Hymnen aan de nacht

Romantiek en revolutie bij Novalis

Hoezeer kunst altijd verweven is met de politieke context waarin zij ontstaat, is goed af te lezen aan de teksten van de vroegromantische dichter Novalis. De romantiek, bekend als een beweging die vlucht voor de harde werkelijkheid door zich terug te trekken in een droomwereld, blijkt bij nader inzien nauw verweven met de Franse Revolutie.

Eens, toen ik bittere tranen vergoot - toen mijn in pijn opgeloste hoop vervloog en ik eenzaam bij de dorre heuvel stond die in een nauwe donkere ruimte de gestalte van mijn leven begroef, eenzaam, zoals nog niemand eenzaam was, gedreven door onuitsprekelijke angst, krachteloos, niet meer dan één ellendige gedachte, - hoe ik daar naar hulp omkeek, en niet voor- of achteruit kon, - en met oneindig verlangen aan het vluchtende, uitgedoofde leven hing - toen kwam uit blauwe vertes, uit de hoogte van mijn oude zaligheid een siddering van ochtendgloren - En in één keer scheurde de band van mijn geboorte, het vehikel van het licht - Weg vloog de aardse heerlijkheid en mijn verdriet met haar. Tegelijk vloeide de weemoed in een nieuwe ondoorgrondelijke wereld  - Jij nachtbegeestering, hemelse sluimer, kwam over mij. De omgeving tekende zich zacht af - boven haar zweefde mijn vrijgekomen nieuwgeboren geest. De heuvel werd een stofwolk en door die wolk zag ik de lichtende trekken van mijn geliefde - In haar ogen rustte de eeuwigheid - ik greep haar handen en de tranen werden een fonkelende, onverbrekelijke verbinding. Duizenden jaren trokken als onweer weg in de verte - aan haar borst huilde ik opgetogen tranen over het nieuwe leven. Dat was de eerste droom in jou. Hij ging voorbij, maar zijn glans bleef: het eeuwige onwankelbare geloof in de nachthemel en zijn zon, de geliefde.

Staande aan het graf van zijn jonge verloofde Sophie en met het doodsbericht van zijn lievelingsbroer Erasmus nog in de oren, wordt de vroegromantische dichter Friedrich von Hardenberg (1772- 1801) op Paasmorgen 1799 midden in zijn vertwijfeling overweldigd door een bevrijdende ervaring van eenheid, waarin zelfs de grens tussen dood en leven wordt opgeheven. Juist door zich af te keren van het leven en het licht en zich over te geven aan nacht en duisternis vindt Von Hardenberg nieuw, gelouterd leven. De nacht met de gestorven geliefde als koningin is voortaan zijn toevluchtsoord en vrijplaats.

De dichter verwijderd zich hier ver, zeer ver van de alledaagse werkelijkheid. Door het overlijden van zijn broer en vooral zijn geliefde heeft hij weinig reden die werkelijkheid te omarmen. Bovendien is in 1799 de politiek hoop dat de Franse Revolutie ook in Duitsland voet aan de grond zal krijgen, vervlogen. Er is geen enkel uitzicht meer op een beter leven. Von Hardenberg troost zich dus met de dood en met de illusie dat zijn droom aan gene zijde verwerkelijkt is.  Dat is de indruk die deze tekst bij eerste lezing wekt. Maar is die indruk terecht? Hoever staan dit gedicht en deze dichter werkelijk af van de politieke context van zijn tijd?

Het persoonlijke is politiek

Om die vraag te kunnen beantwoorden is meer inzicht nodig in de wereld van de vroege romantiek. De schrijversnaam die Von Hardenberg koos en waaronder hij beroemd is geworden verwijst naar zijn nachtgezicht: Novalis – nieuw land. Maar dit nieuwe land was niet alléén het droomland waar dood en leven zich verzoenen, het verwees ook naar de nieuwe politieke wereldorde die hij voor ogen had.

Romanticus zijn vlak na 1789  betekende gegrepen zijn door de droom van de Franse Revolutie, die alle mensen tot gelijkwaardige burgers zou maken. Maar het betekende ook geconfronteerd worden met de werkelijkheid in Duitsland rond 1800. De politieke verbrokkeling en het naast elkaar bestaan van zowel feodale als liberaal-economische productiewijzen maakten de voor de verwerkelijking van de Franse idealen noodzakelijke alliantie tussen volk en burgerij tegen de adel onmogelijk. Novalis en zijn vrienden namen hun toevlucht tot een literaire revolutie: ze uitten hun ideeën in essays, romans en gedichten. Daarbij was stevige kritiek op de Verlichting hen niet vreemd. De romantiek is daardoor – en door haar latere ontwikkeling – bekend geworden als tegenbeweging van die Verlichting, maar de vroege romantici stonden veel dichterbij hun tegenpool dan doorgaans wordt gedacht.

Zij deelden het moderne geloof in het menselijke kunnen: ‘wat de mens wil, dat kan hij’ was een lievelingszin van Novalis. Maar hij wenste deze zin niet te beperken tot het rationele kunnen van de mens. Hij geloofde in de samenhang der dingen en de eenheid van alle levensterreinen. Novalis’ vriend en eerste biograaf Just, zelf een rationalist en pragmaticus, schrijft hierover: “De op zichzelf juiste, alleen in deze algemeenheid niet toepasbare zin 'wat de mens wil, dat kan hij' verleidde hem te geloven, dat zijn Sophie niet kon sterven.” Novalis zelf definieerde het zo: “Wat je werkelijk liefhebt, dat behoud je.” En hij geeft daar in zijn roman Heinrich von Ofterdingen uiting aan in zinnen als: “Ja Mathilde, wir sind ewig, weil wir uns lieben... auch der Tod wird uns nicht trennen.” Deze onvervalst romantische zin staat dus niet haaks op de Verlichting, maar is er in feite een radicalisering van.

De vroege romantici hoopten de droom van vrijheid, gelijkheid en de belofte van de mensheid als één grote familie alsnog te redden door de verhoudingen te ‘romantiseren’. Novalis doelde met die term op een specifieke dialectiek tussen vreemd en eigen: “wanneer ik het gewone een hogere betekenis geef en het alledaagse een geheimzinnig gezicht, wanneer ik het bekende de waardigheid van het onbekende geef en het eindige een oneindig schijnsel, dan romantiseer ik het.” 

Deze methode paste Novalis overal toe: in zijn filosofische en politieke bijdragen en zijn literaire geschriften net zo goed als in zijn persoonlijke leven. Juist die samenhang der dingen is voor hem cruciaal. Na zijn verloving schrijft hij aan een vriend: “mijn lievelingsstudie heet in feite net zo als mijn bruid. Sophie is haar naam. Filosofie is de ziel van mijn leven en de sleutel tot mijn eigenste zelf.” Vanwege deze samenhang heef alles wat Novalis schreef meerdere betekenislagen. Dat geldt ook voor zijn Hymnen aan de nacht, waarin hij zijn mystieke nachtervaring beschreef. Deze hymnen zijn een hoogstpersoonlijk getuigenis over de dood van zijn geliefde en tegelijk een politiek statement. Zijn liefde voor de nacht en haar koningin is zowel een persoonlijke worsteling met zijn verlies als ook een manier om zich teweer te stellen tegen de tijdgeest.

Verlichtingskritiek 

Na de dood van Sophie nam Novalis het besluit haar ‘na te sterven’ en zich van het leven af te keren. Eén van de hymnen draagt de titel ‘doodsverlangen’. In een andere schrijft hij: “ik wend mij af [van het leven, het licht ], naar de heilige, onuitsprekelijk geheimzinnige nacht.” De hymnen beginnen echter met een ode aan het licht, dat bij Novalis zowel voor het dagelijkse, burgerlijke leven staat als voor de idealen van de Verlichte burgers.  Hij prijst het vreugdevolle licht met zijn kleuren en stralen, zijn milde alomtegenwoordigheid en noemt het de ziel van het leven en de koning van de aardse natuur. 

Maar dan wendt hij zich af: in de tweede strofe heerst weemoed en eenzaamheid. De nacht is de plek voor herinneringen en dromen. Vergeefse hoop trekt voorbij als avondnevel, gehuld in grauwe kleren. Hier heerst de angst dat het licht niet zal terugkeren tot hen “die met een onschuldig geloof aan hem hangen”. Maar dat gevoel slaat om. Opnieuw beschrijft Novalis zijn troostende ervaring en spreekt de nacht direct aan: “Balsem dropt uit je hand. De zware vleugels van het gemoed hef jij op. We voelen ons donker en onuitsprekelijk ontroerd.” En even verderop: “hoe arm en kinderlijk lijkt het licht me nu”.

De nacht blijkt in de hymnen de plek voor de ‘dienenden’, een toevluchtsoord voor troostelozen van allerlei pluimage. Hier zijn ze veilig en kunnen zich onttrekken aan de overheersing van het licht, dat hen door de sterren zelfs  ’s nachts nog aan zijn almacht wil herinneren. Hier wordt de toon kritischer en krijgen de hymnen politieke trekken: “moet de morgen altijd komen?”, vraagt Novalis zich af. “Eindigt het aardse geweld nooit?” De dag blijkt het domein van de sterken, die geweld niet schuwen om hun macht uit te oefenen.

Wat in de hymnen poëtische taal blijft, wordt in Novalis’ essay over Europa tot openlijke kritiek op de Verlichting. Het “aardse geweld” blijkt te bestaan uit de tendens alles van zijn vreemde eigenheid te ontdoen en tot gebruiksobject te maken: de natuur, de geschiedenis en uiteindelijk ook andere mensen. Ook de moderne burger, die zichzelf tot autonoom subject uitriep, dreigt object te worden: hij wordt uitgeleverd aan maatschappelijke processen waar hij geen greep meer op heeft, voorziet Novalis. De Verlichting en haar eenzijdig rationele benadering heeft “de oneindige creatieve muziek van het heelal tot het monotone klapperen van een reusachtige molen” gemaakt, “een molen zonder bouwmeester en molenaar en eigenlijk een echt perpetuum mobile, een zichzelf malende molen”. 

Ook Novalis wil dat de mens subject is, maar hij kan dit wat hem betreft pas werkelijk zijn als hij  “de oneindige diepe samenhangen van de gehele wereld” aanvaardt en zichzelf daarin opgenomen ziet. Novalis neemt het op voor het vreemde en onkenbare.  De woonplaats van het ondoordringbare en raadselachtige, dat door de Verlichting is verjaagd, is begrijpelijkerwijs ver van het licht: in de veilige armen van de oneindige nacht. Sterker nog,  in de dood. De dood is de vreemde bij uitstek. De dood is de onbeheersbare, waar ook de Verlichting geen grip op krijgt. Daar ontkomt Novalis aan het uitzichtloze heden. Daar zoekt hij zijn toevlucht, want daar is bovendien zijn geliefde.

Droom en werkelijkheid 

Bevindt het nieuwe land waar Novalis zich naar heeft genoemd nu echt aan gene zijde? Geeft Novalis de dagelijkse werkelijkheid op? Ik betwijfel het. Ook na zijn nachtgezicht heeft hij zich intensief ingezet voor zijn politieke en literaire idealen. Al lijkt het er in sommige teksten op, de verbinding met het hier en nu wordt nooit geheel doorgeknipt: “Het ideaal moet verwerkelijkt worden, dat wat zich buiten de tijd bevindt kan alleen in de tijd werkzaam en zichtbaar zijn”, schrijft hij. Novalis had zijn politieke hoop gesteld op het toenmalige koningspaar van Pruisen, Louise en Friedrich Wilhelm III. Zij zouden republiek en monarchie met elkaar verenigen en bijdragen tot de “opvoeding van alle mensen tot koningen”. Slagen zij niet, dan is wat hem betreft alle hoop op een moderne wereld vervlogen en was “de hemelse verschijning” niets anders dan “mooie muziek van een stervende…” We weten niet of Novalis zich zoals andere romantici in zijn droomwereld zou hebben teruggetrokken toen bleek dat Louise en Friedrich de verwachtingen niet vervulde, of dat hij deze zou hebben opgegeven. Hij stierf slechts enkele jaren na Sophie en zijn broer Erasmus aan dezelfde ziekte als zij: tuberculose.

We weten wel dat Novalis’ banden met het werkelijke, alledaagse leven sterk waren. Als enige van de vroege romantici had hij een volledige baan als ingenieur in de mijnen van Weissenfels. Al van jongs af aan legde hij veel nadruk op een juist evenwicht tussen droom en werkelijkheid: “verval nu niet in het andere extreem”, raadde hij in 1793 zijn broer Erasmus, “dat je het actieve leven, de onbeduidendheid van het alledaagse en de ware praxis van alle filosofie ontvlucht en slechts in aangename dromerijen van je ziel en in gevoelens en voorstellingen leeft die echter niet bestaan omwille van zichzelf, maar alleen vanwege de werkelijke wereld en het ware actieve leven, en tenminste daar hun geldige waarheid aan ontlenen.” (cursivering Novalis) 

Juist de mystieke verschijning van Sophie lijkt Novalis de kracht te hebben gegeven om weer in het werkelijke leven terug te keren. Het begon met het besluit om Sophie in de dood te volgen, maar de nacht wijst hem weer naar het leven terug. In brieven uit deze tijd spreekt hij van een groeiende liefde voor het “nuchtere en werkelijk vooruitstrevende”, hij verloofde zich opnieuw en maakte plannen voor de oprichting van een “literair-republikeinse orde”.

De nacht heeft hem weer tot mens gemaakt, en zijn hart zal trouw blijven aan dit geheim, maar intussen wil hij “graag de vlijtige handen roeren, overal waar jij (het licht) me nodig hebt”, zo schrijft hij in de vierde hymne. Novalis blijft niet in het duister van zijn heilige nacht; hij wil deze uiteindelijk integreren in de lichtwereld. Zijn blik is gericht op het geheel, op het verzoende leven. De laatste morgen breekt aan wanneer “het licht de nacht en de liefde niet meer schuwt”, staat in dezelfde hymne. Het nieuwe land van Novalis is een plek waar het koude rationele licht met haar tendens tot controle en beheersing zich heeft verzoend met de zichzelf overgevende liefde.

De vervulling van deze droom speelt zich bij Novalis af in een andere wereld. Hij schijnt daarmee de politieke realiteit echter niet te willen ontkennen, maar deze er juist aan te willen herinneren dat er niet alleen een klaarlichte dag is, bij welke alles er overzichtelijk en begrijpelijk uit ziet, maar ook een nacht vol dromen, een onbegrijpelijke natuur en een verleden vol beloften. De menselijke geschiedenis wordt niet alleen door het politieke heden bepaald, zij wordt door hoop en herinnering voortbewogen. Maar ook bij Novalis is het heden het moment waarop beide elkaar raken en een nieuwe tijd kan ontstaan.

Gebruikte teksten van Novalis  (verkrijgbaar in verschillende uitgaven):

- Hymnen an die Nacht, 1799-1801
- Heinrich von Ofterdingen
- Briefe
- Glaube und Liebe und Politische Aphorismen, 1798
- Die Christenheit oder Europa, 1799

Alle Duitse citaten van Novalis zijn vertaald door Erica Meijers.

Onderzoeker en docent aan de Protestantse Theologische Universiteit. Oud-hoofdredacteur van tijdschrift de Helling.
Alle artikelen