Links en de angst voor de toekomst

De uitslag van de verkiezingen wordt uitgelegd als een conservatieve duik achter de dijken, weg van de boze buitenwereld. Maar klopt dat wel? Burgers verlangen een verhaal waarmee ze de toekomst in de ogen durven kijken.

Links won, rechts verloor en het moet gek lopen als we straks geen kabinet hebben met tenminste één linkse partij. ‘Er is een eind gekomen aan het koude kille klimaat van rechts’ riepen de linkse leiders in koor op de avond van 22 november. Enigszins tegen beter weten in, want rechts is wel weggestemd maar er is niet iets anders voor in de plaats gekozen. De warme Linkse Lente die Femke Halsema in het najaar van 2005 aankondigde, is niet aangebroken. De eclatante overwinning van PvdA, SP en GroenLinks, die de peilingen het afgelopen jaar voorspelden, verdampte in het zicht van de verkiezingen. Het linkse alternatief bleek niet hartverwarmend genoeg. Integendeel, vele commentatoren zien in de uitslag een trend bevestigd van een opkomend conservatisme dwars door de partijen heen, van links en rechts, met als kenmerken de nadruk op gemeenschapszin, fatsoen en een groeiende neiging om zich af te wenden van het buitenland en weg te kruipen achter de dijken. Vooral dat laatste roept verontrusting op. De analyse klopt echter maar voor een deel.

Er bestaat bij de Nederlandse burgers een betrekkelijk grote eensgezindheid over de toekomst, zo blijkt uit een aantal grote enquêtes van de afgelopen jaren. In 2003 verrichte TNS/NIPO een onderzoek in opdracht van RIVM, tegenwoordig MNP (Milieu en Natuurplanbureau) naar wereldbeelden van Nederlanders. Bij alle vragen stonden twee kwesties centraal: of men een voorkeur heeft voor markt of overheid en of men kiest voor een nationale dan wel internationale gerichtheid. Slechts een hele kleine minderheid van de Nederlanders droomt van een mondiale markt waar vrijhandel het middel en welvaart het hoogste doel is. Minder dan een kwart heeft een voorkeur voor mondiale solidariteit ten behoeve van verdeling van welvaart en aandacht voor milieu. Ruim een kwart kiest voor de veilige regio waar de nadruk ligt op markt, nationale veiligheid en gezag. Maar veruit de meeste Nederlanders, bijna de helft van de bevolking, kiezen voor de zogenaamde ‘zorgzame regio’, een solidaire nationale samenleving waar goed burgerschap en gemeenschappelijke identiteit hoog in het vaandel staan. Vrijwel alle politieke partijen hebben hier de grootste aanhang zitten. Uitzonderingen zijn D66’ers die meer kiezen voor mondiale solidariteit, en de Fortuynisten die meer neigen naar de veilige regio. Het onderzoek is in 2006 herhaald, met ongeveer dezelfde uitkomsten. Uit de omvangrijke internetenquête 21minuten.nl blijken vergelijkbare bevindingen.

De uitkomsten stroken met de verkiezingsuitslag. Toch is het een misverstand om te concluderen dat de Nederlanders de kop in het zand steken. Uit de diverse onderzoeken blijkt dat Nederlanders zich heel bewust zijn van de internationalisering die gaande is. Maar ook blijkt dat ze die niet onmiddellijk omarmen op de manier zoals die op ons af komt. Uit een omvangrijke studie van het SCP uit 2004, verricht voor hun jubileumboek In het zicht van de toekomst, blijkt dat Nederlanders een solidaire samenleving wensen maar tegelijk een heel andere ontwikkeling verwachten, namelijk een ontwikkeling richting meer prestatiegerichtheid en minder sociale zekerheid, mede als gevolg van internationalisering. Een dergelijk neo-liberale toekomst wordt gevreesd en men wenst zich daar niet automatisch bij neer te leggen. En geef ze eens ongelijk, want waarom zouden er niet meer smaken zijn?

Het probleem is dat de politieke partijen op dit moment de toekomst in slechts twee versies aanbieden. De eerste zegt dat er geen andere keuze is dan ‘aan te sluiten bij de wereld’ en dat die wereld hard is en wij daarom ook harder moeten worden. De tweede zegt dat dit onzin is, dat we onze eigen nationale gang kunnen gaan en we het bij de oude solidariteit kunnen laten. De partijen die op de laatste lijn zitten, SP, Wilders en ChristenUnie, hebben op 22 november gewonnen. CDA, VVD en D66 hebben geregeerd vanuit het eerste perspectief en hebben verloren. Met de kanttekening dat het CDA in het zicht van de verkiezingen van toon veranderde en opschoof naar de tweede versie, waarna ze prompt aanhang ging winnen. Hetzelfde deed de PvdA maar met een averechts effect. De PvdA hield als oppositiepartij lang haar kaarten tegen de borst over waar ze inhoudelijk stond, leek vervolgens aan te sturen op een tussenvariant maar bekeerde zich in de aanloop naar de verkiezingen toch tot de oude solidariteit. In feite deed GroenLinks hetzelfde. Met als gevolg dat de drie linkse partijen op het laatst tegen elkaar aan het opbieden waren met verhalen waarin Nederland werd afgeschilderd als een spookhuis waar je kan gruwelen om voedselbanken, doorligwonden en pyjamadagen. Van PvdA en GroenLinks (iets vernomen van de sociaal-liberale notitie Halsema-Van Gent van een klein jaar geleden?) was dat niet geloofwaardig.

Nederlanders vrezen de toekomst maar dat betekent niet dat men er voor wil weg duiken. Wat ontbreekt is een aansprekend alternatief verhaal waarmee men die toekomst in de ogen kan kijken. Zo worden kiezers vanzelf in conservatieve armen gedreven. Hier ligt een verantwoordelijkheid én een kans voor gezamenlijk links. Zo’n verhaal moet uit twee pijlers bestaan. De eerste is een overtuigde en beargumenteerde keuze voor openheid en internationale samenwerking – met de nadruk op keuze want isolatie kan ook. Maar wie welvaart wil behouden, migratie wil reguleren, van energietoevoer verzekerd wil zijn, klimaatproblemen wil oplossen, veiligheid wil vergroten, verantwoordelijkheid neemt voor onderontwikkeling en beheersing van conflicten elders op de wereld, wint bij samenwerking. Om te beginnen in Europa maar ook daarbuiten. Bij deze keuze hoort naast het benadrukken van de winst ook de erkenning dat ze gevolgen kan hebben op sociaal (werk, inkomenszekerheid), politiek (verschuivende verantwoordelijkheden) en cultureel (media, identiteit) gebied. Het vraagt onder andere om aanpassing van de verzorgingstaat, in plaats van bescherming meer verheffing (zie WRR, De verzorgingstaat herwogen, 2006), en het besef dat ‘de verzorging’ niet allemaal meer kan komen van de staat.

Daarmee kom je bij de tweede pijler: erken het verlangen naar gemeenschap. Vele soorten gemeenschappen zijn nodig om de genoemde gevolgen van internationalisering te begeleiden, zoals lokale overheden, woningbouwverenigingen, vakbonden, sportclubs, buurtcentra, opgewaardeerde huisartsenposten en misschien zelfs zorgverzekeraars. Zij kunnen plekken bieden die als springplank of als sociale schuilplaats kunnen fungeren: het kleine en nabije ter bescherming voor het grote van veraf. De nationale overheid faciliteert: waar ze niet zelf overal meer een antwoord op kan hebben, kan ze wel organisaties, clubs en instellingen steunen en stimuleren om een sociale rol te spelen. Ook bedrijven hebben een sociale rol; een regeling omtrent verantwoord ondernemerschap zou hier goed passen.

GroenLinks heeft als een van haar centrale waarden de internationale solidariteit (zie ook artikel hierna van Herman Meijer). Ze heeft in de genoemde notitie ‘Vrijheid eerlijk delen’ geprobeerd aan te geven wat daarvan de nationale consequenties zijn voor de sociale zekerheid en de arbeidsmarkt. Maar ze heeft daarmee de vrees voor de vermindering van de solidariteit niet kunnen wegnemen, integendeel. Onder andere door de vakbeweging weg te zetten als een conservatief oude witte mannen bolwerk en daarmee de indruk wekkend dat we straks allemaal flexwerkers zijn die onze eigen boontjes moeten doppen. Een iets minder liberale insteek en iets meer gemeenschapszin zou een passender antwoord zijn, gezien de behoeftes van burgers. Met minder nadruk op efficiency en keuzevrijheid en meer op nabijheid en loyaliteit. Op dit punt kan GroenLinks te rade gaan bij de plannen van de SP voor kleinschaligheid in onderwijs, zorg en welzijn. De SP op haar beurt zou de hoge verwachtingen van de nationale overheid moeten temperen. De nadruk ligt wel erg op verzorging. De partij neemt de burgers wel bij de hand maar neemt ze niet de toekomst in. Ze moet haar opvattingen over ‘eigen arbeider eerst’ en ‘eigen land eerst’ relativeren, omdat ze samenwerking over grenzen in de weg staan, en daardoor op den duur ook het ‘eigen welzijn’. De PvdA tenslotte moet eindelijk kleur bekennen. De partij maakt een fout door te denken dat ze mensen tegemoet komt door opeens hervormingsvoorstellen in te slikken, terug te grijpen op de oude oplossingen en afstand te houden van de EU. Mensen willen niet bevestigd worden in hun angsten maar willen antwoorden daarop. Ze willen een verhaal waarmee ze de toekomst durven te accepteren. Een verhaal dat hoop biedt.

Om te beginnen is het van belang dat de vrees voor verharding en verlies aan solidariteit serieus wordt genomen en niet als conservatief terzijde wordt geschoven, zoals een kosmopolitische elite van journalisten, professoren, bestuurders en GroenLinks-politici nu doet. Die afwijzing lijkt op de afkeuring in jaren ‘80 en ‘90 van het ongenoegen over de multiculturele samenleving. Net als toen geldt ook nu dat de elite geen consequenties heeft te vrezen. Net als toen gaat het er niet om de afkeuring over te nemen, waar de meeste politieke partijen nu naar neigen, maar als startpunt te nemen van een nieuw verhaal.

Jelle van der Meer is journalist en publicist.
Alle artikelen