"Kunst is geen middel"

GroenLinks-wethouders over kunst en cultuur

Bestaat er een GroenLinks-beleid wat betreft kunst en cultuur? Het verkiezingsprogramma spreekt in algemene termen over een open, pluriforme cultuur. GroenLinks wil meer ruimte voor creatievelingen en hun experimenten. Hoe pakt dat uit in de praktijk?

Op een grijze novemberavond ontmoeten drie GroenLinks-wethouders met cultuur in hun portefeuille elkaar rondom een pan met boerenkool: Gerrit Berkelder uit Deventer, Wilbert Willems uit Breda en Cees van Eijk uit Utrecht. Orhan Kaya uit Rotterdam reageert per telefoon op zijn collega's.

Ik hoop op een spannend gesprek, want hoewel van dezelfde partij, zijn de wethouders elkaars concurrenten: Utrecht en Breda zijn beide in de race om in 2018 culturele hoofdstad te worden. In het Zuiden is ondermeer daartoe de Brabantstad gelanceerd, een samenwerkingsverband van de vijf grote steden en de provincie in die regio. Met een eigen filmfestival in 2009 en culturele speerpunten als audiovisuele kunst en grafische vormgeving timmert Breda aan de weg. Rotterdam profileert zich als dé popstad van Nederland. In Deventer is het allemaal wat kleinschaliger, maar niet minder levendig. De wethouders willen graag meer aandacht voor kunst en cultuurbeleid binnen GroenLinks, want daar schort het nu wel aan. Cees van Eijk: “het is binnen GroenLinks voor veel mensen niet duidelijk wat kunst en cultuur bijdraagt aan enerzijds onze groene en anderzijds onze sociale agenda.” Willems: “Feit is dat er weinig ondersteuning is vanuit de partij op het punt van cultuurpolitiek. Ik moet het zelf bedenken.”

Met dat laatste hebben de drie wethouders echter weinig moeite. Met groot enthousiasme praten ze over hun talloze projecten. De fles wijn die op tafel komt om de boerenkool op te vrolijken is aan het eind van de maaltijd nog halfvol, want na dit gesprek wacht nog werk. Maar wijn hebben deze wethouders niet nodig om op dreef te komen. 

Geld

Gerrit Berkelder is drie jaar wethouder in Deventer, sinds de laatste verkiezingen in een college met  PvdA (2), VVD (1), GroenLinks (1) en CDA (1). Cultuur leeft in Deventer, vertelt hij. Kunstenaars en culturele groepen barsten van de ideeën en er is veel onderlinge samenwerking. Berkelder heeft  twee groepen aan elkaar gekoppeld die traditioneel weinig met elkaar op hebben in een project onder de noemer 'cultuur en economie'. Het is begonnen met een simpele opdracht aan kunstenaars om de feestverlichting te maken waarmee de winkeliers elk jaar de straten versieren. Maar het gaat om meer: “Het is voor het bedrijfsleven belangrijk om te investeren in denkkracht. Kunstenaars en mensen uit de cultuursector kunnen impuls geven aan innovatie”, aldus Berkelder. Hij heeft succes: ondernemers zijn inmiddels actief in de besturen van de schouwburg en het muziekcentrum. Hun geld is welkom, aangezien zij geen invloed willen uitoefenen op de programmering. De samenwerking blijkt vruchtbaar: ze versterkt een sector die weliswaar bloeit, maar toch heel kwetsbaar is omdat er van alles maar één is: één schouwburg, één jeugdpoppodium enzovoort. Veel draait op vrijwilligers. Berkelder wil de culturele sector zoveel mogelijk op eigen benen laten staan; want wanneer ze voldoende eigen vermogen opbouwt, ontstaat ook de vrijheid om activiteiten te ontplooien.

Berkelders collega's zetten eveneens in op het versterken van de culturele sector. Ook in Breda wordt gebruik gemaakt van het feit dat het bedrijfsleven baat heeft bij kunst en cultuur in de stad omdat dit bijdraagt aan het investeringsklimaat. Een schenking van een miljoen door een projectontwikkelaar voor de ontwikkeling van cultuur in de omgeving van het spoor, is welkom wat betreft Wilbert Willems. Sinds april 2006 is hij wethouder in een college met de PvdA (2), CDA (2) en een lokale partij Breda ‘97.

Vrees voor een te grote greep van het bedrijfsleven op de kunsten hebben de wethouders niet; zij juichen een zo groot mogelijke financiële zelfstandigheid van culturele instellingen juist toe. Orhan Kaya, enige GroenLinks-wethouder in een college met de PvdA (3), CDA (2) en VVD (2) ziet graag maatschappelijke betrokkenheid vanuit het bedrijfsleven. Willems heeft geen bezwaar tegen een zekere marktwerking in de culturele sector, zolang de toegankelijkheid er niet onder lijdt. Cees van Eijk, sinds een jaar wethouder in Utrecht in een college van PvdA (3), GroenLinks (2), CDA (1) en ChristenUnie (2) onderschrijft dit. “Marktwerking op zichzelf is niet vies”, zegt hij, “Het gaat erom wat je er precies mee bedoelt. Wanneer je het over toepassing van het profijtbeginsel in de culturele sector hebt, dan kan dat wat mij betreft alleen via de toegangskaartjes en daarmee bedoel ik dan het maken van winst door het aanbieden van speciale arrangementen, het invoeren van verschillende rangen etc.” In Utrecht is er veel cultureel potentieel: er is een hoogopgeleid publiek en er zijn veel kunstopleidingen in de stad die jong talent afleveren. Anders dan in Deventer is de culturele sector in Utrecht geprofessionaliseerd, maar Van Eijk spreekt wel van “kwetsbaar professioneel”. Veel mensen bevinden zich op de rand van CAO's en door de professionele organisatie zijn er weinig vrijwilligers die eventuele gaten kunnen opvangen. Van Eijk wil in Utrecht het “cultureel ondernemerschap” bevorderen. Met Berkelder en Willems zet hij in op het stimuleren van de vrije uitoefening van kunst met zo min mogelijk subsidie en zoveel mogelijk eigen geld. “Het is wel steeds weer de vraag wat je aan de markt overlaat en waar je subsidieert”, aldus Van Eijk. Willems vult dit aan met een voorbeeld uit Breda: “De gemeenteraad wil een poppentheater subsidiëren, maar ik ben daar tegen. Dat soort kunst kan zichzelf gemakkelijk bedruipen door optredens op feesten en partijen.” “Inderdaad”, reageert Van Eijk, “Cultuur mag natuurlijk geen werkgelegenheidsproject zijn. Je subsidieert de doelgroep, niet de makers.” Maar al is het soms lastig in de (politieke) praktijk, de wethouders zijn het wel eens over het criterium aan de hand waarvan je besluit wie je subsidieert en wie niet, namelijk een bijdrage aan een zo groot mogelijke participatie en toegankelijkheid. Als die in het gevaar komt, is subsidie nodig.

Broedplaatsen

De combinatie van het bevorderen van brede toegankelijkheid en “cultureel ondernemerschap” betekent voor de wethouders ook ruimte scheppen voor kunstenaars die buiten de grote stedelijke instellingen opereren en daardoor ander publiek aantrekken. Ze willen breken met een institutionele benadering van stedelijke kunst en cultuur. De gemeentelijke kunstinstituten zoals musea en schouwburgen krijgen verhoudingsgewijs een groot deel van het cultuurbudget. Soms vallen hier ook de bibliotheken onder. In Utrecht gaat er bovendien veel geld naar 'steen': het onderhoud van gebouwen met een culturele functie. Deze traditionele cultuurtempels slokken met elkaar het leeuwendeel van het geld op.

Wilbert Willems probeert de vanzelfsprekendheid hiervan ter discussie te stellen. Hij verdeelt het geld via inhoudelijke lijnen, zodat vastgeroeste gewoontes wat worden opgeschud. Wie geen plan opstelt, krijgt niet vanzelf grote sommen. In Deventer probeert men het museum meer bij de stad te betrekken door de VVV in het gebouw te vestigen, zodat het museum gaat fungeren als een stadspodium. Van Eijk wil dat de instituten hun grote kennis delen met anderen, zodat zij meer onderdeel worden van het culturele leven in de stad. Het vernieuwen van de culturele instituten zien de GroenLinks-wethouders als hun opgave, al gaat het vaak niet gemakkelijk.

Willems biedt bijvoorbeeld ruimte aan net beginnende kunstenaars die van de HBO-opleidingen in de stad afkomstig zijn. Vaak verlaten zij Breda, maar Willems wil hun artistieke talent graag voor de stad behouden en ondersteunt in het oude postkantoor en leegstaande bedrijven en kantoren kleine ateliers voor deze starters. Dit soort broedplaatsen voor jonge kunstenaars vragen veel tijd en energie, maar de GroenLinks-wethouders zijn meer geïnteresseerd in dit soort projecten dan in het in stand houden van de grote cultuurmolochen. Kaya probeert in Rotterdam de sfeer van 'ons kent ons' in de gevestigde culturele instituten te doorbreken door ze aan te moedigen talent te zoeken in kringen die traditioneel niet vanzelfsprekend zijn, zoals migrantenmilieus.

Volgens Willems onderscheidt GroenLinks zich hier van andere partijen zoals bijvoorbeeld het CDA, dat denkt in termen van instituten. Door het alternatieve en activistische verleden van GroenLinks leggen politieke vertegenwoordigers van deze partij gemakkelijker contact met kunstenaars buiten de traditionele subsidiekanalen. Ze gaan meer het veld in en kunnen beter overweg met onconventionele kunstenaars en 'culturele ondernemers'.

Middel of doel

Betekent dit ook dat de wethouders een voorkeur hebben voor geëngageerde kunst? Ze doen veel aan het trekken van nieuw publiek. In Deventer worden tegenwoordig ook Turkse inwoners in de schouwburg gezien, dankzij een op hen afgestemde programmering. De wethouders zijn dol op kruisbestuivingen tussen verschillende groepen. Cees van Eijk: “cultuur is nu vaak teveel een eiland. Het gaat alleen over genieten, terwijl het ook te maken heeft met onderwerpen als emancipatie en diversiteit. Om die reden is de brede toegankelijkheid ook van zo groot belang.” Er liggen tal van verbindingen met andere beleidsterreinen: cultuur en stadpromotie, cultuur en economie, cultuur en toerisme en cultuur en de sociale cohesie in de stad. Orhan Kaya is van de wethouders het meest uitgesproken als het gaat om de maatschappelijke betrokkenheid van kunstenaars. Het cultuurbeleid in Rotterdam steunt op drie pijlers: cultuureducatie, participatie en internationalisering. Kaya doet er alles aan om kunstenaars en culturele instellingen bij de stad te betrekken. “Bij veel kleine initiatieven zit dat er al vanzelf in”, vertelt hij, “zij zorgen er wel voor dat de stad bruist. Bij de grote instituten moet je het op de agenda zetten. Maar ook de elite heeft een verantwoordelijkheid voor de stad, net als het bedrijfsleven. Dat mag je van iedereen vragen.” Kaya heeft voor elkaar gekregen dat leden van het Rotterdams Philharmonisch Orkest betrokken raken bij muzieklessen in wijken. Hij heeft er plezier in om keurig in het pak bij een galadiner aan te schuiven en daar dan te vragen: wat is jullie bijdrage aan de culturele potentie in de oude wijken? “Het versterken van de relaties tussen amateurs en professionals, hoge en lage cultuur draagt enorm bij aan de binding in de stad. En dat vind ik typisch GroenLinks.”

Mag hieraan de conclusie worden verbonden dat kunst een manier is om bijvoorbeeld de sociale samenhang in de stad te bevorderen? Berkelder, Van Eijk en Willems wijzen dit alledrie met grote stelligheid af. Ze blijken hierin opvallend eensgezind: kunst en cultuur mag nooit ingezet worden als middel. “Kunst vertegenwoordigt de emotionele kant van het leven”, legt Willems uit, “en daarom draagt ze ook bij aan participatie en het sociale leven in een stad. Maar dat is iets anders dan bewust kunst inzetten als middel om binding tussen de bevolking te bewerkstelligen.” Een wethouder sociale zaken mag dat wel, maar een cultuurwethouder niet, vinden ook van Eijk en Berkelder. Die heeft als taak kunst en cultuur als zodanig te bevorderen en te versterken. Hoezeer een wethouder zich er ook van bewust is dat cultuur bijdraagt aan het investeringsklimaat, het toerisme en de sociale samenhang, toch mag dat niet zijn doel zijn. Kunst is geen middel, maar een waarde in zichzelf. “Een wethouder mag niet van een kunstenaar eisen dat hij geëngageerde kunst maakt, hoe mooi hij dat zelf ook vindt.” Orhan Kaya staat wat anders in deze discussie; de angst voor instrumentalisering van kunst vindt hij overdreven. “Als bestuurder mag je van iedereen vragen dat hij zich inzet voor de stad, ook van kunstenaars. Die zijn daar overigens het best in.”

Hoewel de wethouders weinig overleg met elkaar plegen, blijken ze op veel punten hetzelfde beleid te voeren. Echt spannend werd het gesprek niet. Alle vier willen ze het cultuurdebat oprakelen en de culturele sector versterken. Allevier hebben ze een ondogmatische houding ten opzichte van marktwerking en financiering van kunst door het bedrijfsleven, zolang de brede toegankelijkheid van kunst is gewaarborgd of liefst wordt vergroot. Allevier zetten in op vernieuwing en kruisbestuiving, wat betekent dat zij buiten de paden van de gemeentelijke instituten gaan en ruimte scheppen voor nieuw talent en kunst 'op straat'. Het was jammer dat Kaya niet direct met zijn collega's in discussie kon gaan over de vraag of kunst een doel in zichzelf is, of een middel tot versterking van de sociale binding in de stad. Toch heb ik het vermoeden dat het onderscheid op dit punt in de praktijk van het beleid weinig verschil maakt. Het lijkt er op dat er wel degelijk een typische GroenLinks-benadering van kunst en cultuur bestaat. De partij zou daar meer mee aan de weg mogen timmeren.

Onderzoeker en docent aan de Protestantse Theologische Universiteit. Oud-hoofdredacteur van tijdschrift de Helling.
Alle artikelen