Kritiek 3: Hoe doe je vrijheid?

Wat heeft het wetenschappelijke bureau van Groenlinks bezield om een bundel te schrijven waarin de vrijheid wordt bejubeld? Iedereen is in principe voor vrijheid. Pas in de praktijk doen zich pijnlijke keuzes voor en daar gaat het boek niet op in.

Iedereen, van Balkenende, Hirsi Ali en Wilders tot en met Marijnissen werpt zich tegenwoordig op als verdediger van de vrijheid. Liberalen verdedigen de vrijheid van de markt en de consument; fiere Verlichters verdedigen het vrije Westen; christelijk rechts verdedigt de vrijheid van onderwijs; orthodoxe moslims staan pal voor hun vrijheid van godsdienst; socialisten willen iedereen bevrijden van armoede. En Veronica staat op de bres voor de vrijheid om ‘deze zomer gewoon jezelf te zijn’.

Wat heeft het wetenschappelijke bureau van Groenlinks bezield om zich middels de bundel Vrijheid als ideaal aan te melden voor dit jubelkoor? Was dat vrije keuze? Of voelde ze zich daartoe gedwongen – je hebt momenteel immers alleen spreekrecht als je je mening kunt verpakken als een verdediging van vrijheid.

Wanneer mensen met hevig conflicterende opvattingen allemaal de vrijheid verdedigen, is het waarschijnlijk dat iedereen er iets anders onder verstaat. Een links verhaal over vrijheid zou ons moeten helpen bepalen wanneer welke vrijheidsclaim gerechtvaardigd is, welke niet, en waarom. De schrijvers van dit verhaal kunnen putten uit een rijke traditie. Isaiah Berlin onderscheidde in 1958 (onder de enigszins misleidende noemer positieve versus negatieve vrijheid) een drietal begrippenparen die de spanning tussen verschillende vrijheidsidealen helpen begrijpen. Ten eerste: formele vrijheid – dat niemand  je tegenhoudt om te leren, bijvoorbeeld – versus effectieve vrijheid – dat je ook werkelijk de mogelijkheid hebt om dat te doen. Ten tweede wijst Berlin op de tegenstelling Veronica-vrijheid versus autonomie: tussen vrijheid in de betekenis van doen wat je wilt, versus doen wat je zou willen als je autonoom was. Autonomie betekent dan: redelijk, met voldoende kennis, en niet onder invloed van irrationele emoties, driften en begeerten. Ten derde staat vrijheid in de betekenis van politieke participatie op gespannen voet met de vrijheid om gevrijwaard te zijn van politiek (je kunnen terugtrekken in de privé-sfeer of je eigen belangen kunnen najagen op de markt).

Spelletje

Al die soms tegengestelde opvattingen van vrijheid hebben wel iets aantrekkelijks. Ooit iemand ontmoet die boos werd van de gedachte dat mensen hun leven zo veel mogelijk moeten kunnen vorm geven naar eigen inzicht, die explodeerde bij de uitspraak dat diversiteit een mooi ding is? Of die vindt dat intolerant dogmatisme of fundamentalisme de grootste vrienden van de vrijheid zijn? Kent U iemand die vindt dat je alleen maar mens bent wanneer je voortdurend met de politiek bezig bent? Of die omgekeerd vindt dat het “hartstikke oké” is wanneer grote groepen mensen zich geheel afwenden van de politiek?

 Als er voor al die opvattingen van vrijheid wel iets te zeggen valt, dan is het de vraag of er in de huidige omstandigheden nog wel een algemeen ideologisch debat over vrijheid gevoerd kan worden. Dat zou veronderstellen dat we op zoek zijn naar een algemeen antwoord op de vraag welk van de genoemde vrijheidsopvattingen altijd de voorrang zou moeten krijgen.

Vroeger hadden rechts en links daar uitgesproken heldere ideeën over. Van oudsher hamerde links op de effectieve vrijheid (sociaal-economische rechten) en rechts op de formele vrijheid (politieke rechten, rechtsstaat) – door links veelal snerend afgedaan als ‘burgerlijke’ vrijheid. Van oudsher was Veronica-vrijheid voor (markt-georiënteerd) rechts voldoende, terwijl dit type vrijheid voor links juist lange tijd het probleem was. Arbeiders kwamen niet in opstand tegen hun onvrijheid maar gedroegen zich als ‘gelukkige slaven’, en dat zijn  – in de woorden van de beroemde graffiti-spuiter uit mei 1968 – ‘de grootste vijanden van de vrijheid’. Deze arbeiders waren Veronica-vrij, maar niet autonoom, en moesten daarom door links bevrijd worden. Desnoods met harde hand, voor hun eigen bestwil. En tenslotte: links vindt politieke participatie van oudsher belangrijker dan de vrijheid je daarvan af te sluiten. Rechts hechtte daarentegen meer aan de vrijheid om lekker op de markt te rommelen of thuis een spelletje te doen.

Hoofddoek

Waar vroeger misschien nog sprake was van een boedelscheiding tussen links en rechts, daar eist links nu gewoon alle opvattingen voor zichzelf op, zo blijkt uit de bijdragen in de bundel. Links is niet meer alleen de natuurlijke verdediger van de aloude linkse vrijheidsopvattingen, maar ook nog van de oude rechtse. Maar wie zich positioneert als verdediger van de hele vrijheid, impliceert dat anderen daarvan wel een bedreiging moeten zijn. Volgens inleider Bart Snels verschillen links en rechts fundamenteel van mening over de ‘condities voor vrijheid’. De rechtsstaat zou tegenwoordig alleen bij links in veilige handen zijn. Maar is het werkelijk geloofwaardig dat rechtse mensen maling hebben aan de klassieke grondrechten? Zelfs als het waar is dat zij vooral hameren op de noodzaak van veiligheid, is veiligheid dan niet ook een klassiek grondrecht, en een belangrijke voorwaarde voor effectieve vrijheid. (Uit onderzoek blijkt dat veel mensen zich door extra politie op straat vrijer, want veiliger, voelen.)

En natuurlijk is het heel links om je te verzetten tegen reactionaire nationalisten die patriottisch hameren op integratie in de Nederlandse gemeenschap en cultuur. Maar hoeveel stelt dat meningsverschil voor wanneer die Nederlandse gemeenschap en cultuur bij enig doorvragen altijd weer wordt uitgelegd als de liberale rechtstaat, waar links toch ook juist zo voor is? En zou rechts werkelijk tegen hoofddoeken zijn, of alleen maar tegen de dwang om zo’n hoofddoek te dragen? Het is gemakkelijk om tegen rechtse xenofobie te zijn, maar hoeveel mensen ter rechterzijde van het politieke spectrum zouden zichzelf als zodanig aanmerken? Natuurlijk, links is tegen assimilatie en voor integratie. Alleen is nooit duidelijk waar de grens tussen beide ligt. En links is natuurlijk tegen gemeenschappelijke normen en waarden en voor tolerantie en pluralisme, maar wat nu als die laatste twee behoren tot die gemeenschappelijke normen en waarden? Kortom, door de vrijheid in al zijn facetten voor links op te eisen, suggereert links ten onrechte dat rechts tegen de vrijheid is. De stukken in de bundel gaan nu vooral over de algemene spelregels voor maatschappelijke omgang en debat. De bundel lijdt met andere woorden onder een verwarring tussen democratische en linkse politiek.

Kwetsend

Dit betekent niet dat er vanuit links perspectief geen zinnige dingen over vrijheid kunnen worden gezegd. Als de woorden hun onderscheidende vermogen hebben verloren, komt het erop aan naar de daden te kijken. De vraag is niet: wat is vrijheid? maar: hoe doe je vrijheid? Die laatste vraag is veel ingewikkelder omdat zich in de praktijk allerlei spanningen voordoen tussen de verschillende aspecten van vrijheid die in abstracto allemaal heel aantrekkelijk waren. Iedereen vindt tolerantie prachtig. Probleem is alleen dat iedereen ook vindt dat niet alles moet worden getolereerd. De vraag is dus: wat wel en wat niet? Andere kwestie: moeten we tegen de leerplicht zijn omdat deze de formele vrijheid beperkt van ouders die toch heus mondig genoeg zijn om zelf te bepalen wat goed is voor hun kinderen? Of moeten we voor de leerplicht zijn omdat deze de effectieve vrijheid van de kinderen bevordert? Wanneer is het legitiem de vrijheid van een bepaalde groep burgers te beperken om die van een andere groep te beschermen? Als een vrouw zich schikt in een ondergeschikte rol, hoe bepaal je dan of zij dat vrijwillig doet? Welke vaardigheden moeten mensen hebben om in een pluralistische, dynamische samenleving om te gaan met meningen en gedragingen van anderen die als zeer kwetsend kunnen worden ervaren? En mag de overheid mensen dwingen zich die vaardigheden eigen te maken? Bevordert zij daarmee de vrijheid, of pleegt zij daarop dan een inbreuk?

Links en rechts verschillen nauwelijks qua ideaal. Links en rechts kunnen zich wel van elkaar onderscheiden in de pijnlijke keuzes tussen de verschillende aspecten van vrijheid. Daarvoor volstaat het echter niet de vrijheid in algemene bewoordingen te vieren, daarvoor moet je de dilemma’s opzoeken. Een goed voorbeeld is het stuk van Baukje Prins in de bundel, waarin zij ervoor pleit het gesprek op te zoeken met slachtoffers die zelf niet zien hoezeer ze onderdrukt worden. Dat is een duidelijke stellingname in een tijd waarin links vooral bang is om over anderen te moraliseren. In de bundel als geheel wordt echter veel te weinig geworsteld met zulke praktische conflicten. Een wetenschappelijk bureau heeft de taak de kritische reflectie op het gedachtegoed van een partij te stimuleren, opdat dat gedachtegoed sterker en interessanter wordt. Deze bundel nodigt echter vooral uit tot het zich wentelen in eigen, te gemakkelijk gelijk. Een gemiste kans.

Hoogleraar techniekfilosofie aan de Universiteit Maastricht.
Alle artikelen
Hoogleraar Burgerschap en Humanisering van de Publieke Sector aan de Universiteit voor Humanistiek.
Alle artikelen