Over hypocrisie gesproken

Column

Kinderslachtoffers tijdens de eerste golfoorlog

De problematiek die door de stroom van vluchtelingen wordt opgeroepen, beheerst het nieuws. Persoonlijk kan ik heel slecht tegen beelden van mensen die ‘s nacht door een rivier zwemmen of dagenlang in de regen zitten zonder verder te kunnen. Misschien behoor ik tot de generatie die vluchtelingenstromen associeert met de Tweede Wereldoorlog of met Joden die voorafgaand aan die oorlog elders een goed heenkomen zochten en veelal tegen gesloten landsgrenzen (ook die van Nederland) aanliepen. Misschien behoor ik ook tot de (uitstervende) generatie die is opgegroeid met de aanmaning om mild en behulpzaam te zijn voor de vreemdeling omdat wij allemaal, volgens het bijbelboek Exodus, vreemdeling geweest zijn in Egypte.

Velen kijken niet met mededogen naar de huidige crisis. Wat tegen hen te zeggen? Bestaan er nog wel morele argumenten tegen de oproep tot het sluiten van de grenzen? Zeker, elk ruimhartig toelatingsbeleid stuit op fysieke grenzen en onmogelijkheden: niemand, ook niet een land, is moreel gehouden tot het onmogelijke. Niet iedere wereldburger kan in Nederland of in Europa worden toegelaten. Maar dat is geen reden om de grenzen categorisch te sluiten voor groepen die in acute nood verkeren, of om al te snel ‘onmogelijk’ te roepen. Voor mij zijn er twee relevante argumenten: wie zijn gat verbrandt, moet op de blaren zitten; wie zijn vrijheid en welzijn aan anderen te danken heeft, dient ruimhartig te zijn.

Ten eerste: de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog is wellicht niet meer zo levendig, maar die aan de Golfoorlog van 2003 wel. Een ding staat intussen wel vast: het ging hier om een onrechtvaardige oorlog. En dat was misschien niet eens het meest verschrikkelijke. De geallieerden slaagden er (met gemak) in om Saddam Hoessein en zijn regime te verwijderen. Wat verschrikkelijk was dat de geallieerden helemaal geen plan hadden over hoe nu verder: de Iraakse staat werd ontmanteld en het Iraakse leger (met medeneming van de wapens) ontslagen. En maar hopen dat vanzelf een democratische regime in Irak zou opbloeien. Niets daarvan: een vreselijke (burger)oorlog ontstond, waaruit uiteindelijk een shiitische regering kwam bovendrijven. Natuurlijk nam het voormalige (soennitische) leger van Hoessein daarmee geen genoegen; zo vormde zich uiteindelijk, met steun uit de regio, een nieuwe staat in wording. Het antwoord op de vraag hoe IS in zo korte tijd een zo’n groot gebied militair kan beheersen is niet zo moeilijk: de militaire macht van IS is afgeleid van die van het voormalig leger van Hoessein; en uiteraard beweegt dat leger zich niet alleen binnen de grenzen van Irak, maar ook binnen Syrië. Niet verwonderlijk, gezien het artificiële karakter van de grenzen van het Midden-Oosten (de roep om landsgrenzen anders te trekken klinkt trouwens ook binnen Europa zeer luid). Kortom, wie denkt dat de huidige stroom vluchtelingen een geïsoleerd fenomeen is, lijdt aan welbegrepen gemakzucht. De huidige instabilititeit is mede een gevolg van de onverantwoorde militaire interventie (met steun van Nederland). En wie mede verantwoordelijk is voor het ontstaan van een probleem, is ook mede verantwoordelijk voor de oplossing.

Ten tweede: veel Nederlanders menen dat de toestand van veiligheid en welvaart waarin verreweg de meeste van hen verkeren, door henzelf tot stand gebracht is en dus verdiend. Dat geloof is tegenwoordig wijd verbreid: iedereen krijgt wat hem of haar op grond van de eigen inspanning toekomt. Maar dat is onwaar. Een van de belangrijkste determinanten van iemands levensverwachting is de plek waar zijn of haar wieg heeft gestaan. Dat geldt niet alleen voor individuen, maar ook voor naties. Nederland dankt zijn relatieve veilligheid en welvaart niet alleen aan zichzelf, maar zeker ook aan de inzet van anderen (bezoek maar eens de oorlogsbegraafplaatsen uit de Tweede Wereldoorlog) en aan zijn gelukkige ligging (‘bevrijd’ worden door de Russen was heel iets anders). Auteurs uit de oudheid betogen daarom dat minstens de helft van het leven van de mens en van de natie door ‘Fortuna’ wordt beheerst. Wie dus het fortuin heeft om in gelukkige omstandigheden te verkeren, klopt zich niet zelfgenoegzaam op de borst, maar betracht enige bescheidenheid. Wat een ander is overkomen, had evengoed mijn lot kunnen zijn. Wie meent ‘recht’ te hebben op wat het lot hem schenkt, lijdt aan welbegrepen zelfbedrog.

Hoogleraar rechtsfilosofie in Nijmegen. Oud-lid van de Raad van Advies van Bureau de Helling.
Alle artikelen