“Moraal hoort in de politiek”

Interview met Paul Kalma en Jelle van der Meer

Paul Kalma, vertrekkend directeur van de Wiardi Beckman Stichting, en Jelle van der Meer, vertrekkend hoofdredacteur van de Helling, geven het nieuwe kabinet het voordeel van de twijfel. "Politiek moet niet alleen resultaten boeken, maar ook problemen verwoorden."

Het is een regenachtige avond en ik ben in mijn eentje op weg naar een Indiaas restaurant in Amsterdam. Daar zal een dubbel afscheidsinterview plaatsvinden. Paul Kalma vertrekt na twintig jaar als directeur van de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de PvdA, en redactiesecretaris van politieke tijdschrift Socialisme & Democratie. Al jarenlang is hij een van de belangrijkste commentatoren van de sociaal-democratie; in boeken als Socialisme op sterk water (1988), De wonderbaarlijke terugkeer van de solidariteit (1995) en Links, rechts en de vooruitgang (2004), hield hij de PvdA spiegels voor. Nu gaat hij zelf het spel spelen in de Tweede Kamer. Jelle van der Meer draagt na tien jaar hoofdredacteurschap van de Helling het stokje over. Met hem heb ik voor de Helling veel interviews gedaan. Samen zaten we in de zoevende Alfa Romeo van Tom Lanoye, in een stijlvolle hotellobby met John Gray en in de strakke universiteitskamers van Piet de Rooy en Asef Bayat. Altijd stelde hij vragen, nu mag hij zelf eens antwoord geven. We praten over politiek, en wat die nog vermag. En over het nieuwe kabinet. Beiden zijn verwachtingsvol. “De politiek gaat weer over moraal”.

Is het wonderbaarlijk, de terugkeer van religie in de politiek?
Jelle van der Meer: “Tien jaar geleden hadden we zo’n coalitie voor onmogelijk gehouden, maar sinds een paar jaar was de terugkomst van religie al zichtbaar, mede dankzij de islam. En de ChristenUnie is natuurlijk wel een serieuze politieke partij geworden. Ze is van een heel andere orde dan bijvoorbeeld de LPF. Het is niet wonderbaarlijk dat we dit kabinet hebben. Ik vind het passen in deze tijd, veel beter dan een linkse regering. Het gesprek en de verwachtingen daarover zijn misplaatst. Burgers zitten niet te wachten op een links kabinet. Bij veel Nederlanders leeft nog steeds een al dan niet latente aversie tegen links als veroorzaker van vele problemen. Bovendien is links niet klaar om te regeren. Ik zie bij links nog geen goed geformuleerd, gezamenlijk antwoord op problemen in de samenleving.”

Paul Kalma: “Dit kabinet is geen teken van de terugkeer van religie. De verkiezingsuitslag laat zelfs zien dat de christendemocraten verloren hebben en dat de ChristenUnie nauwelijks boven het aantal zetels van RPF en GPV destijds uitkomt. Bovendien zie ik in het verkiezingsprogramma van de ChristenUnie geen plannen voor kerstening van de Nederlandse staat terug. Interessant aan Rouvoets partij is haar sociale profiel. Daarom ben ik wel enthousiast. Een links kabinet – zo lieten ook deze verkiezingen weer zien – is getalsmatig niet te doen. De grote vraag is of de christendemocraten hun andere gezicht kunnen tonen. Dat sociale gezicht hebben ze lang niet laten zien. We zagen alleen hun liberale kant.”

Dit wordt weer een normen-en-waarden-kabinet. Zijn jullie daar verheugd over?
Jelle van der Meer: “Het past bij het verlangen naar gemeenschap. GroenLinks wordt wel verweten dat ze deze behoefte van kiezers heeft onderschat en daarom de verkiezingen heeft verloren. Daar ben ik het maar gedeeltelijk mee eens. Na 11 september werd onder de vlag van veiligheid veel vrijheid beknot. Daardoor raakte de libertaire gedachte in Nederland verweesd. GroenLinks heeft zich over de vrijheden ontfermd, zelfs als enige partij. Dat is goed. Maar tegelijk moet de gemeenschapskant meer aandacht krijgen. Persoonlijk ben ik nogal individualistisch ingesteld en heb ik moeite met groepen –inclusief die van de ‘GroenLinkse kerk’ – maar ik zie de noodzaak van verbanden. GroenLinks geeft zich daarvan te weinig rekenschap. Gemeenschap bij GroenLinks staat bijna gelijk aan ‘opsluiting’. Maar je kan pas individualistisch zijn als je in een gemeenschap leeft. Wat veel meer onderstreept kan worden is dat de staat ook een gemeenschap is. De staat schept de voorwaarden voor de mogelijkheid om als vrij individu te kunnen leven, onder andere door onderwijs, zorg, herverdeling en veiligheid. Maar dat gaat mis als je die staat enkel ziet als een leverancier van diensten. De staat, dat zijn wij, en dus is de staat ook een gemeenschap.

Ik ben niet zo bang voor die normen en waarden. Wat mij betreft is dat terug te brengen tot ‘inlevingsvermogen’. Dat geldt voor de publieke ruimte, waar mensen het in allerlei situaties moeten opbrengen om zich te verplaatsen in de ander. Maar dat geldt ook voor de politiek. Het grootste probleem van deze tijd is dat de elite een gebrek aan inlevingsvermogen toont. Ze kunnen zich niet verplaatsen in iemand die in de marges van de samenleving leeft, die niet goed kan leren, die moeite heeft met werken, met meekomen in het algemeen. En ze kunnen zich ook niet verplaatsen in mensen die bang zijn voor migranten, Europa en globalisering. Eind jaren negentig interviewde ik voor de Helling SCP-directeur Paul Schnabel. Wat hij vertelde maakte indruk op mij. Hij zei: ‘We hebben niet teveel vrijheid of teveel gelijkheid, want van beiden kan je niet genoeg hebben. Wat we moeten leren is om met de gewonnen vrijheid en gelijkheid om te gaan, ze niet in elke situatie op te eisen. Dat betekent dat we nu moeten werken aan broederschap’.”

Kalma wil het moraliseren heel zakelijk benaderen. “Dat klinkt tegenstrijdig. Maar ik heb nooit grote problemen gehad met de normen en waarden van Balkenende. De grote vraag was alleen: waarom geeft hij er zo’n verschrikkelijk schrale uitleg aan, van inkomenspolitiek tot asielbeleid. De PvdA heeft deze verkiezingsstrijd voortdurend gehamerd op solidariteit. Ik zie dit nieuwe normen-en-waarden-kabinet als een vervolg daarop, en niet als een koerswijziging van mijn partij. Vaak gaat het daarbij om het scheppen van de goede voorwaarden. Dus bijvoorbeeld niet: ‘iedereen moet vrijwilligerswerk doen’; wel: ‘we moeten zorgen dat het arbeidsbestel niet zo gespannen wordt dat niemand meer vrijwilligerswerk kan doen.’ Het is niet goed als we allemaal voltijds moeten werken. De PvdA moet daarbij wel benadrukken dat gemeenschappen ook beknellend kunnen zijn.”

In Nederland wordt veel gemopperd op ‘De Politiek’ en ‘die lui in Den Haag’, maar voor jullie is politiek nog steeds aantrekkelijk? Kalma verruilt zelfs na twintig jaar zijn directeursfauteuil voor een kamerzetel.
Kalma: “Na het schrijven van mijn boek Links, rechts en de vooruitgang werd de behoefte steeds sterker om niet aan de kant te blijven staan – hoewel ik nooit heb gevonden dat commentaar geven een gemakzuchtige positie is. Je moet daarbij geen overspannen gedachten hebben over de rol van de politiek. In de trant van: ‘We gaan alles veranderen!’. In de jaren tachtig stond het PvdA-partijprogramma bomvol met economische planning, daar kwam geen ondernemer aan te pas. De politiek stuurde de economie aan. Inmiddels zijn de aanhangers van de maakbaarheidsgedachte vooral in het rechtse kamp te vinden. Neo-conservatieven vinden alles planbaar: normen en waarden, democratie in het Midden-Oosten. De vraag is hoe links zich nu moet opstellen. Blair liet bijvoorbeeld zijn linkse spierballen zien en introduceerde nieuwe grote programma’s en projecten met als motto ‘Modernisering!’. Ik denk dat het beter is om eerlijk te zijn en de smalle marges aan te geven waarin politiek verschil kan maken.”

Van der Meer: “Ik heb tegelijk afkeer en grote bewondering voor politici. Een politicus moet voortdurend en onmiddellijk standpunten innemen, een mening hebben. In de politiek is geen plaats voor twijfel of dilemma’s. Zoals er ook geen plaats is voor ironie. Ikzelf heb altijd twijfels, en goede argumenten kunnen mij overtuigen om een ander standpunt in te nemen.”
Kalma: “Ik bestrijd de huidige opvatting van politiek bedrijven. Het gaat alleen over afrekenen op resultaat; de politiek is teveel het beleid ingezogen. Dat is de pervertering van de politiek, het gaat alleen maar over oplossingen. Maar politiek is ook strijd om de definitie van problemen. Uiteraard hoort daar beleid bij, maar het begin wordt vaak vergeten: de omschrijving van wat er aan de hand is. Dat was ook de aantrekkingskracht van de sociaal-democratie: mensen herkenden zich in haar betrokkenheid bij de sociale kwestie in het algemeen.”

Burgers zijn geëmancipeerd en hoger opgeleid en bovendien leven we in een internationale politieke context. Wat betekent dat voor de politiek?
Van der Meer: “Het politieke bedrijf is de afgelopen decennia zondermeer veranderd en daar kan je sombere beschouwingen over houden, maar je kan ook stellen dat de politiek democratischer is geworden. Politici moeten veel meer verantwoording afleggen. Door de emancipatie van het individu buiten de zuilen moeten politici meer hun best doen om legitimatie te veroveren. In die verandering hebben media natuurlijk een rol gespeeld.”

Kalma: “Vijftig jaar geleden waren de verkiezingen een soort volkstelling, zoals de politicoloog Daalder het heeft omschreven. Dan wist je precies hoeveel gereformeerden, katholieken en socialisten er waren. Nu is dat anders. Maar de behoefte aan politieke oriëntatie is helemaal niet verminderd. Daarom moet je niet bezwijken voor opiniepeilingen en ‘we doen wat de mensen willen’. En daarom is het zo belangrijk dat partijen hun identiteit en hun politieke traditie in ere houden. Begin jaren negentig bracht ik tijdens de verkiezingen folders rond van de PvdA. Er stond een reusachtig oor op afgebeeld. De suggestie was ‘we luisteren naar de kiezer’. Maar dat is niet de manier om het vertrouwen in de politiek terug te winnen. Er moet een goed verhaal zijn. Daar is nu gebrek aan, ook bij links. Daarom mag het in de politiek best over moraal gaan. Dit kabinet biedt ook de mogelijkheid om te laten zien dat oude sociaal-democratische waarden – bijvoorbeeld inkomensgelijkheid en een sociale markteconomie – belangrijk zijn.”

Veel linkse politici zijn opgeschoven naar rechts. Jullie ook? Zijn er thema’s waar je anders over bent gaan denken?
Kalma: “Ik heb zeker, mét mijn partij, de urgentie van de integratieproblematiek onderschat. Natuurlijk wisten we wel dat er problemen waren, maar niet dat het er politiek zo in zou hakken. Integratie zagen we bovendien als een sociaal-economisch issue. De cultuurpolitieke kant hebben we onderschat. Maar dat wil allerminst zeggen dat je je standpunten dan maar moet verlaten. Toen iedereen hoog van de toren blies over de mislukte integratie hebben we als Wiardi Beckman Stichting een jaarboek gemaakt om het broodnodige tegenwicht te bieden.

In het algemeen ben ik nogal anticyclisch ingesteld en niet erg veranderd, geloof ik. Gematigd links begonnen en gebleven. Ik vond altijd dat mensen met een uitkering plichten hadden – bijvoorbeeld om zich te scholen. Nu zeg ik: mensen met een uitkering hebben ook rechten. Ik ben dus nauwelijks opgeschoven. Dat kan je misschien zien als een gebrek aan beweeglijkheid van mijn kant.”

Van der Meer: “Als kind van de jaren zeventig was ik natuurlijk anti-elite, dat stond voor ongelijke machtsverdeling. Weg ermee dus. Maar na de moord op Fortuyn werd ik bijna op slag ‘elitarist’. Het volk kwam in opstand tegen de ‘oude politiek’, ten behoeve van ‘nieuwe politiek’. De kloof moest dicht, het waren bijna revolutionaire krachten, politici voelden de straat in de nek. We hebben gezien wat dat heeft opgeleverd. Wat ik geleerd heb is het belang en de rol van de politiek-bestuurlijke elite tegenover ‘het volk’, en dan kom ik terug op dat inlevingsvermogen. De zogenaamde weldenkende elite is ergens aan het slot van de vorige eeuw het contact met het volk kwijtgeraakt. De elite stelde zich elitair op. De les is niet, en op dit punt ben ik het helemaal eens met Paul, dat de elite vooral moet gaan luisteren naar ‘het volk’ en gelijk geven, maar wel dat ze zich moet verplaatsen in de positie van de vele soorten ‘gewone’ burgers, hun problemen moet verwoorden en op basis daarvan dient te handelen. De elite moet inleven én voorleven.”

Monique Kremer is medewerker van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.
Alle artikelen