Kernenergie

De mythe van de renaissance

De laatste tien jaar was de lobby voor kernenergie vrij succesvol, maar na de ramp in Fukushima is het tij gekeerd. Tegenstanders van kernenergie hoeven niet langer uit te leggen waarom ze tegen zijn; de voorstanders moeten aantonen waarom zij voor zijn. Erg sterk staan ze niet, want de enige energiebron die echt bezig is aan een opmars, is duurzame energie.

Rond de millenniumwissel is de term renaissance in opkomst gekomen voor de hernieuwde populariteit van kernenergie. Die populariteit is vooral te verklaren door twee factoren: stijgende olieprijzen door geopolitieke spanningen in het Midden-Oosten en klimaatverandering. Als je de volledige productieketen van uraniummijnen tot afvalopslag in ogenschouw neemt, kun je lang discussiëren over de hoogte van CO2-uitstoot van kerncentrales, maar het is wel algemeen erkend dat kernenergie een lagere CO2-voetafdruk heeft dan kolencentrales of gascentrales. Als klimaatmaatregel werd dan ook sinds 2001 steeds vaker kernenergie bepleit, meestal onder de verhullende terminologie low-carbon strategies om kernenergie in dezelfde categorie te laten vallen als duurzame energiebronnen.

Maar hoe zit het nu echt met die renaissance? Kernenergie is slechts theoretisch in opkomst. Wat gebeurt er namelijk echt in de wereld?

Ten eerste bereikte het aantal reactoren met slechts een toename van twintig ten opzichte van1989 in2002 een record van 444 reactoren, maar is dat inmiddels gedaald tot 437 reactoren in 2011. Als we de zeven ‘tijdelijk’ gesloten reactoren van Duitsland als definitief gesloten beschouwen, komen we zelfs uit op 430 reactoren; bijna weer terug naar het niveau van 1989.

Ten tweede worden er de komende jaren naar verwachting een groot deel van de kerncentrales gesloten. Ooit opende Koningin Elizabeth II in Cumberland, Verenigd Koninkrijk, op 17 oktober 1956 de eerste commerciële kernreactor ter wereld. De koninklijke betrokkenheid liet zien dat kernenergie gelijk stond aan vooruitgang en moderniteit: een moderne vorm van energie die ons minder afhankelijk moest maken van fossiele brandstoffen. De oliecrisis in jaren zeventig betekende de grote sprong van kernenergie. De bouw van nieuwe kernreactoren bereikte een tijdelijk hoogtepunt in 1989 met 424 draaiende reactoren wereldwijd, drie jaar na Tsjernobyl en tien jaar na Three Miles Island.In 1979 toonde de ramp van Three Miles Island al duidelijk aan dat kernenergie geen veilige manier van energie opwekken is, maar voor Europa betekende Tsjernobyl een einde aan de kernenergie-hausse. In Nederland verdwenen de plannen voor drie nieuwe kerncentrales van tafel. In Italië werden alle kerncentrales onmiddellijk gesloten. En in veel andere Europese landen was de bouw van nieuwe centrales voortaan taboe. Kernenergie leek ten einde.

Althans, op termijn. Want het afbouwen van kerncentrales kost tijd. Op dit moment is de gemiddelde leeftijd van alle kernreactoren wereldwijd 26 jaar. Van de intussen gesloten kernreactoren is dat 22 jaar. In Europa staan vooral veel oude kerncentrales die wachten op sluiting, hoewel we net doen of we nog jaren kunnen doorgaan. Zo leidt de bestaande wetgeving in België, die uitgaat van een maximale levensduur van veertig jaar, tot het sluiten van haar zeven reactoren tussen 2014 and 2025. Een wetsvoorstel om deze sluitingen uit te stellen met tien jaar wacht nog op goedkeuring van een nieuw kabinet. In Nederland is de sluiting van Borssele uitgesteld naar 2033, wat neerkomt op zestig jaar operatietijd. Een tijdsduur die nog nooit vertoond is en waarmee Nederland het record van 48 jaar zou verbreken. Van de nu draaiende reactoren is de verwachting dat de komende tien tot vijftien jaar meer dan honderd wegens ouderdom zullen worden gesloten.

Ten derde worden er nauwelijks nieuwe reactoren gebouwd. In de Verenigde Staten wordt er één concreet gebouwd, in Tennessee. Overigens wordt hier al aan gebouwd sinds 1973… En in Europa? In Finland en Frankrijk wordt er concreet gebouwd aan elk één centrale, waarbij Finland in 2005 de primeur had door voor de eerste keer sinds vijftien jaar in Europa weer aan een nieuwe centrale te beginnen. De bouw in Finland ligt nu al vier jaar achter op schema en de kosten zijn ondertussen verdubbeld, waarbij het onduidelijk is wie voor die hogere kosten moet gaan opdraaien. In Frankrijk is de bouw van een nieuwe reactor (Flamanville-3) gestart in 2007, maar ook hier is de bouw al drie jaar vertraagd en zijn de kosten vijftig procent hoger dan geraamd. Formeel zijn er ook vier centrales in aanbouw in Bulgarije en Slowakije, maar in beide landen zijn die constructies in 1989 opgeschort door de politieke veranderingen en de lessen van Tsjernobyl. Beide landen hebben problemen met de herstart door niet-kloppende vergunningen. In andere Europese landen bestaan de plannen op dit moment alleen nog op papier, maar is tot nu toe geen spade in de grond gegaan door problemen met het vinden van financiers.

De enige renaissance van kernenergie die je theoretisch overeind kan houden, vindt plaats in Azië, of beter gezegd China. Daar zijn formeel 27 nieuwe reactoren in aanbouw. Maar Fukushima heeft geleid tot een tijdelijk moratorium op nieuwe aanvragen in China. De Aziatische renaissance heeft op zijn minst een knauw gekregen door Fukushima.

Lobby

Als alle cijfers van kernenergie op een rij zijn gezet, is de enige conclusie dat de renaissance van kernenergie vooral op papier bestaat. Daarmee heeft de kernenergie-industrie wel een succesvolle lobby op haar conto geschreven. Het gevoel is namelijk dat kernenergie aan een opmars bezig is, terwijl alternatieven als wind en zon nog in de marge zitten. Als de opkomst van kernenergie tegenvalt, hoe zit het dan met het in de marge zitten van zon en wind? Ook hier helpt het om naar de cijfers te kijken.

Hierbij is het van belang om te kijken naar de jaarlijkse cijfers nieuwe stroomaansluitingen mondiaal. Waar sinds 1990 kernenergie niet boven de tien GW extra komt, zit windenergie hier al sinds 2005 boven en nadert windenergie in 2010 het getal van vijftig GW extra. Oftewel: windenergie stijgt harder dan kernenergie. Sinds een paar jaar geldt dit ook voor PV (zon).

Dit zijn mondiale cijfers. Voor Europa is de trend nog duidelijker. Van de totale elektriciteitsvraag wordt binnen de EU ongeveer dertig procent opgewekt door kernenergie, waarbij dit gemiddelde vooral zo hoog ligt door Frankrijk (hier is ongeveer 75% van de totale stroomproductie afkomstig van kernenergie). De verwachting voor 2020 is dat dit percentage niet veel zal toenemen, of juist zal afnemen als het effect van Fukushima wordt meegenomen (uitfasering in Duitsland, geen nieuwe centrales in Italië etc.).

Duurzame stroom ligt op dit moment in Europa tussen de vijftien en twintig procent en neemt snel toe. Met name landen als Denemarken (nu al twintig procent windenergie), Spanje (een totaal van 35%, voornamelijk zon en wind) en Duitsland (bijna twintig procent) hebben een snel toenemende duurzame stroomproductie. Deze toename wordt gedeeltelijk veroorzaakt door Europese doelen: in 2020 moet de hele energievoorziening voor twintig procent van duurzame bronnen komen. Maar omdat sectoren als landbouw en transport niet zo snel kunnen groeien, betekent dit vooral een verduurzaming van de Europese stroomproductie. De verwachting van het Europese Milieu-Agentschap is dan ook dat in 2020 35% van de EU-stroomproductie uit duurzame bronnen komt. Kortom: in tien jaar tijd zijn de duurzame bronnen kernenergie voorbij gestreefd.

En als we dan nog eens dertig jaar verder kijken, wordt de situatie voor kernenergie nog een stuk somberder: ongeveer elke maand laat een nieuwe wetenschappelijke studie zien dat de EU in 2050 haar stroom volledig uit duurzame bronnen kan halen. Als daar tenminste politiek voor wordt gekozen. Dat is ook hoe het debat nu moet zijn: het is een politieke keuze of je atoomstroom wilt of duurzame stroom. In Duitsland wordt die discussie op dit moment ook zo gevoerd. Nederland en België lopen in die discussie hopeloos achter.

Niet alleen in absolute hoeveelheden sluit de window of opportunity voor de kernenergie-industrie. Ook in productiekosten zijn de cijfers voor kernenergie hard. Laten we beginnen door naar de bouwkosten van kernenergiecentrales te kijken. Bijna elke energievorm wordt door de jaren heen goedkoper dankzij een leercurve: ervaring en technologische vooruitgang drukt de kosten. Een kostencurve laat dus bijna altijd een dalende trend zien. Bijna altijd, want bij kernenergie is het tegenovergestelde gaande. Kijk naar de Verenigde Staten. Waar de eerste bouw van een kerncentrale kosten kende van ongeveer duizend dollar per te produceren kWh begin jaren zeventig, waren die kosten gestegen naar een niveau van vijfduizend dollar per kWh mid jaren negentig. Een vervijfvoudiging dus van de kosten ondanks de toch flink opgedane ervaring over die 25 jaar. Of neem het andere kernenergieland Frankrijk. Over diezelfde periode van 25 jaar zijn de bouwkosten per opgewekte kWh in Frankrijk meer dan verdrievoudigd. Na Fukushima zullen de aangescherpte veiligheidseisen voor de bouw van kerncentrales leiden tot nog meer kosten. Een minder prettig vooruitzicht voor de kernenergielobby.

En duurzaam? Die bronnen laten klassiek dalende kosten zien dankzij de leercurves. De prognoses voor 2020 zijn dan ook positief: wind op land zal in totale kosten rond de twee euro per kWh gaan liggen aldus de Performance and Innovation Unit van de Britse regering. Wind op zee zal iets duurder zijn door de hogere installeringskosten, alhoewel dit weer deels gecompenseerd wordt door beter energie-efficiency. Volgens dezelfde bron van de Britse regering maximaal drie euro per opgewekte kWh. En kernenergie? In de opwekking komt kernenergie neer op drie tot vier euro per kWh. Wind op land en op zee zon zijn dus aanzienlijk goedkoper.

Zonne-energie zal in 2020 nog wel duurder zijn, maar dan kijken we alleen naar de totale directe kosten. En daar heeft kernenergie nog een nadeel. Ten eerste is er geen verzekeringsmaatschappij die garant staat voor honderd procent van de mogelijke kosten als het misgaat. Oftewel: de overheid neemt een groot deel van die verantwoordelijkheid voor de bouw van een kerncentrale op zich. En ook het opruimen van een oude gesloten kerncentrale (decommissioning) is tot nu toe nog nooit mogelijk geweest zonder financiële steun van de overheid. De meeste ervaring heeft het Verenigd Koninkrijk, waar tot nu toe de overheid telkens moest bijspringen omdat de kosten hoger uitvielen en/of het einde van de centrale eerder was dan voorzien.

Deze indirecte kosten maken het toekomstplaatje voor kernenergie nog somberder, helemaal omdat het probleem van kernafval tot nu toe totaal niet belicht is in dit stuk. Met al deze feiten op een rij wordt het wel duidelijk waarom de kernenergielobby erg zenuwachtig wordt naarmate die window of opportunity snel sluit.

Toys for boys

Blijven we met één vraag zitten: waarom wordt er zo intensief gelobbyd voor kernenergie? Het is natuurlijk gissen, maar er is wel enige verklaring voor te geven. Belangrijkste reden is de voorspelbaarheid van kernenergie, als de centrale eenmaal draait. De operator weet precies hoeveel stroom hij per dag zal leveren, wat een stabiele situatie oplevert, zowel qua productiehoeveelheid als qua prijs. Een bedrijf dat gewend is aan gecentraliseerde stabiel draaiende kolencentrales is dus snel geneigd om over te stappen op kernenergie. En jawel; zie daar de verklaring dat dezelfde grote spelers die nadenken over kernenergie degenen zijn die nu de elektriciteitsmarkt beheersen. In die zin is kernenergie een continuering voor dezelfde marktpartijen.

Duurzame energie gaat om veel meer productie-eenheden die afhankelijk zijn van meteorologische omstandigheden die veel minder goed in te plannen zijn.Maar nietonmogelijk als je goed investeert in een bredere infrastructuur en goed nadenkt over opslagcapaciteiten, bijvoorbeeld met bestaande waterkrachtcentrales. En zeker niet onmogelijk als je nu investeert in centrales die de fluctuaties van duurzame bronnen goed kunnen opvangen, zoals beter regelbare gascentrales. Het vergt echter wel een cultuurverandering in bestaande energiebedrijven. Gemakzucht is dus zeker ook een factor in dit spel.

Daarnaast speelt natuurlijk de angst voor meer spelers op de markt ook een belangrijke rol. De RWE’s en Vattenfall’s van deze wereld investeren veel liever in een paar grote centrales die ze zelf in bezit hebben, dan dat ze vele kleinere molens en zonnecellen in de handen geven van veel kleine producenten, veelal gewone huizenbezitters die hun eigen energie kunnen opwekken. Tel daarbij nog op het toys for boys-gevoel dat onmiskenbaar ook een rol speelt en de kernenergielobby is grotendeels verklaard.

Graag geeft die lobby het gevoel dat we aan de vooravond van een nieuwe kernenergiedoorbraak staan ten opzichte van een kleinschalige, romantisch maar weinig zoden aan de dijk zettende duurzame energie-concurrent. Die lobby is de laatste tien jaar redelijk effectief geweest. Maar Fukushima heeft de rollen weer omgedraaid: nu moet de kernenergielobby weer aantonen waarom zij toch voor kernenergie zijn in plaats van dat de tegenstanders moeten uitleggen waarom ze tegen zijn. Met een snel sluitende window of opportunity voor kernenergie kan Fukushima daarmee de nekslag zijn voor kernenergie.Maar niet getreurd: de echte duurzame alternatieven nemen die plek in de energiemix graag in. Nu nog politici die dat inzien.

Delegatieleider van GroenLinks in het Europees Parlement.
Alle artikelen