Hoogmoed

Column

Het gebeurt regelmatig dat ik in de trein word aangesproken door wat oudere, vriendelijke dames en heren gekleed in kleurrijke hesjes met het verzoek om mijn ov-kaart te scannen. Dat verzoek wordt meestal tevoren luid aangekondigd: ‘reizigersonderzoek’. Dat is trouwens interessant: de komst van de conducteur wordt zelden aangekondigd met ‘kaartjescontrole’, maar meestal met ‘goede morgen’ of goede middag’. Een mooie illustratie van het inzicht dat de letterlijke betekenis van een talige uiting niet samenvalt met haar beoogd effect: iedereen begrijpt dat hem gevraagd wordt een vervoersbewijs te tonen.

Laatst keek een oudere dame van het reizigersonderzoek mij licht verwijtend aan toen ik haar liet weten mijn kaart niet te willen laten scannen. Zij is blijkbaar gewend dat iedereen, met name de vele jongeren in de trein (ik reis meestal tweede klas), zijn kaart laat scannen. Zij voegde mij toe dat het verzamelen van die informatie ten goede komt aan ons allen: het gaat om het verbeteren van de dienstverlening van de NS. Toch werkte ik niet mee. Ondanks het feit dat ik me van mijn hypocrisie bewust ben (ik ben een fervent Amazon-kindle gebruiker), houd ik er niet van om mijn reisgegevens af te staan. En ik ben op mijn beurt verbaasd over bijna alle anderen die dat wel doen.

Heb ik dan iets te verbergen of vind ik dat de dienstverlening van de NS geen verbetering behoeft? Wat kan er tegen zijn om in grote hoeveelheden de reisgegevens van reizigers te verzamelen? Als ik me afvraag waar mijn weigering vandaan komt, dan moet ik eerlijk toegeven dat mijn ‘dwarsige’ karakter wel een rol zal spelen. Een van mijn mindere karaktereigenschappen bestaat in de neiging om ‘neen’ te zeggen als iedereen ‘ja’ zegt (en omgekeerd); en ik zet me graag af tegen autoriteit (zelfs als het gaat om iemand in een lullig hesje), ook al wordt dat met de jaren minder.

Tegelijkertijd is er ook iets anders aan de hand. Dat eindeloos verzamelen van gegevens roept bij mij een zekere weerstand op. Ik ga ook zelden in op verzoeken om van alles en nog wat te raten of op verzoeken om enquetes in te vullen (‘beste universiteit’, ‘nationale wetenschapsagenda’). Zoals gezegd kan het hier gaan om hoogmoed mijnerzijds: ik stel me boven het gewone volk dat zo dom is overal ‘data’ af te staan of voortdurend online sporen achter te laten. Maar er schuilt mijns inziens ook iets hoogmoedigs in al die ijver overal data te willen verzamelen om die vervolgens te kunnen minen. Het klinkt wel mooi dat die gegevens worden verzameld met het oog op het algemeen belang, bijvoorbeeld inzicht in reizigersgedrag, maar ik ben bang dat achter de dekmantel van het algemeen belang wel degelijk private belangen, van marktpartijen, of staatstoezicht schuil gaan.

Over het algemeen koester ik trouwens een zekere argwaan jegens dat streven naar inzicht, naar ‘waarheid’. Eerdere pogingen van de mensheid om waarheid te bereiken hebben haar niet veel goeds gebracht. Hoogmoedig was het gedrag van Adam en Eva toen zij door te eten van de boom van de kennis van goed en kwaad een status nastreefden die gelijk zou zijn aan die van God. Dat hebben zij geweten: met smart zult gij, vrouw, uw kinderen baren, en in het zweet uws aanschijns zult gij, mens, uw brood verdienen. Kort daarna probeerde de mensheid het opnieuw door een toren te bouwen die tot in de hemel zou reiken. Ook dat heeft de mensheid geweten: God verwarde de taal zodat mensen elkaar niet langer zouden kunnen verstaan; tot wat voor gewelddadige conflicten heeft dat allemaal niet geleid, tot op de dag van vandaag? Daarom is het misschien goed om de hoogmoed van de nieuwe toren van Babel, big data, met een zekere reserve te benaderen: soms is niet-weten een deugd; en hoogmoed komt voor de val.

Hoogleraar rechtsfilosofie in Nijmegen. Oud-lid van de Raad van Advies van Bureau de Helling.
Alle artikelen