Kleur

Column

Lady Justice. Foto door Scott. CC BY-NC-SA 2.0

Soms zeg ik wel eens dat ik een lezend bestaan leid. Aan weinig andere activiteiten besteed ik zo veel tijd als aan lezen. En wat dat lezen betreft ben ik een omnivoor: ik lees alles, waarbij vroeger de nadruk lag op academische, doorwrochte stukken (ik ben dol op ‘Suhrkamp’-jes, de publicaties van een van de grootste Duitse uitgevers in filosofie en sociologie) en tegenwoordig op vooral hedendaagse literatuur. Uiteraard lees ik ook de nodige tijdschriften. Een daarvan is hier wel het vermelden waard: Mr., Magazine voor juristen.

Aangezien ik op een juridische faculteit werk, behoor ik tot degenen die dit glossy maandblad maandelijks gratis ontvangen. In Mr. staat de jurist centraal (‘wie is de beste op zijn vakgebied?’; ‘welk kantoor is het beste?’). Daarnaast besteedt het aandacht aan ontwikkelingen binnen het vakgebied zoals juridische overnames en de voors en tegens van referenda.

Er komen typisch ‘glossy’ onderwerpen aan de orde, zoals een bespreking van de favoriete auto (type Bentley, Jaguar) van een van de ‘maten’ van bijvoorbeeld een Zuidaskantoor – in de juristerij wordt door sommigen heel behoorlijk verdiend – en de rubriek ‘netwerken’. Daarin staan de kiekjes afgedrukt die een Mr.-fotograaf maakte tijdens de vele borrels na afloop van een juridisch congresje of vergaderingetje. Altijd leuk om te kijken wie je kent, en wie zich met wie op de foto heeft laten zetten.

Natuurlijk is Mr. geen diepgravend juridisch tijdschrift en die pretentie heeft het ook helemaal niet. Maar toch geeft Mr. ons wel degelijk een inkijkje in de juristenwereld. Op de omslagen van de laatste nummers kijken ons veelal witte mannen, bijna allemaal in pak, en witte vrouwen aan. Incidenteel duikt er in de rubriek ‘netwerken’ wel eens een kleurige jurist op, maar de grote meerderheid van degenen die in Mr. Worden afgebeeld, is autochtoon, man en wit.

Is dat erg? Tot voor kort dacht ik eigenlijk van niet; ik ken immers veel juristen als integere mensen met een brede belangstelling (mijn favoriete rubriek in Mr. is die waarin deze of gene jurist de romans bespreekt die op zijn nachtkastje liggen) die een goede rechtsbedeling beogen. Maar onlangs ben ik aan het twijfelen geslagen. Misschien is het toch niet zo onschuldig dat een etnisch tamelijk homogeen gilde van juristen – dat zichzelf bovendien grotendeels in stand houdt door coöptatie – verantwoordelijk is voor de Nederlandse rechtsbedeling.

Nu doel ik er natuurlijk niet op dat alle rechters D66’ers zouden zijn. Ik weet dat dat niet zo is. Ik doel op een wat mij betreft tamelijk choquerend recent artikel in de Groene Amsterdammer over hedendaags racisme. Ik weet wel dat het bij sollicitaties of bij het zoeken naar een huurwoning uitmaakt welke achternaam je draagt. Maar ik wist niet dat de ‘etnische’ samenstelling van de schooltypes binnen het middelbaar onderwijs tussen 2003 en 2016 nauwelijks is veranderd. Havo en VWO worden nog steeds grotendeels bevolkt door kinderen zonder migratieachtergrond.

Geen wonder dus dat de juristenstand zo weinig kleur kent. Bovendien blijken inderdaad migrantenkinderen die wel doorstromen naar de universiteit, moeilijk aan een mooie juridische baan te komen. Rechtenstudent Samir vertelt ons in datzelfde artikel dat hij met een uitstekend cv veel moeilijker aan zo’n baan komt dan de Willemijntjes met hun zesjes. Soort zoekt soort, zullen we maar zeggen?

Nogmaals: is dat erg? Zolang er maar op onafhankelijke en onpartijdige manier recht wordt verkregen en gesproken, lijkt er niets aan de hand. Maar toch: een beroemde Engelse juridische uitspraak stelt dat het recht niet alleen ‘gedaan moet worden’, maar ook als zodanig moet ‘worden gezien’. Belangrijk is dat iedereen zich in de juristenstand kan herkennen. Juist daarom is kleur, ook onder juristen, een belangrijke zaak.

Deze column staat in het herfstnummer van tijdschrift de Helling. Klik hier om je te abonneren.

Hoogleraar rechtsfilosofie in Nijmegen. Oud-lid van de Raad van Advies van Bureau de Helling.
Alle artikelen