Artikelen tijdschrift
“Niemand ontkomt”
Floris van Delft over zijn voorstelling De Verlichting is stuk
Regisseur Floris van Delft (1976) maakte een theaterproductie over democratie, waarin de generatie van 1968 en de generatie van nu met elkaar de staat van de democratie in Nederland doorlichten. Het is deel een van een drieluik. Deel twee volgt dit voorjaar. De Helling publiceert enkele fragmenten uit het stuk en een monoloog van de regisseur.
“Ik zal helemaal bij het begin beginnen. Ik werkte tot 15 juni j.l. bij het Noord-Nederlands Toneel (NNT) in Groningen. Yvonne Franquinet, artistiek leider van het Huis en Festival aan de Werf in Utrecht kwam ons in 2006 vragen of we niet aan de slag wilden met het boek Country of my skull van Antjie Krog over de waarheids- en verzoeningscommissie in Zuid-Afrika. Ze kwam bij het NNT omdat dat toch het gezelschap is dat in stijl en inhoud het dichtste bij de politieke en maatschappelijke werkelijkheid aansluit. Het boek van Krog riep bij mij de vraag op wat er zou gebeuren als je zo’n soort onderzoekscommissie naar de basis van de samenleving op Nederland zou loslaten, dat iedereen de kans krijgt om te zeggen wat hij heeft meegemaakt en dat je daardoor met een heel land opnieuw kan beginnen. Dat kan natuurlijk niet, maar in zekere zin…. Maar waar zou zo’n commissie in Nederland over moeten gaan? Ik was gefascineerd door de onvrede in Nederland: waar komt die vandaan? Hoe komt het dat we steeds discussie hebben over ons vertrouwen in de politici, over hun geloofwaardigheid? Dat gevoel van onbehagen wilde ik aanpakken. We wisten echt niet waar we zouden uitkomen, maar het zou dus over het functioneren van onze democratie moeten gaan.
We hebben verschillende mensen gevraagd om een betoog te schrijven. Dat waren vader en zoon Marius en Zeeger Ernsting, Tweede Kamerlid voor de PvdA Mei Li Vos, docent journalistiek Remco van Broekhoven en theaterschrijver Enver Husicic. Ik had bovendien twee situaties bedacht. De een ging over een man die een Turkse broodjeszaak wil beginnen. Anders dan zijn vader wil hij niet aan het ritselen slaan, maar alles keurig volgens de regels doen. Een jaar later is hij vastgelopen in de bureaucratie en bankroet. In de ander wilde ik de gang van zaken rondom het Europese referendum aan de orde stellen, omdat daarin heel veel onbehagen was samengebald.
Het was moeilijk een vorm te vinden en we hebben erg veel problemen ondervonden. Aanvankelijk wilde ik een project op locatie met veel acteurs, een soort van illegale bijeenkomst, waar mensen in auto’s naar toe zouden komen en waarin ze tijdens de voorstelling ook deels zouden blijven zitten. Maar we kregen een deel van de subsidie niet waardoor dat niet door kon gaan. Toen zijn we van locatie veranderd: we wilden het gemeentehuis van Utrecht symbolisch kraken en dat leek te gaan lukken. De gedachte was dat het protest al in de vorm van de productie tot uiting kwam. Maar het liep anders en uiteindelijk hebben we gekozen om het overzichtelijk te maken door terug naar het theater te gaan en met drie acteurs te werken. We lazen de betogen, deden eigen onderzoek zoals een bezoek aan de rechtbank, hebben boeken over de Atheense democratie gelezen enz. Je kunt bij zo’n onderwerp als acteur niet geheel onvoorbereid op het toneel staan.
We hebben enorm veel gepraat en gediscussieerd. We zaten vaak met bonkende hoofden bij elkaar. Hoe krijg je grip op zoiets groots als de Nederlandse democratie? Je hebt zoveel ingangen dat dat bijna onmogelijk is. Tot heel laat in het proces hebben we de teksten herzien en bijgewerkt, tot we helemaal gestoord werden van alle lappen tekst.”
“Toen we de eerste repetitiedag door alle teksten heenlazen en daarover praatten zei ik: dit is voor mij de voorstelling: het gaat erom dat je met elkaar aan tafel zit en lagen aanboort waar je normaal niet komt als je de krant leest. En dat is ook de vorm geworden. Een theatraal gesprek waarin de acteurs konden schakelen tussen allerlei personages. De rechtse doorgewinterde politicus op leeftijd, de kwade burger op de straat, de wat verbitterde politicus uit de beweging van de zeventiger jaren, de nieuwe, jonge, hippe politicus en vooral zichzelf.
We kozen een zaal zonder tribune met het publiek heel dicht om de spelers heen, met hun voeten op het kleed. Op de vloer hadden we een logo (zie illustratie) een stemdingetje gekrast in rood met wit. En elke avond hadden we een andere voorzitter uit de praktijk, die de avond een eigen kleur gaf: James Kennedy, hoogleraar Nederlandse geschiedenis, de cabaretier Dolf Jansen, Margreet Dolman en de D66 politicus Boris van der Ham. De acteurs hadden vaste teksten, maar hun tekst was vrij. Zij maakten samenvattingen en trokken conclusies die elke avond anders waren. James Kennedy had een meer historische en abstracte benadering, terwijl Margreet Dolman juist de eigen betrokkenheid accentueerde. Ze kenden de teksten van te voren niet en je zag dat ze heel snel betrokken waren. De avond met Boris van der Ham was het spannendst, omdat met hem ons onderwerp in levende lijve aanwezig was. Het werd echt een gesprek over de functie van de politiek en de functie van de burger. Hij was zelf nauw betrokken geweest bij het referendum over de Europese grondwet. Je zag hem denken: dit is persoonlijk.
Door die melange van vrije en vaste teksten werd de vrijheid gecreëerd die we zochten. Dat is het mooie van deze vorm. Door acteurs te laten spreken is er meer afstand en kun je als publiek beter denken: wat vind ik er van? Als iemand die je kent een betoog houdt, kleurt dat je reactie. Je denkt bijvoorbeeld: Ik heb deze man altijd al een lul gevonden, of juist: wat fijn dat hij dit eindelijk eens zegt. Door dat je meer afstand hebt geeft het eigenlijk de ruimte om persoonlijker te worden. Heel veel gesprekken na afloop van de voorstelling gingen ook meteen over inhoud.”
“Tijdens de voorbereidingen hebben we veel discussie gehad over de vraag of we een soort vormingstheater à la de jaren zeventig aan het maken waren. Maar zoals het toen ging gaat het nu echt niet meer. Destijds aankon men zich beroepen op een politieke grondlaag bij het publiek. Zoals het toneel in de jaren zeventig in de fabrieken zich baseerde op de arbeidersbeweging. Voor dat soort theater heb je een beweging nodig die er al is. Bij deze voorstelling is de beweging eigenlijk het onbehagen en de onvrede: dat is veel diffuser. Ik zie mezelf wel in de traditie van het vormingstheater staan, ook in de traditie van Brecht. Ook ik wil qua vorm en inhoud tegen de politieke werkelijkheid van het moment aanliggen en wil open theater maken dat direct op het publiek is gericht. Brecht had een ideologisch kader en een politieke metafoor, zoals bijvoorbeeld een gangster in Chicago die door de mensen om hem heen almachtig wordt. Dan heeft hij het over Hitler. Maar wij hebben geen allegorieën en geen ideologisch kader meer. Dit is post-Brecht in de zin van dat de vorm zelf al een zoektocht is naar een nieuwe metafoor. Het politieke bewustzijn van de jaren zeventig is niet meer voorhanden. We hebben we eigenlijk niets, we beginnen bij niks, we doen de democratie in een doosje om vervolgens al zoekend te ontdekken dat we er al middenin zitten. Je ontkomt er niet aan of je wilt of niet. En als je er niet aan ontkomt, wat moet je er dan mee? Ben je verplicht om bij de democratie betrokken te zijn? Vrijheid is ook een kernbegrip van democratie. Ik zou heel graag de knop willen vinden waardoor iedereen zegt: we gaan voor een betere wereld, maar dat is precies het probleem, die knop is er niet.
Het is me veel duidelijker geworden hoe complex democratie is. Dat is een dilemma voor deze tijd, want er is een sterke neiging alles simpel te maken. Als je je mening of wat dan ook niet in zeven seconden kan verkopen telt hij niet. Een debat zonder conclusies wordt niet meer aanvaard, terwijl het al discussierend uitpluizen van de dingen veel oplevert. We zijn veel pragmatischer geworden. Dat is de hel van de commerciële omroep, de politiek, het kapitalisme. Er is een neiging om alles wat moeilijk is weg te houden en bij dilemma’s de simpelste oplossing te kiezen. Ik begrijp wel dat mensen in hun wijk bijvoorbeeld geen pedofiel willen, maar als je gaat roepen dat deze man zijn kinderen nooit meer mag zien en voor altijd opgesloten moet worden, dan moet je wel bedenken tot wat voor samenleving dat leidt. Als jezelf in scheiding ligt en iemand beticht je van pedofilie, dan kan het gebeuren dat je je kinderen nooit meer ziet. Maar voor ingewikkelde dingen worden simpele oplossingen aan geprezen, domheid mag weer en instinctief handelen wordt aangeprezen als iets goeds. Zo zie je overal de boodschap: ‘we zijn ook gewoon mannen en zo zijn we gevormd door de geschiedenis en we kunnen niet anders en daar moeten we ook trots op zijn’. Voor zo’n gedachte was je in de jaren zeventig waarschijnlijk voor een vrouwentribunaal gekomen.”
“De generaties voor ons hebben juist zo hun best gedaan om aan al die dingen te ontkomen. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog deed men er alles aan om te bewijzen dat mensen geen beesten zijn; kosten noch moeite werden gespaard om te tonen dat we weldenkend zijn en niet alleen gedreven worden door emoties en instincten.
Mijn grootvaders werkten bij de post, mijn ene oma kwam van het platteland, de andere was dienstmeid. Ze konden nauwelijks lezen of schrijven, maar hebben heel hard gewerkt om hun kinderen de kans te geven verder te komen. Mijn ouders zijn gaan studeren, droegen zwarte koltruien en gingen naar ban de bom demonstraties. Het was belangrijk om de krant te lezen, literatuur bij te houden, jezelf te ontwikkelen. Dat was noodzaak wanneer je wilde ontsnappen aan de wereld waar je vandaan kwam. Voor mijn generatie zijn dat allemaal keuzes geworden. En dat geldt voor alles: de manier waarop je je kleedt, met wie je omgaat en of je politiek bewustzijn ontwikkelt. En tegelijkertijd kun je je afvragen wat die keuze eigenlijk voorstelt. Kun je bijvoorbeeld nog kiezen voor protest, als dat dat toch wordt ingekapseld en geannexeerd, zoals je ziet aan de commercialisering van Ché Guevara. Iedereen loopt met t-shirts van die man, terwijl niemand weet wat hij precies heeft gedaan. Protest wordt betekenisloos. Dus wat kun je doen?
Democratie is de frictie tussen vrijheid als basisbeginsel en de noodzaak tot sturing. Als je wilt dat mensen een democratisch grondbewustzijn hebben, dan moet de overheid voor vorming zorgen. Want je krijgt eruit wat je erin stopt. Er is vrijheid, maar iedereen vindt toch dat mensen zich op een bepaalde manier moeten gedragen. Daar moet je steeds tussen schipperen. En het kost ons meer moeite om die verantwoordelijkheid te nemen dan vorige generaties omdat we niet gedreven worden door historische gebeurtenissen en maatschappelijke omstandigheden. Ik wil niet zeggen dat mijn generatie het te gemakkelijk heeft, dat is flauw. Ik denk dat we ons vaak niet realiseren dat het niet allemaal vanzelf gaat.
“De politiek wekt de laatste jaren wel de suggestie dat regeren gemakkelijk is: de politici doen ontzettend hun best om iedereen het idee te geven dat hij mee mag praten en mee mag denken. Ze zetten zich af tegen de zogenaamde oude politiek, die inhoudt: politici maken het beleid en checken dat met een aantal deskundige mensen. De zogenaamde nieuwe politiek pretendeert: wij politici maken beleid met jullie, zeg maar wat we moeten doen. Ik geloof daar niet in. Ik wil mijn vrijheid ook niet inleveren, maar tegelijk zou ik een intelligente overheid willen die af en toe gewoon zegt: daar heb je geen verstand van, dus nu moet je even je bek houden. Ik heb geen verstand van rioleringen aanleggen en dan ga ik er ook niet bij staan en zeggen dat ze het niet goed doen. Politiek is ook een vak. Dat was mijn woede ook over de Europese grondwet. Dat is zoveel papier, dat is geopolitiek die ik niet kan overzien. Je kunt mij niet een foldertje geven en dan denken dat ik overzicht heb. Daarvoor heb ik iemand gekozen, ik wil dat die tegen mij zegt: dit is een goed idee of niet. Ik wil niet over alle details beslissen, maar ik wil wel weten welke uitgangspunten een partij of afgevaardigde hanteert. En dan zit ik weer met het probleem dat die nu allemaal veel te erg op elkaar lijken. Van mij mag er wel echt debat komen. Politici verdrinken zelf ook in de détails en missen de deskundigheid om alles te overzien. Er wordt in de Tweede Kamer zoveel tijd besteedt aan futiliteiten, en dat wordt door sommigen ook bewust als machtsmiddel ingezet om beslissingen te traineren. Maar vooral dat er niemand is die recht in ons gezicht durft te zeggen: volk, ik heb nu genoeg gehoord, zo gaan we het doen. Want zo gaat het natuurlijk wel. Dat is politiek. Dat je durft te zeggen: hier heb je even niets mee te maken. Al dat gepaai. Ik zou zeggen: maak het voor ons ook maar weer moeilijk.”
Op dit moment bereidt Floris van Delft een voorstelling voor over de rechtspraak en de dilemma’s rond vergelding en menselijkheid onder de werktitel: rechter kan niet. Hij twijfelt nog over het onderwerp van deel drie: de politie of de verzorgingsstaat.