Vrijheid in gemeenschap

Individualisme en gemeenschap gaan goed samen

Meer individuele vrijheid heeft er niet toe geleid dat Nederlanders geen lid meer zijn van clubs, verenigingen en organisaties. Of dat ze geen groepsgedrag meer voortonen. Het tegendeel is het geval. Individualisme en gemeenschap gaan heel goed samen.

Je krijgt met de krant op schoot al snel de indruk dat Nederland in verwarring is over haar zelfbeeld. Nederlanders zijn losgeslagen en eenzame figuren, volgens de pessimisten. Nederlanders zijn vrije en unieke wezens, volgens de optimisten. Beide dankzij de individualisering. Minister-president Jan Peter Balkenende startte een normen- en waardenproject, omdat de individualisering ons niet alleen normloos heeft gemaakt maar ook de gemeenschappelijke basis onder de samenleving heeft weggeslagen. Tegelijkertijd benoemde een collega van Balkenende, Laurens Jan Brinkhorst, de individualisering als een van de meest positieve bronnen van emancipatie. Eén regering, twee mensen en twee verhalen over wat er in Nederland aan de hand is, met behulp van dezelfde term: individualisering. Of neem het debat tussen autochtoon en allochtoon. Het grote verschil tussen ‘wij’ en ‘zij’ is dat ‘wij’ geïndividualiseerd zijn, bevrijd van vader, kerk en staat. En ‘zij’ worden nog door het juk van imam en eer tot groep geknecht.

Wat is aan de hand? Wat is die individualisering precies? Wat wordt precies bedoeld wanneer gesteld wordt dat mensen steeds vrijer worden en zich steeds minder van elkaar aantrekken? Belangrijker nog: zijn we eigenlijk wel zo onafhankelijk of maken we onszelf iets wijs? In het boek Kiezen voor de Kudde (2004) hebben we een aantal onderzoekers de vraag voorgelegd na te gaan of mensen inderdaad meer individueel gedrag vertonen en meer eigen keuzes maken. Maken ze minder deel uit van groepen en worden ze minder door sociale categorieën (klasse, sekse, leeftijd, opleiding) beïnvloed, zoals wel verondersteld wordt?

Als korte conclusie citeren we hier de hoogleraar arbeidseconomie Paul de Beer uit zijn bijdrage aan het boek. Hij stelt: “Anders dan vele sociologen beweren zijn sociale kenmerken als geslacht, leeftijd, gezinssituatie, opleidingsniveau en geloof in de loop van de tijd niet minder maar meer relevant geworden om gedrag en opvattingen van mensen te begrijpen.”

Hetero’s

Door het verdwijnen of terugtreden van traditionele instituties (politieke partijen, kerken, vakbonden) zijn mensen niet ‘losser’ in het leven komen te staan. Mensen wisselen tussen politieke partijen, maar binnen voorspelbare marges. Ze willen allemaal een eigen auto maar wel dezelfde en ze willen vooral allemaal tegelijk rondrijden. Ze hebben afhankelijk van hun culturele achtergrond allemaal identieke woonverlangens. Ze sporten nog graag in clubs en als ze individueel sporten is dat een voorgeschreven en voorspelbare keus.

Dat de greep van familie, buren, buurt en kerk op het leven van mensen sinds de jaren zestig sterk is afgenomen, leidt dus niet tot meer diversiteit. Collectief koesteren we individualistische waarden, staan we pal voor de gelijkheid van mannen en vrouwen, van homo’s en hetero’s. Je kunt het groepsgedrag ook negatiever uitleggen, zoals de Belgische socioloog Mark Elchardus dat doet. Hij stelt dat vroeger de conformerende dwang van overheid en kerk kwam, maar dat deze tegenwoordig vooral van de commercie en meer in het bijzonder van de televisie komt. Nog nooit eerder in de geschiedenis, zo schrijft Elchardus in Kiezen voor de kudde, kon je een moment aanwijzen waarop zoveel mensen elke dag tegelijk hetzelfde deden: de televisie inschakelen. Maar, tekenen wij aan, mensen beslissen zelf om dat te doen.

We stuiten hier op de omstandigheid dat mensen onder liberale omstandigheden collectief gedrag vertonen en sterk door collectieven worden beïnvloed. De tijdgeest mag liberaal zijn, mensen blijven sociale wezens. Dat dwingt tot een nauwkeurigere empirische en normatieve plaatsbepaling. Empirisch, omdat de aard van ons groepsgedrag ondertussen wel degelijk is veranderd ten opzichte van de jaren vijftig en zestig. Normatief, omdat het oordeel over groepsgedrag in de laatste decennia negatief is geworden. De dominante gedachte in links en liberale kringen was dat het uitstierf en dat dit prima was.

Bonnefooi

Eerst iets over de empirie van het aanhoudend groepsgedrag. Volgens wakkere statistici is het nogal wiedes dat je kuddegedrag meet: als je gedrag van mensen gaat bijhouden zal je áltijd een of andere vorm van massaliteit vaststellen (en niet onder 16 miljoen mensen 16 miljoen verschillende gedragingen vinden). Het is bovendien, aldus critici, evident dat er wél sprake is van individualisering omdat mensen zich vrijelijk in en uit groepen kunnen bewegen.

De vraag is natuurlijk wat je onder individualisering verstaat. Is dat eigen keuzes kunnen en willen maken, of daadwerkelijk afwijkend gedrag vertonen. Wanneer je zegt dat mensen vrijer zijn omdat ze tegenwoordig met een rugzak op de bonnefooi naar Australië kunnen, kun je dat net zo goed bestrijden omdat ze dat állemaal doen, op hetzelfde moment bovendien, en elkaar down under direct ook weer opzoeken. Maar om deze kwestie – zijn we vrijer of minder vrij – aan de orde te stellen was het ons niet te doen. Het gaat er om hoe mensen die vrijheid gebruiken. Bijna niemand blijkt te verlangen naar een ongebonden, autonoom of contextloos leven.

De gemeenschapsbanden bestaan nog altijd. Maar ze zijn veranderd. Ons groepsgedrag is ‘lichter’ geworden, makkelijker, minder beperkend. De collectieven waar de Nederlanders tegenwoordig deel van uit maken, zijn zwakker dan de ooit zo robuuste partijen, kerken, vakbonden of gezinnen. Het geldt voor de formele verenigingen en organisaties en voor de informele verbanden en clubs. Officiële clubs en losse sociale netwerken zijn over het algemeen makkelijker te betreden maar worden ook makkelijker verlaten.

Wereldkampioen

Zo gek is het dan ook niet dat veel mensen denken dat we toch losgeslagen zijn. De beroemde these van de Amerikaanse socioloog Robert Putnam in zijn boek Bowling Alone, die Amerika ten prooi ziet vallen aan de negatieve gevolgen van een uiteenvallend verenigingsleven, heeft veel instemming gekregen. Maar Nederland, zo blijkt ook uit onderzoeken die worden aangehaald in Kiezen voor de kudde, blijft wereldkampioen verenigingen. Hier blijkt de sociale weerbaarheid, voor zover die van een actief maatschappelijk leven afhankelijk is, nog wél voorradig. Deelname aan iets klassieks als ‘vrijwilligerswerk’ verandert wel van aard maar niet van betekenis. Sociale activiteit verdwijnt ook niet als heel moderne middelen in het spel zijn. Denk aan de bellende, sms-ende en in MSN-groepen zittende scholier. In Kiezen voor de Kudde beschrijft Marianne van den Boomen hoe mensen internet gebruiken om nieuwe groepen te beginnen en oude voort te zetten, om te discussiëren, te spelen, een partner te zoeken of om een hobby op uit te oefenen. De empirie is zware kost voor liberalen: dat in de praktijk de individualisering niet het einde betekent van groepsvorming, ontkennen ze onder verwijzing naar keuzevrijheid. Het belang van keuzevrijheid is in het bovenstaande echter niet ontkend; het effect is alleen anders dan gedacht.

Voor bijvoorbeeld de Vlaamse liberaal Dirk Verhofstadt is het opvallend uniforme gedrag dat mensen laten zien als gevolg van die keuzevrijheid, een non issue. In een kritiek op de analyse van het kuddegedrag komt hij met een interessante lijst voorbeelden die bewijzen dat de persoonlijke autonomie sterk is toegenomen: abortus, anticonceptie, homohuwelijk, euthanasie. Dat zijn echter verworvenheden die je wel vrijer maar helemaal niet perse anders maken. (En die bovendien eerder door ‘links’ dan door ‘liberaal’ bevochten werden.) De vrijheid is groter geworden omdat het aantal keuzemogelijkheden is toegenomen. Neemt nu de betekenis van die keuzemogelijkheden af wanneer iedereen vervolgens en masse weer hetzelfde kiest? Dat niet. De overgrote meerderheid van de Nederlanders (en veel Belgen) heeft zich de progressieve waarden van de jaren zestig en zeventig eigen gemaakt – dit doet niets af aan het belang van keuzevrijheid als zodanig. Tenminste: wanneer sprake is van de mogelijkheid om te kiezen.

Om los te komen van de hippie-agenda doet Verhofstadt de suggestie dat ook de commercie mensen vrijer maakt. Dit omdat begeerlijkheden als de Ipod en de BMW hen de ruimte bieden om individu te worden. Maar met het blote oog is zichtbaar hoe mooie spullen geen uitdrukking zijn van gevoelde individualiteit, maar vormgevers van vermeende individualiteit.[1] Natuurlijk worden mensen blij van spullen kopen en hebben. Maar zegt dat iets over hun onafhankelijkheid? Meestal is het juist het zoeken naar veiligheid van de groep die mensen de mode doet volgen.

Gepeupel

Van de empirie naar de moraal. Waarom wordt het groepsgedrag van Nederlanders als een onwelkome boodschap ontvangen in linkse en libertaire kringen? Wellicht door de angst dat hier sprake zou zijn van het c-woord. Communitarisme. In een tijd waarin zelfs links liberaal is, moet je natuurlijk niet van gemeenschapsdenken beticht worden – tenzij je als eenling door het leven wilt. Die weerzin tegen dat gemeenschapsdenken laat zich goed uitleggen aan de hand van het werk van de recent populair geworden filosoof Ad Verbrugge. Verbrugge bekritiseert de opvatting dat gemeenschappen de individuele vrijheid in de weg zitten en stelt juist dat gemeenschappen vrijheid mogelijk maken. Daarbij lijkt het traditionele gezin voor hem de oervorm van gemeenschap te zijn en de uitweg uit elke crisis. Verbrugge in zijn boek Tijd van Onbehagen: “In de verabsolutering van de individuele vrijheid van de persoon met zijn eindeloze behoeften en verlangens kweekt onze samenleving cultuurloos gepeupel dat zich asociaal en gewelddadig manifesteert.” Zo´n paardensprong van emancipatie naar F-side maakt in verlichte ogen elke vorm van denken over groepen of pleiten voor groepen natuurlijk verdacht. Het verlangen naar disciplinering dat hier uit spreekt, is op dit moment geen eenzaam gevoel. Het valt ook te horen in betogen van Piet Hein Donner. Maar als je het “cultuurloos gepeupel” rondom de kachel dwingt, zou het dan meer of minder militant worden? Verbrugge plaatst de belangen van de gemeenschap boven die van het individu. Dat is onverstandig, onjuist en onnodig.

Het goede nieuws is dat onder liberale condities wel degelijk gemeenschappen mogelijk zijn. De vraag is niet langer of je voor individualisering of voor gemeenschappen bent. Toegenomen persoonlijke autonomie leidt zoals we hebben gezien in de meeste gevallen niet tot zeer verschillende en alleen geleide levens. Het onderzoek in Kiezen voor de kudde dwingt tot een veel grotere nauwkeurigheid dan het slordige liberale idee dat mensen in alle facetten van hun leven verlangen naar ongebondenheid en keuzevrijheid (waar recent ook de Amerikaanse psycholoog Barry Schwarz in The Paradox of Choice op wijst). Veel van de liberale critici van elke vorm van gemeenschapsdenken nemen hun eigen quasi-autonome bestaan als exemplarische situatie, om een term van Lolle Nauta te gebruiken.

De kunst is in te zien dat ook moderne mensen streven naar groepsvorming, en dat ze daar nieuwe manieren voor vinden. De lichte gemeenschappen zijn juist het tegendeel van de onderdrukking die moderne mensen vermoeden in pleidooien voor het gezin als fester Burg. Lichte gemeenschappen zijn de voortzetting van het liberalisme met collectieve middelen. Het zijn de collectieve verschijningsvormen van wat Isaiah Berlin (géén liberaal) positieve vrijheid noemt. Daarin kan individuele vrijheid of in Berlins termen negatieve vrijheid betekenisvol tot zijn recht komen.

Lichte gemeenschappen kunnen vriendenclubjes of studiegezelschappen, families of crèches zijn. Maar ze dragen altijd kennis, kunde en kritiek van de buitenwereld, van andere lichte gemeenschappen in zich. Juist hun lichtheid maakt dat de gemeenschappen waar het hier om gaat niet altijd als zodanig herkend worden – toch is het onmiskenbaar dat sportverenigingen, homowandelclubs of internetfora naast hun directe behoeftebevrediging ook bredere sociale functies hebben. Ze zijn het logische gevolg van de botsing tussen de klassieke gemeenschappen familie, kerk, natiestaat aan de ene kant en de emancipatiebewegingen van de afgelopen eeuw aan de andere kant.

Burka

Als lichte gemeenschappen bestaan, heb je ook ‘zware’ gemeenschappen. Deze laatste vallen meer op in de maatschappij omdat ze vaak wel afwijkend gedrag vertonen. Zware gemeenschappen zijn bijvoorbeeld de families waar meisjes zich niet van de controle van hun vaders en broers kunnen bevrijden. (Onder een burka heb je altijd een zware gemeenschap.) Uit het bestaan van lichte en zware gemeenschappen volgt een politieke opgave: groei van de persoonlijke vrijheid, zonder dat de gemeenschap verloren gaat. Dat kan door te zorgen dat mensen kunnen kiezen voor de gemeenschap.

Die politieke opgave gekoppeld aan het bestaan van prettige en onprettige groepen vraagt wel om nauwkeurigheid. “Meer sociale cohesie”, om eens een populaire slogan te gebruiken, is geen antwoord op problemen in zware gemeenschappen. Net zo min als het aantasten van de bestaansgronden van zware gemeenschappen door die belachelijk te maken of buiten de orde te verklaren. De problematische kanten moeten aan de orde gesteld worden, via het strafrecht als dat nodig is en via opdringerigheid en onderwijs als het kan. Het gaat vooral om het bevorderen van voice- en exit-mogelijkheden: zodra leden van een zware gemeenschap kunnen protesteren of weglopen verdwijnt de zwaarte. Participatie in andere gemeenschappen (noem het burgerschap) brengt verlichting.

Om dat voor elkaar te krijgen heb je voorvechters nodig, mensen die hun nek durven uit te steken, en die krijg je door goed en toegewijd onderwijs. Je hebt ook scherpe waarnemers nodig die van buitenaf kunnen interveniëren. De Franse filosoof Oliver Roy had gelijk toen hij recent in Trouw opmerkte: denkers en priesters moeten zich met de geloofsgemeenschap van de ander bemoeien. En als het de enige manier is om migrantenvrouwen het huis uit te krijgen, kunnen de veelbespotte fietslessen erg nuttig zijn. Het is hoe dan ook zaak de buitenwereld zo´n zware gemeenschap binnen te loodsen en omgekeerd.

Lichte gemeenschappen op hun beurt zijn niet alleen een middel tot emancipatie. Ze zijn ook als zodanig plezierig. Het gaat hier dus uitdrukkelijk niet om het overnemen van de rol van de oude zuilen, zoals het sterk worden in eigen kring van de arbeiders, de vrouwenbeweging of de katholieken. Je hoeft je niet alleen te organiseren met je eigen vooruitgang in het achterhoofd, al zullen velen – autochtoon en allochtoon – dat toch ook doen. Deze lichte gemeenschappen zijn in principe passief waar het op normen aan komt. Ze hanteren wel normen, maar dragen ze meestal niet uit. Ze laten zich dus niet makkelijk lenen voor iets als een ‘beschavingsoffensief’.

Feesten

Dat betekent niet dat buurtvaders, die nogal offensief zijn in het uitdragen van normen, omdat ze jongeren op de vingers tikken, geen lichte gemeenschap zijn. Dat zijn ze wel: ze richten zich op een specifieke groep. Maar het blijft licht: toetreden en weglopen staan hen immers vrij.

Ondanks hun lichtheid kunnen lichte gemeenschappen in politieke zin een zware taak krijgen. Uit de manier waarop moderne burgers zich organiseren spreekt immers een onmiskenbare maatschappelijke betrokkenheid. Tegelijkertijd is er sprake van afnemend vertrouwen in politieke partijen en andere gevestigde maatschappelijke instituties. Het is een schijnbaar paradoxale ontwikkeling waar het Sociaal en Cultureel Planbureau recent herhaaldelijk verslag van deed. Het engagement van burgers sluit niet meer aan op de organisaties die daar vorm aan willen geven. Om cynisme te voorkomen is vernieuwing van de rol die burgers hebben – in corporaties, collectieve voorzieningen, verenigingen, en andere (‘alternatieve’) politieke processen – nodig. Het type groepen waar dit verhaal over gaat biedt daar alle ruimte voor.

Ondertussen zijn ook de lichte gemeenschappen niet probleemloos. Sommigen zullen ze ongrijpbaar vinden, ‘ondraaglijk licht’. En een samenleving van lichte gemeenschappen is niet perse verdraagzaam of zachtaardig. Lichte gemeenschappen sluiten ook mensen buiten als dat voor hun bestaan nodig is – dat homo’s onder elkaar willen feesten is voor het versierslaagpercentage wel zo handig.

Sommige mensen blijven buitengesloten, soms moedwillig omdat ze lid willen zijn van een zware gemeenschap, soms gedwongen omdat ze in de ban zijn van een lid van een zware gemeenschap. Er zijn ook mensen die niet meedoen door gebrek aan mogelijkheden, omdat ze geen opleiding, huis of vaardigheden hebben. Die laatste groep mensen ervaren wel de negatieve kanten van de lichte gemeenschappen, de relatief hedonistische inslag, de tijdelijkheid, de beperkte toegang, maar niet de positieve kanten. Eenzaamheid en armoede zijn geen keuzes. De Pauluskerk in Rotterdam is noodgedwongen een zware gemeenschap. Dat betekent dat ook onder condities van lichte gemeenschappen niet alleen sociaal maar ook economisch gestuurd en geïntervenieerd moet worden. Niet alleen met het oog op degenen die geen deel hebben aan de lichte gemeenschappen. Ook gericht op degenen die ze al te lichtvaardig gebruiken. Individualisme kan ontsporen, met uitwassen als graaigedrag en hufterigheid. De erkenning dat vrijheid uiteindelijk niet door één individu, maar binnen een geheel (een gemeenschap, een maatschappij) gerealiseerd wordt, moet wel degelijk hoog op de agenda geplaatst worden.

Literatuur:

- Paul Dekker, Joep de Hart en Esther van den Berg: ‘Democratie en civil society’, in: In het zicht van de toekomst; Sociaal en Cultureel Rapport 2004; SCP 2004.
- Jan Willem Duyvendak en Menno Hurenkamp (red.): Kiezen voor de Kudde; Lichte gemeenschappen en de nieuwe meerderheid;Van Gennep, 2004.
- Ad Verbrugge: Tijd van Onbehagen; Sun, 2004.
- Dirk Verhofstadt: ‘Kiezen voor de Kudde’, artikel te vinden op www.liberales.be.

Voetnoten 

1. Ook wat dat betreft is geen nieuws onder de zon. “The large national advertisers fix the surface of his life, fix what he believes to be his individuality. These standard advertised wares – toothpastes, socks, tires, cameras, instanteneous hot water heaters – were his symbols and proofs of excellence, as first the signs, then the substitutes for joy, passion, and wisdom. (Sinclair Lewis’ Babbit (1922))

Hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Directeur van NIAS-KNAW.
Alle artikelen
Hoofdredacteur van Socialisme & Democratie.
Alle artikelen