Kunst niet langer heilig

Instellingen moeten 'het volk' tegemoet komen

Kunst is niet langer heilig. De cultuursector moet het volk tegemoet komen, anders is ze straks al haar legitimatie kwijt.

De dagbladen schreven er kolommen over vol. De cultuursectoren in de twee grootste steden van Nederland waren het afgelopen jaar in rep en roer. De gevestigde kunstinstellingen verzetten zich namelijk tegen de plannen van wethouder Hannah Belliot in Amsterdam en wethouder Stefan Hulman in Rotterdam.

In de aanloop van de vierjaarlijkse dans om de structurele subsidies, waarvoor de kunstinstellingen dit najaar hun plannen moeten indienen, presenteerde cultuurwethouder Belliot dit voorjaar haar ‘Lange-termijn visie 2015’ voor Amsterdam. Belliot constateert een snel veranderende samenstelling van de stadsbevolking, een vervaging van grenzen tussen de uiteenlopende artistieke disciplines, globalisering, commercialisering van het aanbod en een invloed van nieuwe culturen. Deze ontwikkelingen maken volgens haar een cultuurbeleid noodzakelijk dat in wezen twee uitgangspunten heeft. In de eerste plaats wil Belliot dat het cultuuraanbod meer rekening houdt met de vraag, waardoor de participatie van de bevolking toeneemt. Daarnaast is zij van mening dat het kunstbeleid minder geïsoleerd ontwikkeld moet worden en een grotere bijdrage moet leveren aan bijvoorbeeld economie, educatie en sociale cohesie.

In Rotterdam stelde cultuurwethouder Hulman een herstructurering van de cultuursector voor. Volgens hem moeten de instellingen zich openstellen voor nieuwe doelgroepen en nieuwe initiatieven. Verder wil hij het cultureel ondernemerschap bevorderen, de huidige subsidieloketten bundelen, de subsidiecriteria aanpassen en vraagt hij om transparantie in het beleid van de gevestigde instellingen. Om dit alles te bewerkstellingen wil Hulman enkele grote kunstinstellingen verzelfstandigen en een grote dienst voor Kunst en Cultuur in het leven roepen die enkele huidige instanties vervangt.

De voorstellen van Belliot en Hulsman zijn verschillend, maar beide plannen zijn uitdrukking van een democratiseringsproces, een proces dat het sacrale karakter van de kunst ondermijnt. Die heiligheid van de kunst is ontstaan in de 19de eeuw als de kunst langzaamaan apart wordt gezet en op een voetstuk geplaatst. Als gevolg van de modernisering vond er toen een professionalisering en differentiatie van de kunsten plaats. Het idee van l’art pour l’art gaf de kunst een autonoom karakter. Kunst werd onafhankelijk en gericht op distinctie. Waar bijvoorbeeld schilderijen ooit in kerken hingen, theater op straat plaats vond en opera’s met copieuze maaltijden en een lyrisch drankgelag gepaard gingen, kwamen er schouwburgen en musea waar spreken, lachen, en ander ‘volks gedrag’ taboe werd. De kunstgebouwen werden centra van geestelijke activiteiten die met een aan de godsdienst ontleende ernst plaatsvonden. Onder invloed van de sociaal-democratische emancipatiebeweging is er de afgelopen vijftig jaar weliswaar een tendens te zien die de cultuurparticipatie bevordert, maar de sacrale status van de kunst heeft ook in het laatste decennium van de 20ste eeuw standgehouden.

Gezien die status van heiligheid is het heftige verzet van de gevestigde kunstinstellingen tegen de plannen van Belliot en Hulman verklaarbaar. De instellingen hebben het gevoel een knieval voor ‘het volk’ te moeten maken. Maar dit verzet is zinloos. Deze wethouders zijn slechts de boodschappers van een onomkeerbaar proces van democratisering dat al decennia lang aan de gang is. Na de politiek en de media is nu ook de kunst aan de beurt.

Big Brother

Voordat ik inga op de democratisering van de kunst eerst iets over die democratisering in het algemeen. Ten grondslag aan dit democratiseringsproces ligt de economisering van onze samenleving. Twee begrippen zijn hier cruciaal: ‘commercie’ en ‘legitimiteit’. Commercie betekent dat de consument bepaalt of een producent succes heeft en dat de laatste zo subtiel en geraffineerd mogelijk de eerste probeert te beïnvloeden om zich van dit succes te verzekeren. Legitimiteit is aan de orde omdat door economisering de exclusieve deskundigheid van elites door ‘het volk’ ter discussie wordt gesteld. 

In de politiek zijn deze twee lijnen goed zichtbaar. Het commerciële aspect is zichtbaar in de verandering van de gehoorzame kiezer in de jaren ’50, via de calculerende burger van de jaren ’80, in een politiek consument op dit moment. Het huidige stemgedrag laat zien dat de Nederlandse politiek definitief het terrein van de marketing is geworden. Zowel Pim Fortuyn als Wouter Bos werden niet eens als producten, maar als merknamen aan de man gebracht, of verkochten zichzelf als zodanig. Branding, imagebuilding en marktanalyses waren hier de sleutelbegrippen.

Legitimatie is aan de orde bij het afnemende gezag van bewindspersonen. Bestuurders en politici proberen hun legitimiteit te herstellen door de politieke consument meer invloed te geven. Allerlei democratiseringsvoorstellen, die D66 al bij haar oprichting wilde, moeten nu opeens doorgevoerd worden.

De media maken een soortgelijk proces door. Het commerciële aspect resulteert in een steeds heviger wordende concurrentiestrijd waarin financiële belangen het winnen van de inhoudelijke kwaliteit. Dit wordt dagelijks geïllustreerd door de opmars van commerciële televisiestations, het meten van succes in kijkcijfers (consumenten), de hoeveelheid sterreclames en de problemen die een kwaliteitskrant als Het Parool heeft om het hoofd boven water te houden.

De legitimiteit van de media staat onder druk doordat er steeds minder belang gehecht wordt aan deskundigheid van de makers. De boze brievenschrijver bestaat natuurlijk al zolang de krant bestaat, maar het laatste decennium zien we een revolutie op dit gebied. Niet alleen door internet, waardoor iedere consument zelf producent kon worden, maar ook via allerlei andere kanalen oefent de consument invloed uit, waarbij media inspelen op de vermeende wens van de consument. Iedere zichzelf respecterende krant heeft een ombudsman en het aantal programma’s waarin de kijker of luisteraar kan participeren zijn legio. Het beste voorbeeld van ontheiliging van deskundigheid was Big Brother. Met Big Brother vond een radicale democratisering van het maken van een televisieprogramma plaats. De consument nam de macht volledig over en het oordeel van de deskundigen dat het wanstaltig was, verhinderde niet dat er massaal naar gekeken werd.  

Wehkamp

Wat betekent de economisering van de samenleving nu voor de kunstsector? Op dit moment is de financiering van kunst in Nederland grotendeels een overheidsaangelegenheid, hierin bijgestaan door particuliere fondsen met ideële doelen. De druk om commerciëler te werken zal onherroepelijk toenemen. Er vindt een verdere ontwikkeling van het cultureel ondernemerschap plaats, wat betekent dat er andere financieringsbronnen moeten worden aangeboord. Dit ondernemerschap speelt bijvoorbeeld in op de trend van ‘cultureel uitgaan’ bij jongeren, de toekomstige participanten waar Belliot het in haar plannen over heeft. Doordat jongeren de sacrale kunstopvatting niet delen, ervaren zij het verschil tussen de uitgaanscultuur die op amusement is gericht en het kunstaanbod dat zich op zingeving concentreert als kunstmatig. EDDA (Eat, Drink, Dance, and Art) staat bij cultureel uitgaan centraal, waarbij de ondernemer uit alle vier de consumptiegoederen opbrengsten genereert, en niet alleen uit het toegangskaartje voor bijvoorbeeld een tentoonstelling.

Een ander voorbeeld van een relatief nieuwe financieringsbron is het beleid om private kunstaankoop te bevorderen. Zo heeft de Mondriaanstichting een regeling in het leven geroepen waarin zij kunstaankoop voorfinanciert en particulieren via renteloze afbetalingen het kunstwerk binnen een paar jaar tot eigendom kunnen maken. Wehkamp had 30 jaar geleden succes met een formule die nu tot de kunstsector is doorgedrongen.

De legitimatie van overheidssubsidies wordt niet langer bepaald door een elite maar door de (potentiële) culturele consument. De bezoeker van culturele activiteiten stelt eisen waar, wanneer en hoe hij zijn product aangeboden wil krijgen. Hoe men ook over deze trend denkt, de ontwikkeling is onomkeerbaar en cruciaal voor de positie van de gesubsidieerde kunstinstellingen. Als intermediair tussen kunstenaar en publiek zullen de instellingen de artistieke kwaliteit van de eerste moeten rijmen met de eisen van de tweede.

Subsidiefeest

De uiterste consequentie van een democratisering van de cultuur is het opheffen van het monopolie op het kwaliteitsoordeel. Een voorbode van deze ontwikkeling heeft zich al aangediend in de vorm van het massaal bekeken programma Idols. Waar staatssecretarissen, adviesraden en andere deskundigen omvangrijke rapporten schreven over cultuurparticipatie, was het een commerciële omroep die een miljoenenpubliek bereikte met een wedstrijd in een kunstdiscipline. Natuurlijk kan dit succes mede ook verklaard worden door het competitieve karakter, het creëren van een hype en een samenleving met een tienerobsessie. Dit neemt echter niet weg dat het interactieve karakter van deze culturele activiteit, het zich betrokken voelen van de kijker, de motor achter het succes van Idols was.

Welk cultuurbeleid past bij deze ontwikkelingen? Mijn subjectieve uitgangspunt is dat cultuuruitingen bijdragen aan de zelfverwezenlijking van de mens en ze tevens instrumenten van maatschappelijke vooruitgang kunnen zijn. Dit zijn idealen waarvan ik van mening ben dat die nagestreefd moeten worden. Radicale democratisering ongestoord haar gang laten gaan is dan geen optie. Daarmee zouden uiteindelijk kwaliteit en originaliteit uit de kunst verdwijnen en daarmee ook de kunst zelf. En daarmee een instrument van maatschappelijke vooruitgang.

Maar een sector die in de verdediging gaat achter het recht op een exclusief oordeel, is evenmin een optie. Helaas neigt de sector hier op dit moment wel naar. Dat is niet verstandig. Op deze wijze komt de sector namelijk steeds verder van de politieke consument af te staan, en dreigt het gevaar straks te worden weggevaagd. Dat dit niet alleen een theoretische mogelijkheid is, bleek na de verkiezingsoverwinning van Leefbaar Rotterdam. De grootste partij van de stad die in 2001 nog Culturele Hoofdstad van Europa was, ging het afgelopen jaar flink tekeer tegen ‘egotrippende artiesten’ en vond ‘dat het subsidiefeest afgelopen moest zijn.’

Vijftig jaar sociaal-democratisch cultuurbeleid heeft velen de kans geboden zich te ontwikkelen en deel te nemen aan kunst. ‘Het volk’ geeft nu aan dat ze zich niet meer in deze klassieke zin wil verheffen. Het is niet langer een gedeeld ideaal om bovenaan de berg te komen waar de kunstelite zich bevindt. En als het ook geen optie is dat de elite helemaal de berg afdaalt, dan wordt het zaak om elkaar ergens halverwege te ontmoeten.

Defensief

De uitdaging is om op dit hellende vlak van democratisering een cultuurbeleid te ontwikkelen waarin de begrippen kwaliteit en originaliteit overeind blijven. Het aannemen van deze uitdaging betekent een grotere maatschappelijke rol van de kunstinstellingen. De Amsterdamse wethouder Belliot verwijst hier expliciet naar in haar visie-stuk. Wat betreft het beleid van de kunstgebouwen zal de positie van de artistiek-directeur wijken voor die van de cultureel-ondernemer. Naast de artistieke kwaliteit van het kunstaanbod zal voor hem of haar ook de netto-opbrengst per vierkante meter stadscentrum, de behoefte van derden het gebouw te gebruiken en de wensen van de bezoeker uitgangspunten van beleid zijn. Voor de kunstinstellingen in de binnensteden vormt ‘cultureel uitgaan’ de kans om hun positie te versterken en een legitimatie van hun overheidssubsidies te veroveren.

Dat dergelijke ontwikkelingen al gaande zijn blijkt bijvoorbeeld uit de avondopenstelling van het Gemeentemuseum Den Haag. De directeur van dit museum, Wim van Krimpen, laat zien dat hij uitstekend de tijdgeest aanvoelt. Dat toonde hij al eerder toen hij directeur was van De Kunsthal in Rotterdam. Met relatief weinig overheidsgeld groeide De Kunsthal in tien jaar uit tot een begrip in Nederland. Een lege hal die bij iedere tentoonstelling van gedaante wisselt had niets gemeen met het sacrale karakter van musea. Bovendien schroomde Van Krimpen er niet voor om met de smaak van een breed publiek rekening te houden. Zo kwam hij met tentoonstellingen als De Super Insecten Show en Het beste uit Tussen Kunst en Kitsch. De Kunsthal heeft de toegankelijkheid van een supermarkt. Je gaat er even kunst kijken zoals je je boodschappen doet op zaterdagmiddag, terloops bijna. Dit beleid van Van Krimpen werd bij de viering van het tweede lustrum fraai getypeerd als ‘een respectabel populisme’.

Dat meer dan de helft van de jongeren in Amsterdam en Rotterdam migrant is, zal in het beleid van de cultureel ondernemer terug te vinden moeten zijn. Ook kunnen kunstinstellingen veel meer als open netwerken gaan functioneren: politici, ambtenaren en andere bestuurders zullen mensen uit de culturele sector betrekken bij besluitvorming om de kwaliteit te verbeteren. Creativiteit  is een unique selling point van de kunstsector. Zo was er in Rotterdam – om maar dicht bij huis te blijven – onlangs het initiatief van columniste Carry en voormalig intendant van Rotterdam Culturele Hoofdstad, Bert van Meggelen, dat leidde tot honderd mogelijke oplossingen voor het prostitutieprobleem.

Natuurlijk valt er kritiek te leveren op de plannen van beide wethouders. Verontrustender is echter de defensieve reflex van een deel van de gevestigde kunstwereld, gesteund door behoudende politieke krachten. Het besef dat de legitimatie van de complete sector op het spel staat, lijkt nauwelijks door te dringen. Daarom slagen de kunstinstellingen er ook niet in zelf een collectieve visie op de toekomst te ontwikkelen – met als gevolg dat het onvermijdelijke proces van verandering alleen maar pijnlijker wordt. Wanneer de instellingen verstandig zijn, wachten ze niet tot ze gedwongen worden, maar nemen ze uit zichzelf een nieuwe maatschappelijke rol op zich.

Directeur van Passionate, organisatie voor de nieuwe letteren.
Alle artikelen