Artikelen tijdschrift
Strijdveld religie
Inleiding
De weg van de mens begint met de verdrijving uit het paradijs, zoals de cover van deze Helling toont. Hoeveel religieuze en politieke fantasieën er ook bestaan over heil en verlossing, over de hemel op aarde die aanbreekt wanneer de rode dageraad gloort, in het dagelijks leven worden we geconfronteerd met allerlei tegenslagen, onvolkomenheden en met de harde grenzen van het bestaan. Toch blijven mensen dromen van betere tijden.
Aan dat verlangen naar geluk ontspringen zowel religie en politiek. En zowel religie als politiek lopen het gevaar dat zij voeren tot het tegendeel: een angstige wereld waarin mensen onderworpen zijn aan goddelijke of wereldlijke machten die het individu vermalen. Sinds in de tijd van de Verlichting het ‘durf te weten’ klonk, is daarom religiekritiek én maatschappijkritiek een onmisbaar instrument voor iedereen die zich het hoofd wil breken over de plaats van godsdienst in onze samenleving. Overigens bestonden beide ook voor die tijd al. De bijbelse profeten waren niet te beroerd om zowel de politici (koningen) als de goden van hun tijd hard aan te pakken wanneer er in hun ogen sprake was van machtsmisbruik. En wat te denken van het feit dat christenen in het Romeinse Rijk werden vervolgd omdat zij beschouwd werden als atheïsten?
Angst
Het behoeft weinig betoog dat het vandaag opnieuw nodig is na te denken over de plaats van religie in onze samenleving. Want anders dan zowel linkse politici als sommige moderne theologen in de jaren zestig dachten, is het niet uit onze samenleving verdwenen maar staat opnieuw op de politieke agenda. De tijdschriften van de wetenschappelijke bureaus van veel andere politieke partijen gingen ons voor met een themanummer over religie, zoals het overzicht in de rubriek Verder lezen laat zien. En het rapport van de WRR over geloven in het publieke domein stamt al uit 2006.
Het werd dus hoog tijd voor dit nummer van de Helling, dat in zijn geheel is gewijd aan vragen rondom linkse politiek en religie. Het richt zich op de twee grootste godsdiensten in Nederland: christendom en islam. Bijna 1 miljoen Nederlanders zijn moslim, ruim 7 miljoen behoren tot een christelijke kerk. Alle auteurs in dit nummer rekenen zichzelf tot één van beide tradities, waarmee de Helling bewust het woord geeft aan links geëngageerde gelovigen.
Het zijn op dit moment vooral rechtse politici die aandacht geven aan religie. Of de film van Wilders al vertoond is bij de uitgave van dit nummer is bij het ter perse gaan nog niet duidelijk, maar duidelijk is wel dat rechts erin geslaagd is de latente angst voor moslims in onze samenleving naar boven te brengen. Het Europese Netwerk tegen Racisme stelde in haar jaarrapport over 2006 vast dat de angst voor moslims in West-Europa en in Nederland is toegenomen, net als racistisch geweld en extreme standpunten, die vanuit de marge van de politiek steeds meer doordringen in de grote partijen. Rechts kan daarvoor teruggrijpen op zeer oude controverses tussen Europa en de islam in de tijd van de kruistochten en het Ottomaanse Rijk en op de algemeen menselijke angst voor alles wat vreemd is.
Gecombineerd met onzekerheid over de gevolgen van globalisering en het toenemende pluralisme in onze samenleving is er, in de internationale context van ‘de strijd tegen het terrorisme’, een rijke voedingsbodem voor een nieuw vijandsbeeld dat het oude communistische spook vervangt. Daarbij werkt een gebrek aan kennis over de islam stereotiepe beeldvorming in de hand. De artikelen in het themadeel ‘islam en democratie’ bieden hier tegenwicht. Het afsluitende artikel van dit nummer van godsdienstlerares Greta Huis zoekt in het beeldverbod tegengif tegen gestolde beelden over moslims en anderen.
Karikaturale en versimpelde voorstellingen spelen niet alleen een rol waar het de islam betreft. De West-Europese geschiedenis van Verlichting en secularisatie wordt graag in stelling gebracht tegen de islam en tegen religie in het algemeen, vaak met weinig kennis over de manier waarop deze historisch gezien op elkaar hebben ingewerkt. Ernestine van der Wall, hoogleraar geschiedenis van het christendom aan de Universiteit Leiden, heldert in haar bijdrage enkele misverstanden over de historische relatie tussen religie en Verlichting op.
Maar met het verbeteren van kennis en het bestrijden van stereotiepen is het agendapunt politiek en religie niet opgelost, want de controverse tussen de landen waar de islam sterk vertegenwoordigd is en het Westen is wel degelijk reëel en werkt ook in de Nederlandse verhoudingen door. Islamgeleerde Tariq Ramadan en oud GroenLinks Tweede Kamerlid Mohamed Rabbae gaan er in hun bijdrage op in.
Linkse huiver
De vraag waar het echter in dit nummer van De Helling om gaat, is deze: wat is de reactie van de linkse politiek op deze nieuwe situatie? Herman Meijer, oud-voorzitter van GroenLinks, van angst, maar dat er geen expliciet beleid is ontwikkeld op het punt van godsdienst in het algemeen of van de islam in het bijzonder. Waarom is dat niet het geval? Een belangrijk stelt in zijn artikel dat de Kamerfractie van GroenLinks wel degelijk ingaat tegen de politiek element is ongetwijfeld de diepgewortelde huiver van links voor religie, gegrond in de linkse strijd tegen de macht van de clerus en christelijke denkbeelden waarbij mensen verteld werd hun lot geduldig te dragen omdat zij hun heil pas aan gene zijde konden verwachten. Theo de Wit van de faculteit katholieke theologie van de Universiteit van Tilburg, denkt in het hoofdartikel van dit themanummer op systematische wijze na over de relatie tussen linkse politiek en religie. Hij gaat ook in op de interpretatie van de beroemde ‘opiumtekst’ van Marx, waaruit blijkt dat Marx beter dan menig linkse politicus na hem begrepen had dat mensen vanuit een diep verlangen naar een beter bestaan elk middel tot verbetering van hun toestand aangrijpen en dat de troostende werking van het religieuze opium ook de kiem in zich draagt tot fundamenteel protest tegen een verkeerde wereld.
De linkse huiver voor religie bestaat nog steeds, ook al blijkt religie allerminst uit onze samenleving te verdwijnen en is er in het geïnstitutionaliseerde en minder geïnstitutionaliseerde christendom veel veranderd sinds de ‘rode dominees’ van na de oorlog, de opkomst van bevrijdingstheologie en het christelijke engagement met het socialisme. De artikelen in het themadeel ‘linkse christenen’ getuigen hiervan door middel van verschillende linkse visies op de relatie religie en politiek.
Nuttig in het huidige debat over de plaats van religie in de openbare ruimte zou een historische terugblik kunnen zijn op de manier waarop hierover in naoorlogs kerkelijk Nederland werd gesproken. Niet dat die denkbeelden nu nog direct toepasbaar zijn, maar er zou wellicht minder paniekerig gereageerd worden op theocratische tendensen in de islam wanneer we ons zouden herinneren dat het christelijke theocratische gedachtegoed – gebaseerd op de gedachte dat het Rijk Gods uiteindelijk bedoeld is voor alle mensen – in de jaren vijftig van de vorige eeuw nog werd uitgedragen door alom gerespecteerde hervormde hoogleraren. Weersproken werd het overigens wel, namelijk door theologen die vonden dat christenen niets voor hebben op anderen en daarom samen met niet-christenen op een zakelijke manier kunnen werken aan de inrichting van een menselijker samenleving.
Indirect laat deze terugblik ook zien dat een scheiding tussen godsdienst en staat – zij het ongetwijfeld de best denkbare – toch een onvolkomen manier blijft om de verhoudingen te regelen, omdat mensen uiteindelijk één zijn en hun levensbeschouwingen ook in de politiek met zich meedragen, en omdat de opdracht tot gerechtigheid en vrede zowel door de staat als de kerk verwerkelijkt moet worden, al zal er verschil van mening bestaan over de oorsprong van deze opdracht. Het maken van een onderscheid tussen 'kerk en staat' en 'geloof en politiek' zou in dit opzicht al een verbetering zijn. Overigens hebben we er in dit nummer voor gekozen niet uitvoerig in te gaan op deze discussie, omdat die al voldoende aandacht krijgt. Veel nuttig materiaal is bijeengebracht in het WRR rapport Geloven in het publieke domein.
Een ander probleem vindt eveneens zijn oorsprong in de debatten die vlak na de oorlog zo fel gevoerd werden in kerkelijk Nederland, bijvoorbeeld naar aanleiding van de Doorbraakbeweging van christenen die de confessionele partijen vaarwel zeiden en toetraden tot de PvdA. Het gaat om de vraag of christelijke politiek – je zou dat nu kunnen verbreden tot religieuze politiek zonder meer – wel mogelijk is. Gelovigen die voor een rechtse politiek kiezen, beroepen zich vaker dan linkse christenen rechtstreeks op de bijbel en dat is geen toeval. Linkse christenen hebben doorgaans een positievere verhouding tot de moderne samenleving met haar democratische structuur. Zij leggen het accent op de bevrijdende werking die geloof kan hebben en bekritiseren de onderdrukkende kanten van religie. Soms kiezen ook zij voor christelijke politiek, zoals de laatste voorzitter van de EVP, Cor Ofman, uitlegt in de tweede aflevering van de serie Founding Fathers. De stelling dat christelijke politiek niet kan bestaan omdat deze zichzelf steeds moet verraden, wordt verdedigd door de vrijzinnige econoom Harry de Lange, van wie in deze Helling een portret staat van de hand van Greetje Witte-Rang, die vorige week promoveerde op een biografie van De Lange. Ook Herman Meijer waarschuwt voor het politiseren van religie.
Strijdveld
In het land van koopmannen en dominees dat Nederland van oudsher is, bestaat klaarblijkelijk nog altijd de reflex om sociaal-economische conflicten in religieuze termen te gieten, maar de bijbehorende capaciteit om door fijnzinnig manoeuvreren een oplossing te vinden – zoals gebeurde na de schoolstrijd, waarvan het inmiddels omstreden artikel 23 van de grondwet de toen zeer bevredigende uitkomst was – zijn we kwijtgeraakt. Cor Ofman pleit ervoor om religieus aan het polderen te slaan, ook als het gaat om linkse verworvenheden als vrouwen– en homo-emancipatie. Hierover is ongetwijfeld het laatste woord nog niet gezegd en dat is ook de bedoeling, want deze Helling wil vooral materiaal aandragen om de neiging om het thema ‘religie’ uit verlegenheid maar links te laten liggen te helpen overwinnen en het debat over een samenhangende visie van Groenlinks ten aanzien van religie in de publieke ruimte van onze samenleving te bevorderen. Een dergelijke visie zou zich, blijkens de artikelen in dit nummer, in elk geval moeten realiseren dat religie een strijdveld is vol angels en voetklemmen. Daarom moet men zich hoeden voor simplistisch en generaliserend denken, maar steeds opnieuw zorgvuldig kijken naar de context waarin kwesties zich voordoen. De ideologiekritische vraag cui bono (wie profiteert) zou daarbij voor links een nuttige leidraad kunnen zijn.