om duidelijk te maken dat ze geen etnische Turken zijn, maar wel afkomstig zijn uit Turkije. Ook de politieke versplintering is erg groot. Parlementair linkse en rechtse partijen, streng seculiere kemalisten, gematigde en extremistische islamisten, extreem-linkse en extreem-rechtse partijen en zelfs nationaal-socialistische partijen domineren het politieke krachtenveld. Ook onder de Turken in Nederland bestaat een rijke diversiteit langs politieke, etnische en religieuze lijnen.

Turkije heeft een moeizame relatie met al haar minderheden, in het bijzonder met de Armeniërs, Koerden en Alevieten. De Turkse nationale identiteit biedt namelijk geen ruimte voor diversiteit. Het is een identiteit die geconstrueerd is en in het kader van de natievorming dwingend opgelegd wordt. Het is de taak van alle instituties in Turkije, maar die van het leger in het bijzonder, om vervolgens de nationale eenheid en het seculiere karakter van de Republiek te bewaken. ‘Turkije is van de Turken’, zo luidt het logo van Hürriyet, de grootste krant van Turkije. De leus – afkomstig van Atatürk, net als de leus ‘gelukkig is hij die zich een Turk noemt’ – behoort tot de nationale canon van Turkije. Ook wordt er een dwingende taalpolitiek gevoerd. Tot in de verste regionen, waar Turks de taal van de overheid is maar lang niet altijd de gesproken taal thuis, zweren kinderen dagelijks op scholen trouw aan Atatürk en de Turkse vlag.

De ‘turkificatie’ vindt op allerlei manieren plaats. Met harde hand, wanneer gebieden ontruimd worden en dorpelingen gedwongen worden te verhuizen naar de grote steden. Maar ook met zachte hand. Zo komt het nog steeds voor dat Turkse ambtenaren weigeren om Armeense of Koerdische namen in te schrijven bij de burgerlijke stand.

Kentering

Maar ook het nationalisme in Turkije is niet homogeen en kent een aantal verschijningsvormen. De huidige leiding van de CHP – de door Atatürk opgerichte Republikeinse Volkspartij – heeft zich ontwikkeld tot een links-populistische partij met een nationalistische retoriek. De MHP – de Nationale Actie Partij – is van oudsher ultranationalistisch en zelfs pan-turkistisch te noemen. Haar ideaal is een vereniging van alle Turkse volkeren in Centraal Azië in een Groot-Turkije. Dan is er het Turks-islamitisch nationalisme van conservatieve partijen als DYP – Juiste Pad Partij – en ANAP – de Moederlandpartij. Beide partijen verenigen een conservatief-liberale vleugel met een islamitische.

Alle partijen verklaren zich trouw aan het kemalistische gedachtegoed en aan het nationalisme zoals dat is vastgelegd in de Grondwet. Zo ook de AK Partij – ‘ak’ betekent reinheid en AK staat voor Gerechtigdheid en Wederopbouw – de partij van de gematigd politieke islamisten. In 2002 won deze nieuwkomer in de politieke arena de parlementsverkiezingen met overweldigende meerderheid en kon alleen gaan regeren. Die winst had partijleider Erdoğan niet alleen te danken aan zijn integere imago – als oud-burgemeester van Istanbul had hij de problemen in de stad pragmatisch aangepakt en de dienstverlening aanzienlijk verbeterd – maar vooral aan de vele proteststemmers die moe waren van de grootschalige corruptieschandalen ten tijde van de ANAP- en DYP-regeringen.

Met de AK Partij leek het secularisme bedreigd. Kemalisten, ook in het leger, keken argwanend toe. Maar Erdoğan toonde zich een pragmatische en behendige politicus. De AK Partij voerde in hoog tempo hervormingen door en het grote succes kwam in 2005 toen de EU besloot te beginnen met de toetredingsonderhandelingen. Artikel 301 van het Turkse wetboek van Strafrecht werd eveneens in 2005 ingevoerd.

Bij de inwerkingtreding van het wetsartikel wees de EU al op het gevaar dat de in het artikel gebezigde term ‘Türklük’ als begrip te vaag is en vatbaar voor misbruik door ultranationalisten. ‘Türklük’ omvat meer dan de in Nederland gebezigde vertaling ‘de Turkse identiteit’. Het Engelse ‘Turkishness’ benadert het Turkse begrip beter. ‘Turkishness’ verwoordt de nationale eenheid en de ondeelbaarheid van de Republiek Turkije. Precies dit maakt dat in de toetredingsdiscussie de gemoederen in Turkije zo vaak hoog oplopen. Kwesties als Cyprus, de Armeense genocide, de positie van Koerden, de mensenrechtensituatie en de godsdienstvrijheid raken de kern van het bestaan van de Republiek Turkije. De Europese Unie blijft immers de vinger op de zere plek leggen en stelt zich – terecht – op het standpunt dat er politieke, juridische en culturele ruimte moet komen voor andere etnische en religieuze identiteiten. In de beleving van menig Turk staat daarmee de Turkse nationale identiteit, de nationale eenheid en het voortbestaan van de Republiek op het spel in het toetredingsproces.

Ultranationalisten, die Turkije niet bij de Europese Unie willen, varen er wel bij en jagen het euroscepticisme aan. Hrant Dink’s dood zou echter een voorzichtige kentering in de Turkse politiek kunnen markeren. Artikel 301 zal waarschijnlijk door de regering van Erdoğan aangepast worden. Maar aan de preambule van de Turkse Grondwet zal niet getornd (kunnen) worden: de Republiek Turkije is en blijft een staat gevestigd op de pijler ‘milliyetçilik’ – het staatsnationalisme – zoals dat door Atatürk, de grondlegger van de Republiek Turkije, is geformuleerd.

Literatuur:

- E. J. Zürcher, Een geschiedenis van het moderne Turkije, Amsterdam, Uitgeverij Sun, 2006.

Voormalig medewerker van Bureau de Helling.
Alle artikelen