Groene winst in Europarlement

Hoe kan de winst van de groene partijen bij de Europese verkiezingen worden omgezet in politieke resultaten? Over kansen, coalities en ambities.

Bij de Europese verkiezingen van juni hebben de Europese Groenen duidelijk winst geboekt. Het zeteltal van de Groenen en hun bondgenoten in het Europees Parlement steeg van 43 naar 55. Die winst krijgt meer reliëf als we bedenken dat het totale aantal zetels in het Europarlement is teruggebracht van 785 naar 736. De Groene fractie is de enige die gegroeid is; alle andere fracties zijn gekrompen.

De groene zetelwinst is vooral te danken aan Europe Ecologie, dat in Frankrijk 14 zetels veroverde. Het door Daniel Cohn-Bendit gesmede bondgenootschap met milieuactivisten en andersglobalisten heeft Les Verts geen windeieren gelegd. Op eigen kracht hadden zij niet eens hun score van 2004 (6 zetels) kunnen evenaren.

Ook in andere landen deden de Groenen het goed: in Nederland, België, Denemarken, Finland, Zweden en Duitsland veroverden zij een extra zetel. Griekenland levert voor het eerst een groene Europarlementariër. Deze doorbraak houdt de hoop levend dat ook in de nieuwe lidstaten van de Europese Unie, naarmate zij hun welvaartsachterstand inhalen en het postmaterialistische electoraat groeit, sterke groene partijen kunnen ontstaan. Voorlopig moeten de Groenen in het Europarlement het zonder groene afgevaardigden uit Midden- en Oost-Europa stellen. (Het Estse en Letse lid van de Groene fractie vertegenwoordigen geen groene partijen).

De redenen voor het groene verkiezingssucces verschillen per land, maar over de hele linie lijken de kiezers meer economische competentie toe te schrijven aan de Groenen. Waar de populariteit van groene thema’s doorgaans afneemt bij economische tegenwind, hadden de Groenen ditmaal een gezamenlijk antwoord op de crisis: de Green Deal. Het project om de kredietcrisis, de economische crisis en de klimaatcrisis tegelijkertijd aan te pakken werd door de groene partijen eensgezind uitgedragen. Het stelde hen in staat om het belang van Europese groene politiek te onderstrepen en deze te verbinden met nationale en lokale initiatieven.

Coalities

De toegenomen kracht van de Groenen weerspiegelt echter ook de zwakte van de Europese sociaaldemocratie. Per saldo is rechts sterker geworden in het Europees Parlement. Om een Green Deal tot stand te brengen, zullen de Groenen niet alleen de andere linkse fracties, maar ook sommige liberalen en christen-democraten achter hun voorstellen moeten krijgen. Geen enkel bondgenootschap is vanzelfsprekend. Zo is de fractie van communistisch en nationalistisch links, waaronder de SP, moeilijk warm te krijgen voor milieuvoorstellen. Daarentegen zijn ongedachte gelegenheidscoalities denkbaar. De Britse Conservatieven bijvoorbeeld, die een eigen eurosceptische fractie hebben gevormd, zijn vrij ambitieus als het gaat om Europees klimaatbeleid.

‘Links’ was al een minderheid in het Europarlement, maar sinds juni hebben ook de fracties die ‘progressief’ kunnen worden genoemd in ethische kwesties geen meerderheid meer. Gelukkig valt er nog steeds een progressieve meerderheid te organiseren met hulp van meer verlichte geesten aan de rechterzijde van het parlementaire halfrond, zo bleek in september. Het parlement nam een resolutie aan die Litouwen opriep een homovijandige wet te wijzigen. Het is voor de Groenen, hun achterban en bevriende emancipatiebewegingen van groot belang dat het Europarlement zijn rol blijft spelen als ‘geweten’ van de Europese Unie; niet alleen met vermanende resoluties, maar waar mogelijk ook met bindende regels, zoals wetten tegen discriminatie.

De Europese Groene Partij heeft de afgelopen jaren veel energie gestoken in programmatische toenadering tussen de aangesloten partijen. GroenLinks heeft zich actief gemengd in de discussies vanuit het besef dat de samenwerking tussen groene partijen geleidelijk haar vrijblijvendheid verliest. Dat bleek in maart ook op het congres dat het Europese verkiezingsprogram van GroenLinks vaststelde. Een amendement (over genetische manipulatie) werd door het partijbestuur ontraden omdat het in strijd zou zijn met het gezamenlijke verkiezingsmanifest van de Europese Groenen. Een ander amendement (over Israël) werd ontraden omdat het de GroenLinkse Europarlementariërs in zo’n extreme positie zou manoeuvreren dat zij geen bijdrage zouden kunnen leveren aan een gezamenlijke groene positie in het Europarlement.

De standpunten van de Groenen in Europa worden nog relevanter wanneer – waarschijnlijk begin 2010 – het Verdrag van Lissabon in werking treedt. De bevoegdheden van het Europees Parlement nemen dan fors toe. De Europese volksvertegenwoordiging wordt medewetgever op terreinen als justitie, migratie, handel, landbouw en visserij. De inbreng van de versterkte Groene fractie op deze terreinen zal vaker doorklinken in de pers, ook de Nederlandse. Deze inbreng kan GroenLinks ruggensteun bieden in de nationale arena, of haar in verlegenheid brengen…

Er is dus alle reden voor GroenLinks om te blijven investeren in het gezamenlijke programma van de Europese Groenen en om daar een eigen stempel op te drukken. Hieronder stippen wij een tweetal onderwerpen aan waarover de Groenen grotere overeenstemming moeten bereiken: landbouw en arbeidsmigratie. Over deze thema’s zal de komende jaren in Europa felle politieke strijd worden gevoerd. Zij zijn medebepalend voor de positie van de EU in de wereld.

Landbouw en ontwikkeling

GroenLinks heeft de term voedselsoevereiniteit kunnen weren uit het Europese groene verkiezingsmanifest. Toch is de notie dat Europa op het gebied van landbouw uitsluitend haar eigen boontjes moet doppen populair onder Europese Groenen. Dit rudiment van het oude small-is-beautiful-denken verhoudt zich slecht met het besef van onderlinge afhankelijkheid op wereldschaal waarvan het groene discours op andere terreinen, zoals klimaat, migratie en veiligheid, inmiddels doortrokken is. ‘Baas over eigen voedsel’ kan zeer averechts uitpakken. Vanuit het perspectief van voedselsoevereiniteit was het logisch dat in 2007, toen de graanprijzen piekten, een aantal Europese regeringen riep om herinvoering van de exportheffing op Europees graan. Dat zou brood een paar centen goedkoper gemaakt hebben voor Europese consumenten, maar tegelijk de honger in ontwikkelingslanden hebben vergroot.

De aanpak van mondiale problemen vraagt juist om gedeelde soevereiniteit, ingebed in stevige internationale instellingen. Dat geldt ook voor de uitdaging om de voedselzekerheid van een groeiende wereldbevolking veilig te stellen. De Europese landbouwpolitiek kan niet geïsoleerd worden van het streven naar eerlijke handel en duurzame ontwikkeling.

Het zal niet lukken om ontwikkelingslanden tot partners te maken in een groen project van duurzame ontwikkeling als we hun te weinig kansen bieden op economische ontwikkeling. Veel ontwikkelingslanden willen geld verdienen met export van landbouwproducten. Sommige arme landen hebben geen andere keuze. Wie zijn wij in Europa om de staf te breken over deze pogingen om een plaatsje te veroveren om de wereldmarkt, zolang we zelf grootexporteur zijn van kaas en wijn?

Als we erkennen dat handel van cruciaal belang is voor ontwikkeling, mogen we onze eigen markt niet gesloten houden voor voedsel uit ontwikkelingslanden. Dat heeft wel gevolgen voor de manier waarop we onze eigen landbouw organiseren. Een strikt systeem van productiequota en gegarandeerde prijzen, waarnaar sommige boeren én Groenen terugverlangen, is moeilijk te verenigen met ruime markttoegang voor ontwikkelingslanden. Er zijn andere manieren om Europese overproductie af te remmen en boereninkomens te steunen, zoals aanscherping van milieu- en dierenwelzijnsregels, betere beloning voor de groene en blauwe diensten die boeren de maatschappij leveren en een mededingingsbeleid dat boeren in staat stelt hun krachten te bundelen tegenover supermarktketens en de agro-industrie.

Handel is niet alleen van belang voor ontwikkeling, maar ook voor global governance. De voortgaande kaalslag van tropische bossen schreeuwt om een betrouwbaar systeem van certificering van exportproducten als soja en palmolie. De Europese boodschap aan een land als Brazilië is echter ongeloofwaardig als zij luidt: “Wij willen dat jullie verantwoorde soja gaan produceren. Maar als jullie dat doen, willen we jullie soja nog steeds niet.” Ook binnen de Wereldhandelsorganisatie is het streven om groene en sociale eisen te verbinden aan de handel tot mislukken gedoemd, wanneer de rijke landen niet tegelijkertijd meer markttoegang bieden aan ontwikkelingslanden.

Arbeidsmigratie

De Europese Groenen hebben terecht kritiek geleverd op de Europese blue card, omdat die alleen beschikbaar is voor hoogopgeleide migranten. Een Europees systeem van werkvergunningen, afgestemd op de arbeidsmarktsituatie van elk EU-land, moet er ook komen voor lager opgeleide migranten, alleen al om illegale migratie tegen te gaan. Arbeidsmigratie is een realiteit. Nu al zijn er vier tot acht miljoen illegaal werkende migranten in de EU. Zij laten zich niet afschrikken door grenshekken, zeepatrouilles en razzia’s. De inspanningen om de EU tot een fort te maken zijn wel funest voor Europa’s reputatie als bastion van openheid en mensenrechten. Naarmate de Europese bevolking vergrijst en de krapte op de arbeidsmarkt toeneemt, zal de vraag naar laaggeschoolde migrantenarbeid alleen maar toenemen.

Maar deze argumentatie schiet tekort om de politieke blokkades tegen een volwaardig arbeidsmigratiebeleid weg te nemen, zeker in tijden van crisis en oplopende werkloosheid. De groene neiging om de rechten van arbeidsmigranten zoveel mogelijk op te plussen – tijdelijke werkvergunningen moeten al na twee of drie jaar worden omgezet in een definitieve verblijfsvergunning, volgens de Europese Groene Partij – maakt het er evenmin makkelijker op om bondgenoten te vinden in andere politieke stromingen. Een principiële keuze voor kosmopolitisme en transnationaal burgerschap, hoe belangrijk ook, volstaat niet. De Groenen zullen modellen voor arbeidsmigratie moeten ontwikkelen die wederzijds profijt opleveren. Zij moeten recht doen aan de belangen van het vergrijzende Europa, van de migranten zelf én van hun herkomstlanden. Anders blijven de Groenen klem zitten tussen het rechtse verhaal over maatschappelijke kosten en culturele spanningen en het linkse (SP-)verhaal waarin migratie gelijkstaat aan uitbuiting en brain drain.

Een kansrijk model van arbeidsmigratie zal in voldoende mate circulair moeten zijn. Het moet arbeidsmigranten stimuleren om in Europa verworven kennis, vaardigheden, contacten en kapitaal ten dienste te stellen van de ontwikkeling van hun land van herkomst. Terugkerende migranten zouden de mogelijkheid moeten hebben om de opgebouwde sociale rechten uitbetaald te krijgen, als startkapitaal voor een onderneming in het moederland. Terugkeer verhoogt de brain gain voor ontwikkelingslanden en ontlast de Europese verzorgingsstaten.

Om te voorkomen dat arbeidsmigranten met een mislukte loopbaan zich voegen bij de kansarme onderklasse in Europese steden, ligt het voor de hand om werkvergunningen een tijdelijk karakter te geven, zoals ook nu al het geval is. Maar dat volstaat niet. In het vooruitzicht van onherroepelijke terugkeer zal menig migrant besluiten onder te duiken in het circuit van illegale arbeid. Om tijdelijke migranten te doen terugkeren naar hun land van herkomst moet de terugkeer minder onherroepelijk worden. Zij moeten de cirkel kunnen sluiten. Juist door terug te keren moeten zij hun kans op een visum of werkvergunning kunnen vergroten. Canada heeft zo’n programma voor Mexicaanse landarbeiders. Alleen wanneer zij zich aan de voorwaarden van hun tijdelijke werkvergunning houden maken zij kans op een nieuwe vergunning. In 2002 bleef geen enkele Mexicaanse arbeider langer in Canada dan toegestaan. Dergelijke modellen verdienen het om door de Europese Groenen te worden opgepakt en uitgewerkt, in het volle besef dat de werkelijkheid altijd gecompliceerder is dan elk juridisch model. Migranten worden verliefd, trouwen en wortelen in het gastland, bijvoorbeeld. Dat is ook mooi…

De Groenen vormden in de afgelopen tien jaar de meest eensgezinde fractie in het Europees Parlement, zo blijkt uit analyses van het stemgedrag van de Europarlementariërs. Het is niet zeker dat de huidige fractie, die groter en veelkleuriger is, die status behoudt. Wil het politieke gewicht van de Groenen hun zeteltal blijven overtreffen, dan is verdergaande programmatische toenadering geboden. Te meer omdat te verwachten valt dat de gezamenlijke visie van de Europese groene partijen geleidelijk aan politiek belang zal winnen ten opzichte van de nationale verkiezingsprogramma’s. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de Groenen in 2014 een gezamenlijke kandidaat naar voren schuiven voor de opvolging van Commissievoorzitter Barroso of een andere Europese sleutelfiguur.

Met het sterke gezamenlijke project van de Green Deal hebben de Groenen dit jaar het ontbreken van een gezamenlijke kandidaat kunnen maskeren. Maar als we van de Europese verkiezingen een echte strijd om de macht willen maken, zal de strijd niet alleen om programma’s, maar ook om personen moeten draaien. Andere politieke families werken daaraan. De Groenen mogen daarbij niet achterblijven. Laten we ervoor zorgen dat we in 2014 een sterke groene kandidaat hebben voor het ambt van Europees minister van Buitenlandse Zaken (die niet zo mag heten). En laten we eraan werken dat die kandidaat zich kan beroepen op een gezamenlijke groene visie op de mondiale uitdagingen.

Europarlementariër voor GroenLinks.
Alle artikelen
Medewerker van Bureau de Helling.
Alle artikelen