Verantwoord ondernemen

Overheid moet zich er niet mee bemoeien

Maatschappelijk ondernemen wordt door de overheid ingezet als instrument om bedrijven tot beter gedrag aan te zetten. Dat is geen goede zaak.

Maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) wordt veelal voorgesteld als een recent verschijnsel. Een fenomeen dat zijn intrede deed in de jaren negentig van de vorige eeuw, in het kielzog van de opkomst van de gedachte dat bedrijven moeten streven naar een balans tussen people, planet en profit. Denk aan ondernemingen die zich inzetten tegen kinderarbeid, bijvoorbeeld door in landen waar deze praktijk nog niet is uitgebannen uitsluitend kinderen aan te nemen tegen een redelijk salaris, een korte werkweek en verplichte scholing. Of een bouwbedrijf dat zijn klanten standaard de keuze voorlegt om duurzaam hout te kiezen. Politiek-ethisch laat MVO zich omschrijven als de theorie die zegt dat partijen op de markt zich niet exclusief dienen te richten op de maximalisering van hun lange termijn eigenbelang. Zakelijkheid op de markt is goed maar marktpartijen dienen in hun overwegingen bepaalde moreel politieke principes te laten meewegen. De belangrijkste hiervan in de huidige context zijn respect voor mensenrechten en basale menselijke noden, en erkenning van het belang van duurzaamheid.

MVO is zeker geen vrucht van het laatste decennium van de twintigste eeuw. Ook in de jaren zeventig was het een bekend begrip en het gebruik ervan kan zelfs tot in de jaren dertig van die eeuw worden getraceerd. Kijken we naar de achterliggende politiek-ethische theorie dan wordt de geschiedenis nog veel langer en kunnen we het bijvoorbeeld herkennen in bepaalde socialistische theorieën. Dat maakt MVO als verschijnsel even oud als de praktijk van de vrije markt zelf.

Wel nieuw aan MVO is de overheidsbemoeienis. Tot eind jaren tachtig was MVO vooral een maatschappelijk gedragen fenomeen. Haar bron was de civil society. Vanaf de jaren negentig wordt de overheid een belangrijke motor achter de promotie van MVO. De overheid zet hierbij vooral faciliterende en communicatieve instrumenten in. De facilitering is erop gericht om bedrijven het makkelijker te maken aan de gang te gaan met MVO. Daartoe is ondermeer het informatiepunt MVO Nederland opgericht. Communicatieve instrumenten zijn erop gericht bedrijven ervan te overtuigen MVO op te pakken, bijvoorbeeld door een MVO-jaarprijs. Maar ook meer ‘materiële’ maatregelen ontbreken niet, denk aan het streven naar transparante markten.

Koppigheid

Bemoeienis van de overheid, dat lijkt een goede zaak. Toch is dat in dit geval geen onverdeeld gunstige ontwikkeling door de eigen redenen die de overheid heeft om MVO te willen stimuleren. Mede als gevolg hiervan is de betekenis en het karakter van MVO aan het veranderen. MVO verschuift van een fenomeen dat belangrijk is in het licht van het liberale karakter van onze samenleving naar een fenomeen dat relevant is als oplossing van een bepaalde bestuurlijke problematiek. Dat is op zichzelf al erg. Nog problematischer is dat mede als gevolg van het overheidsbeleid als het ware de voedingsbodem onder MVO wordt weggeslagen.

Allereerst: wat heeft MVO met het liberale karakter van onze samenleving te maken? Het korte en goede antwoord is: MVO is daar onlosmakelijk mee verbonden. De gelijke geboorte van de vrije markt en MVO is geen toeval. In het liberale denken staat vrijheid centraal. Deze vrijheid wordt deels ingevuld als economische vrijheid. Vrij zijn betekent gerechtigd zijn om als individu in economische processen het eigenbelang voorop te zetten. Liberale vrijheid laat zich echter niet reduceren tot economische vrijheid. Vrijheid heeft meerdere aspecten. Het is – en wellicht zelf primair – ook autonomie of morele vrijheid. Morele vrijheid houdt in dat een individu bij al zijn handelingen erkent dat hij ook rekening moet houden met bepaalde morele principes, zoals rechtvaardigheid. Economische vrijheid en morele vrijheid komen in de praktijk gemakkelijk met elkaar in botsing, zeker in een vrije markt economie waar onder druk van concurrentie een gerichtheid op het eigenbelang gemakkelijk ontaardt in een fixatie op het eigenbelang. In die context is MVO belangrijk omdat het laat zien en symboliseert dat ook op de markt de morele vrijheid niet mag worden genegeerd.

Werkelijk liberale markten zijn dus markten waarop MVO floreert. MVO toont aan dat de wenselijkheid van economische vrijheid niet noodzakelijk gepaard hoeft te gaan met de ontkenning van morele vrijheid. Precies daarom waarderen burgers en consumenten MVO ook sterk. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt wordt gewaardeerd om de koppigheid waarmee het de moraal op de markt verdedigt.

Misbruik

De overheidsbemoeienis met MVO in de jaren negentig kwam niet voort uit een plotseling besef dat liberale waarden op de markt verdedigd moeten worden. Er was een veel concretere aanleiding. In de jaren tachtig werden overheden in de gehele westerse wereld nadrukkelijk geconfronteerd met wat is gaan heten the limits of state action. Niet alleen het ideaal van de maakbare samenleving moest overboord worden gezet; de overheid kreeg meer moeite om zelfs een beperkt aantal doelstellingen te realiseren. Dit leidde tot een naarstige zoektocht naar nieuwe sturingsconcepten, nieuwe sturingsarrangementen en nieuwe sturingsinstrumenten. Het oog van de Nederlandse overheid viel op MVO dat al snel gezien werd als een nieuw hoopvol instrument, zeker omdat het Nederlandse bedrijfsleven relatief gevoelig is voor de centrale gedachte ervan.

Nu kan natuurlijk de vraag worden gesteld: nou en? Wat maakt het uit dat de overheid wellicht geen 'verheven redenen' had om MVO als liberaal fenomeen te stimuleren maar een bestuurlijke invulling eraan geeft? Is niet het belangrijkste dat MVO gestimuleerd wordt? Nee, de redenen maken in sommige gevallen heel veel uit, bijvoorbeeld als daardoor MVO fundamenteel van karakter verandert. Dat is precies wat er gebeurt.

MVO als liberaal fenomeen is vooral een besef. Het is het besef dat ook op de markt de gerichtheid op economische vrijheid haar grenzen moet kennen omwille van het belang van morele autonomie. Een liberale burger maakt geen misbruik van kinderarbeid omdat de bescherming van mensenrechten prioriteit heeft boven economische gewin. Een consequentie van dit besef is dat bedrijven zich niet meer exclusief gaan richten op winstmaximalisatie en dus bijvoorbeeld rekening gaan houden met mensenrechten en milieu in de beslissingen die zij nemen (zonder uiteraard daarbij het winstoogmerk uit het oog te verliezen. Juist goedwillende ondernemers moeten niet failliet gaan).

Voor de overheid die bestuurlijk naar MVO kijkt, zijn vooral die consequenties relevant. In het Nederlandse beleid gaat dit zover dat MVO soms zelfs volledig in termen van de doelstellingen wordt gedefinieerd. People, Planet, Profit is in het denken van de overheid niet een consequentie van MVO. PPP is MVO. Een van de zaken die hierdoor het meest verandert, is de relatie tussen MVO en de vereiste motivatie. Als liberaal fenomeen is MVO onlosmakelijk verbonden met een intrinsieke motivatie. Wat een bepaalde handeling of actie tot MVO maakt is het feit dat iemand de handeling verricht vanuit het besef dat handelen op een liberale markt niet exclusief mag zijn ingegeven door eigenbelang. Dat is precies de reden waarom we MVO ook waarderen. Bij MVO als bestuurlijk fenomeen doet de motivatie er niet langer toe. Alle handelingen die PPP dichterbij brengen, kunnen worden geboekt als MVO, ongeacht de motivatie.

Als gevolg van dit fundamentele verschil hebben de twee benaderingen een heel andere kijk op de relatie tussen eigenbelang en MVO. Als liberaal fenomeen is het ongerijmd te pogen MVO te stimuleren met een beroep op eigenbelang. MVO verzet zich juist tegen een fixatie op het eigenbelang op de markt. Vanuit de perceptie van de overheid is het echter tamelijk logisch te proberen MVO te koppelen aan het eigenbelang van ondernemingen. De motivatie voor MVO doet er immers niet toe en dan is het beroep op eigenbelang verstandig. Al met al verstaat het bedrijfsleven dat argument nog steeds het beste.

Reputatie

Het problematische van de betekenisverschuiving van MVO wordt duidelijker als we de nadelige implicaties ervan aanstippen. Een eerste implicatie is dat MVO onderhevig wordt aan een enorme culturele inflatie. MVO als liberaal fenomeen dwingt respect af bij burgers en consumenten. Het wordt ondubbelzinnig als goed ervaren als bedrijven aan MVO doen (mits zij natuurlijk niet alleen maar zeggen dat te doen). Maar wat is er nu zo geweldig aan een bedrijf dat op de markt niets anders doet dan zijn eigenbelang volgen? Daar is niets waardevol aan. Dat dit bedrijf naast winst ook bepaalde andere doelstellingen haalt is natuurlijk wel aardig maar moreel niet erg interessant. Een bakker die puur omwille van zijn reputatie zijn klanten altijd het juiste wisselgeld geeft, is een verstandige bakker, geen moreel bijzondere bakker. We waarderen hem als zakenman, niet als liberaal burger. Door de betekenisverschuiving kunnen de culturele wortels van MVO worden ondergraven. Het wordt een moreel oninteressant fenomeen dat moreel geen waardering opwekt en dus op de lange duur geen betekenis meer heeft.

Een tweede nadelige implicatie van de betekenisverschuiving is dat het impliciet een volledig verkeerde boodschap geeft aan het bedrijfsleven. De door de overheid verkondigde boodschap dat MVO vooral interessant en relevant is voor het bedrijfsleven vanwege het (lange termijn) eigenbelang van ondernemingen is verraderlijk. Wat de overheid hiermee immers zegt is niet alleen dat MVO vaak in het eigenbelang van ondernemingen is. De overheid zegt ook dat bedrijven in hun eigenbelang moeten handelen. Nu is dat in abstracto natuurlijk niet erg maar juist in het kader van MVO is het dat natuurlijk wel. Vanuit liberaal perspectief is MVO nu net een reactie op de exclusieve fixatie op het eigenbelang op de markt. Opnieuw geldt dus dat de overheid op zijn minst een stoorzender is als het gaat om het adequaat verstaan van MVO.

Zwijgen

Deze nadelige implicatie kan ook worden geïllustreerd met behulp van een fenomeen dat in de literatuur bekend is komen te staan als the moral muteness of managers. Het morele zwijgen van managers is een empirisch gedocumenteerde ontwikkeling waarbij het spreken over morele kwesties in morele termen binnen bedrijven steeds moeilijker wordt. Het morele zwijgen van managers betekent niet noodzakelijk dat managers immoreel handelen. Moral muteness betekent dat er niet meer expliciet over moraliteit gesproken wordt. Morele vraagstukken worden omgesmolten in een ander type spreken, bijvoorbeeld dat van het lange termijn eigenbelang of van het reputatiemechanisme.

De discussie over kinderarbeid wordt dan bijvoorbeeld gevoerd in termen van de wensen van stakeholders of het belang de consumenten tevreden te houden. Vanuit het perspectief van MVO als liberaal fenomeen is het toenemen van het morele zwijgen van managers een zorgelijke ontwikkeling. Moral muteness is niets anders dan de ontkenning van het belang van morele plicht als aparte handelingsmotivatie op de markt. Waar moreel zwijgen heerst, worden alleen nog economische argumenten overtuigend geacht. Een bedrijf moet zich niet inzetten tegen kinderarbeid omdat het moreel verkeerd is maar omdat de consumenten het zo willen. De bestuurlijke interpretatie van MVO staat echter neutraal tegenover moral muteness. Het past zich hierbij aan of versterkt deze ontwikkeling wellicht zelfs.

In de onderbuik van het liberale denken bevindt zich het libertaire denken of laissez faire denken. De kern hiervan is dat de overheid altijd slecht functioneert. Hoe erg maatschappelijke problemen ook zijn, wie de overheid erbij haalt maakt de problemen alleen maar groter. Deze kritiek op het MVO-beleid is niet bedoeld als bevestiging van het gelijk van het libertaire denken. De overheid kan wel degelijk een taak vervullen ter stimulering van MVO, al was het alleen al bij het doorbreken van het morele zwijgen van managers. Niettemin dient adequaat MVO-beleid in een liberale samenleving te beginnen met de vaststelling dat de concrete belangen van de overheid niet noodzakelijk identiek zijn aan het publieke belang. Die vergissing is in het huidige MVO-beleid gemaakt.

Hoogleraar Bedrijfsethiek aan Tilburg University.
Alle artikelen