Nieuwe energie voor Europa

Hoe wordt ons continent duurzaam?

Hoe zou het Europees energiebeleid eruit moeten zien? Eigenlijk is het heel simpel: Europa moet de komende decennia klaar worden gestoomd om volledig op duurzame energie te lopen. Daarvoor moeten nog wel de nodige obstakels worden overwonnen.

Met het ‘ja’ van de Ieren afgelopen oktober komt het Lissabon-verdrag dan eindelijk dichtbij. Op tal van beleidsterreinen krijgt Europa meer armslag, vooral door de veto’s van de lidstaten op te heffen en het Europees Parlement medewetgever te maken. Zo ook bij het Europees energiebeleid. Dat is een broodnodige verruiming van de Europese agenda, als je het Europese gedrag op energiegebied van de afgelopen jaren beschouwt.

Op dit moment bepalen Europese lidstaten ieder voor zich hoe ze hun energievoorziening rond krijgen, daarbij contracten sluitend met Rusland en het Midden-Oosten. Dat daarbij EU-buurlanden worden geschoffeerd, wordt blijkbaar afgedaan als ‘collateral damage’ van de energiegeopolitiek. Duitsland sloot bijvoorbeeld in 2005 onder leiding van ‘rode’ Gerhard Schröder een akkoord met Gazprom om een gasleiding van Vyborg naar Greifswald aan te leggen, zo Oost-Europa passerend. Dit Nord Stream-project zorgt voor een gasleiding door neutrale internationale wateren, zodat Duitsland direct het Russisch gas kan importeren. Estland wilde eind 2005 haar eigen grens met drie mijl verruimen, zodat de Nord Stream leiding onder Estlands grondgebied zou vallen. Maar dan hadden ze wel goedkeuring van Finland nodig. En laat het Finse staatsbedrijf Fortum nu net ook deel uitmaken van het Nord Stream project. Het akkoord kwam er dus niet. Onderlinge spanningen wel. Polen loopt door het project straks één miljard opbrengsten mis, die het land nu nog krijgt door de transit van gas vanuit Rusland. Ook Polen heeft zich dus al tijden verzet tegen het Duits-Russische plan. Grote winnaar is onmiskenbaar Rusland, die de kleine Europese landen onderling ziet bekvechten.

Maar ook Nederland is direct gebaat bij Europees energiebeleid. Nederland zet al jaren in om de ‘gasrotonde’ van Europa te worden: het wil de infrastructuur bieden om Europa van gas te kunnen voorzien. Onze infrastructuur is goed ontwikkeld dankzij ons eigen Groningse gasveld. Maar hoe je het ook went of keert: dat gasveld is over enkele decennia leeg. Als we dan niet een goed gediversifieerd gasaanbod behouden, hebben we straks een gasrotonde die alleen maar lucht rondpompt.

Miljardenbal

Doordat de Europese landen allereerst hun nationale belangen najagen komt de Europese politieke stabiliteit echter steeds meer onder druk, een ontwikkeling die de komende jaren zal verergeren door de groeiende vraag naar energie, vooral van de opkomende economieën als China en India en de slinkende voorraad makkelijk en dus goedkoop winbare fossiele energie. Energie wordt daardoor steeds meer een politieke zaak en onderlinge spanningen in Europa zijn daarbij ongewenst. Een Europees energiebeleid is bepaald geen hobbyisme van Eurofielen, maar een essentiële stap in de geopolitiek van energie.

Maar een sterk Europees energiebeleid is om meer redenen hard nodig. De grote energiereuzen van Europa blijven bezig met het opkopen van de kleine vissen zoals Nuon en Essent. Daarmee worden marktspelers gecreëerd waar nationale lidstaten geen grip meer op hebben. De macht van het getal is hierbij niet te onderschatten. Zo heeft de Nederlandse overheid volgens haar begroting ongeveer 150 miljard euro aan belastinginkomsten. Ter vergelijking: de omzet van energiereus E.On was in 2008 bijna 90 miljard euro. RWE zat in 2008 op bijna 50 miljard en wil dus graag verder meegroeien om in dit miljardenbal mee te spelen. Essent (omzet van 9 miljard) weet hier alles van.

Bedrijven opereren al jaren internationaal. De politiek kan niet achter blijven, wil ze die energiemarkt naar een duurzame economie opstuwen. Het is typerend dat de Europese Commissie pas afgelopen jaar de energiereuzen voor het eerst heeft berispt. De bedrijven E.On en GDF Suez kregen een boete van 1,1 miljard euro, omdat ze onderling afspraken hadden gemaakt in de marktverdeling van Europa. Overigens hebben de bedrijven meteen bezwaar gemaakt tegen de uitspraak van Eurocommissaris Kroes; de zaak loopt nog bij het Europese Hof van Justitie.

Hoe zou het Europees energiebeleid eruit moeten zien? Eigenlijk is het heel simpel. Europa moet de komende decennia klaar worden gestoomd om volledig op duurzame energie te lopen. Daarvoor moet de marktmacht van bestaande energiereuzen worden gebroken, moet Europa de energie-infrastructuur gezamenlijk onder handen nemen en moeten de regels ter stimulering van duurzame energie veel helderder en sturender worden gemaakt.

Het aanpakken van de energiereuzen kan via strenge controle op marktverstoring, maar zal ook moeten worden aangepakt door het opknippen van de energieproductie en het beheer van het netwerk. Het beheer van het netwerk moet een taak van de overheid blijven: het is duidelijk een publiek goed. De productie van energie kan in principe door marktpartijen worden gedaan, maar moet dan wel veel steviger worden gereguleerd dan nu het geval is.

Helaas hebben de Groenen in het Europees Parlement enkele nederlagen moeten leiden. Het opsplitsen van de energiebedrijven kreeg geen meerderheid in april van dit jaar. Maar ook is er niet gekozen voor een eenduidige energiebelasting voor energiebedrijven; een logische stap om de kosten van CO2-uitstoot en energiegebruik in de energieprijs te verdisconteren. Wel wordt er gewerkt via een emissiehandelsysteem (ETS). De reden is institutioneel: voor Europese belastingen is unanimiteit van alle lidstaten vereist. Een ETS valt onder de interne markt, waar gewerkt wordt met gekwalificeerde meerderheden van zowel de lidstaten als het Europees Parlement. Een ETS is voorlopig dus het meest haalbare. Maar zo’n ETS werkt alleen als de prijs van de emissierechten op een vergelijkbaar niveau komt als de kosten voor energiebesparing of groene alternatieven voor steenkool en/of gas. Dan wordt elk energiebedrijf namelijk telkens gedwongen om de afweging te maken of ze meer rechten gaan opkopen of dat ze meer investeren in schone technieken. Een directe energiebelasting zou hier direct op kunnen sturen. Nu zijn we afhankelijk van een complexe invulling van het ETS, waarbij het nog maar afwachten is of de theorie van het systeem ook in de praktijk gaat werken.

Een andere nederlaag werd vorig jaar geleden in de behandeling van de Europese wet over afvang en opslag van CO2 (carbon capture and storage, CCS in vaktermen). CCS is een dure techniek die nog zeker niet kosteneffectief is. Als onderdeel van ETS zou een energiebedrijf dus niet snel kiezen voor een dure, nog niet afgeronde techniek als CCS. De Europese politiek koos echter voor een CCS-wet die veel publieke subsidies stopt in CCS. Daarmee kunnen energiebedrijven blijven kiezen voor vuile technieken als kolenverbranding, omdat de oplossing van CCS ons aan de horizon wordt voorgespiegeld. Moeten we CCS dan verbieden? Nee; in een wereld die onder grote klimaatdruk staat, moet elke optie worden aangegrepen om CO2 uit de lucht te halen. Maar dat betekent niet dat het beleid één dure, onzekere optie moet voortrekken met subsidies. Als de energiebedrijven CO2 willen afvangen en opbergen, moeten ze daar ook zelf voor betalen. In een kosteneffectieve afweging zullen dan eerst groene opties als zon en wind de revue passeren voordat aan CCS wordt gewerkt.

2040

Maar het Europees Parlement heeft nog veel kansen op overwinningen de komende jaren. Allereerst is er in het voorjaar opnieuw de kans om kolencentrales een uitstootnorm voor CO2 op te leggen. We hebben wel normen voor luchtvervuilende gassen als NOx en SO2, maar niet voor CO2. In de Verenigde Staten heeft de rechter bepaald dat CO2 ook moet worden behandeld als ‘normaal’ luchtvervuilend gas. Als we dat doortrekken in Europa, betekent dat dus een CO2-norm voor elektriciteitscentrales, waardoor nieuwe kolencentrales onmogelijk worden. Tenzij ze CCS toepassen: een directe stimulans voor de bedrijven om daar eigen geld in te steken.

Daarnaast moet het Europese beleid niet stoppen bij haar huidige doel van twintig procent duurzame energie in 2020. Volgend jaar moeten alle lidstaten de eigen plannen inleveren waarin ze aangeven hoe ze hun doel voor het aandeel duurzame energie gaan halen. De Europese Commissie beoordeelt deze plannen, maar het Europees Parlement zal over de schouders van de Commissie kritisch meekijken. Het is daarbij essentieel dat de lidstaten een doorkijkje geven hoe ze na 2020 de groei van duurzame energie verder vormgeven: het beleid mag namelijk niet in 2020 stoppen. Ook moeten de plannen niet alleen aangeven hoe ze de productie van groene stroom willen vormgeven, maar ook hoe ze ervoor zorgen dat groene energie voorrang krijgt op het net en hoe die duurzame energie wordt opgenomen in de bredere energievoorziening.

Maar nog belangrijker de komende jaren wordt hoe Europa de energie-infrastructuur gaat vormgeven. Duurzame energie heeft andere kenmerken dan fossiele energie: zo is de toevoer minder makkelijk aan te passen aan de piekvragen, zullen de energievormen verschillen per land (wind op Noordzee, zon in Spanje, biomassa in Oost-Europa enz.) en zal er ook veel meer decentrale opwekking plaatsvinden, waardoor ook kleine leveranciers op het net zullen gaan ontstaan. Dit vraagt om een totaal andere vormgeving van ons elektriciteitsnet, dat Europees moet worden georganiseerd. Essentieel hierbij is dat centrale productie decentraal kan worden opgeslagen. Daarom is de overgang op elektrische auto’s zo belangrijk: het biedt een extra capaciteit om elektriciteit op te slaan die we in de toekomst hard nodig gaan hebben. En daarom moet ons elektriciteitsnet worden aangepast naar een tweerichtingsverkeer.

Dit alles illustreert dat een coherent Europees energiebeleid de komende jaren cruciaal is om de omslag naar echt nieuwe energie te maken. Theoretisch is het mogelijk om in 2040 onze elektriciteit volledig groen te produceren. Maar dan moet de politiek wel nu aan de bak. De eerste stappen zijn niet hoopgevend, waardoor het een self-fulfilling prophecy wordt dat we voorlopig wel afhankelijk van fossiele energie zullen blijven. Vooral het doorbreken van dit cynisme vraagt de komende jaren de meeste aandacht. Want hoe gelijk de Groenen ook hebben, uiteindelijk worden we afgerekend op het gelijk krijgen.

Delegatieleider van GroenLinks in het Europees Parlement.
Alle artikelen