24 apr 2013

Boontjes moderne mens

Louis Paul Boons rauwe beschrijvingen van de werkelijkheid leggen de kracht van zijn tederheid juist bloot. Zoals volgens Boon dromen de motor van de wereld zijn, zo is zijn bewogenheid de drijfveer van zijn schrijverschap. 

En ge zult het niet gelooven maar dit is een boek op zoek naar god (ik weet niet wat gij onder god verstaat maar voor mij beteekent het: l'age d'or de toekomstwereld de gouden eeuw de zaterdagavond het sprookje de zon de nieuwe mens)

Was de Vlaamse schrijver Louis Paul Boon (1912-1979) inderdaad op zoek naar God, zoals hij beweerde in zijn roman Mijn kleine oorlog uit 1947? Het werk van de socialistische, anarchistische, vloekende, twijfelende en altijd rauwe en ongekuist formulerende Boon middels deze vraag aan de orde stellen, is een gewaagde onderneming. Aangezien Boon bovenstaande tekst bij een herdruk van zijn boek in 1960 schrapte, lijkt het zelfs een onderneming die bij voorbaat gedoemd is te mislukken. God en Louis Paul Boon: het is een hoogst ongebruikelijke combinatie. Toch lijkt juist deze vraag mij bij uitstek geschikt om duidelijk te maken hoe ik Louis Paul Boon, sinds ik hem rond mijn zestiende ontdekte, heb gelezen en herlezen en waarom zijn werk me steeds opnieuw raakt. Ik beperk me daarbij grotendeels tot een bespreking van het boek Mijn kleine oorlog, omdat de intense spanning die uit al zijn werk spreekt, in dit boek al heel duidelijk aanwezig is.

Geen god

Voor de rooms-katholieke burgerij in het Vlaanderen van vlak na de oorlog zou het een ongehoorde stelling zijn geweest, dat de schrijver Louis Paul Boon op zoek zou zijn naar God. Het grove volkse taalgebruik, de ongezouten kritiek op de kerk en de intellectuele elite, en het algemene miserabilisme van Mijn Kleine Oorlog, dat ook al zijn debuut De Voorstad groeit kenmerkte, ('Het leven is een wiel, het draait en ge ziet altijd iets nieuws en ge ziet altijd hetzelfde') zorgden voor een slechte ontvangst van Boons oorlogsboek. Het Handelsblad schreef op 30 mei 1947: 'Dit onbeschaafde (ongeschaafde) proza is geen verheffende literatuur. Het is de geile stotter- en brabbeltaal van losgeslagenen van het anker Gods, van een wrak onder wrakken, waarin de adem van de kunstenaar slechts van ver aanwezig is.'1

Inderdaad, Boon zag zichzelf als een 'wrak onder de wrakken'. Tijdens de lange oorlogsjaren is hij zijn vroegere idealisme kwijt geraakt – net als veel jongeren van zijn generatie was Boon gegrepen door het pacifistische ideaal van Romain Rolland en zijn verzet tegen het nationalisme in Europa. De tekst over Mijn kleine oorlog als een zoektocht naar god lijkt Boon bij het gehaast druk klaar maken van het boek vergeten te schrappen.2 Louis Boon werd in 1939 gemobiliseerd voor de korte, vergeefse strijd om de Duitse troepen uit België te houden. Hij bracht drie maanden in krijgsgevangenschap door. In die dagen kreeg hij al zijn portie ellende, maar wat hem pas werkelijk uit het lood sloeg was het alledaagse gedrag van mensen in de oorlog. Hij schrijft daarover in korte, zonder interpunctie achter elkaar gemonteerde fragmenten. Een voorbeeld:

En de rijkemenschen die belgischgezind zijn en die als de vliegers overkomen zeggen dat ze alle nachten zouden moeten overkomen en BOMMEN SMIJTEN BOMMEN SMIJTEN maar ze houden hun hek gesloten zodat het arme volk dat van het elektriekfabriek of van het goederenstation wil wegvluchten niet langs hun tuin zou komen en het gras vertrappen

En de armemenschen die dat aan de rijkemenschen verwijten – zeer stil opdat ze het niet zouden hooren – of dat nu belgischgezind zijn is? Maar als ze kolen aan het station gepakt hebben verkoopen ze die aan die rijkemenschen en zitten zelf in de koude

En de jeugd die tusschen den bommenregen een nieuwe mode uitvindt en die de haren laat groeien en een te korte broek draagt maar hol en leeg is in haar gedachte – en de s.s. die een danszaal binnen valt en zich amuseert met den revolver in de vuist – gisteren zijn ze een huisje binnengevallen en hebben ze de vrouw aangepakt en de kinderen verkracht en de spaarzame meubelkens in stukken geklopt, daarna bleek dat ze zich mispakt hadden van huisje (84)

Boons literaire stijl is voor veel romanlezers nieuw. Hij heeft zich laten inspireren door Paul van Ostaijen, maar ontwikkelt een geheel eigen vorm. Zijn fragmentarische, onoverzichtelijke composities breken met de klassieke afgeronde roman zoals de inhoud breekt met het grote verhaal en met de mooie idealen. In een van de fragmenten bezingt Boon de Jazz, die hij aanduidt als de 'ziel van onzen kapotten tijd, van onze vertwijfeling en woede en wanhoop en misplaatste liefde voor allen die wij veel beter zouden kraken, van onzen tijd dus waarin wij, ieder voor zichzelf, ons niet thuis voelen, maar waarin geen ander geslacht dan het onze het misschien zou kunnen uithouden, o armstrong met uw trompet.' (p. 95)

De god van de gevestigde kerk is bij Boon kortom niet te vinden. Hij zoekt, noch geeft troost met een geloof in een hiernamaals waar alles beter zal zijn, noch ziet hij een god die alles bestiert en die de mensen een betere wereld zal brengen, ooit. Elke gedachte aan een transcendente werkelijkheid ontbreekt bij Boon. Het godsbeeld dat hij in het aangehaalde fragment oproept is sowieso al weinig orthodox; eerder roept het associaties op met een mooi sprookje uit vervlogen tijden, of hooguit met de socialistische heilsstaat, door woorden als de zon, de gouden eeuw en de nieuwe mens. Maar zelfs dat godsbeeld schrapt Boon bij de heruitgave van Mijn kleine oorlog.

Boon stond bekend om zijn linkse sympathieën, hij werkte lang voor het socialistische blad Vooruit, maar lid van een communistische of socialistische partij is hij nooit geweest. Het kwaad zat wat hem betreft niet alleen in religieuze illusies of in de maatschappelijke structuren – al nam hij elke gelegenheid te baat om met beide de vloer aan te vegen – uiteindelijk zit het kwaad diep in de mens zelf geworteld. Boons boeken, waarin de ellende van generatie op generatie wordt doorgegeven, zijn doordrenkt van een fatalistisch en naturalistisch wereldbeeld. De mens moet struikelend voortsukkelen in een almaar doorgaande tredmolen van onrecht, domheid en misère, zonder zelfs maar een schone illusie bij de hand om de pijn te verzachten. ' ... dat de mensch een mensch is die moet eten en drinken en pissen en kakken en denken en twijfelen en doen (en doen beteekent vaneigens, want dat is juist het menschelijke, verkeerd doen) .' (p. 114) God, en alle andere mooie vergezichten, hebben bij Boon onherstelbaar 'hun gezicht verbrand' en troosten niemand meer... De hardste strijd in het leven is wat hem betreft dan ook de strijd om niet bitter te moeten worden. (p.117)

De navel van de wereld

In die strijd tegen de bitterheid heeft Boon dus niets meer om op terug te vallen. Zijn twijfel over alle levensbeschouwingen en zijn vertwijfeling over het bestaan, deelt hij met veel anderen die twee wereldoorlogen hebben meegemaakt. Het werk van Boon getuigt op het scherpst van de snede van de stemming van de naoorlogse twintigste eeuwse Europeaan, die uit het centrum van de wereld is geslingerd. Wat blijft, althans bij Boon, is ongekuiste levensdrift en verontwaardiging over het onrecht. Dat voert in al zijn boeken tot een onrustige en nooit besliste strijd tussen woede, berusting en mededogen. Mijn kleine Oorlog eindigde in 1947 met de in kapitalen gedrukte zin: 'schop de mensen tot ze een geweten krijgen', waaruit je zou kunnen opmaken dat Boon de hoop op een geweten, op bewustwording nog niet opgegeven had. Maar in de tweede editie van 1960 heeft Boon twee hoofdstukken toegevoegd die heel anders eindigen. In dezelfde dikke letters staat er dan: 'Wat heeft het allemaal voor zin?' Tussen deze hartstochtelijke woede en dit melancholieke pessimisme speelt het werk van Boon zich af.

In zijn verhalen wentelt het leven voort als een rad, en zijn personages verliezen hun onschuld, om vervolgens te slijten aan de overlevingsstrijd, de teleurstellingen en de onvervulde verborgen verlangens, die ze met niemand kunnen delen. De figuur van Icarus bevolkt velen van zijn boeken: jonge mensen gaan op de wassen vleugels van hun dromen de lucht in en klappen uiteindelijk met een smak weer terug op de aarde. Het ligt dus voor de hand om Boon te lezen als een pessimist, en zelfs als een gedesillusioneerde fatalist, die nergens meer in gelooft. God? God is nergens te bekennen bij Boon. Het lezen van zijn De kleine Eva uit de kromme Bijlstraat (1956) volstaat om deze bewering te staven. In dit epische gedicht wordt een jong meisje op de vage gronden achter het dorp verkracht en vermoord, een onschuldige wordt gearresteerd en de dader blijft vrij rondlopen, en met hem al zijn vernietigende drift.

En toch doet deze conclusie geen recht aan Boontje, zoals hij zichzelf graag noemde. Die onbetekenende mens, uitgeleverd aan de krachten van de samenleving en aan zijn eigen tot kwaad neigende inborst, kan het dromen namelijk niet laten. Sterker nog, dromen en verlangens zijn wat Boon betreft de motor van de wereld. Het zijn de verlangens, die overigens net zo goed edel als egoïstisch en destructief kunnen zijn, die de hele menselijke santenkraam in beweging houden. En tegelijk met de woede over al het onheil dat daarmee wordt aangericht, kan Boon toch niet ophouden voor de dolende zielen en wanhopig verlangende mensen een groot mededogen te voelen. Waarom zou hij anders al hun doen en laten, tot in de kleinste soms onsmakelijke details met zoveel aandacht en geduld beschrijven? Het een is er niet zonder het ander, de opstandigheid over het kwaad gaat bij Boon altijd hand in hand met een verlangen naar een beter bestaan:

Ik ben maar een mensch die verlangt naar een beetje eten op tafel en wat kolen in de stoof, die verlangt naar de warmte van het bed en het lijf van de vrouw en de oogen van het kind, die zich niet den nombril du monde voelt maar een mensch onder de menschen, die de MENSCHEN liefheeft en niet de VADERLANDEN (kapitalen van Boon, p. 56)

Hier klinkt nog steeds de hoop van Romain Rolland op een humanitair Europa. Maar Boon laat hierop onmiddellijk een sneer volgen in de richting van de idealistische intellectuelen:

En ik schijt op adrianus schoonevorm, pseudoniem van andré gatlikker die een intellektueel is en verzen schrijft, peins eens – erover piekert of schrijven wel het juiste woord is, zou het niet baren moeten zijn? En bijzichtig is en altijd maar verzen baart verzen baart en literatuur zwelgt en kakt en pist – en al ontploft de wereld verder zal gaan met gedichten te schrijven over de maan en over zijn eenzaamheid en over onslievevrouwken – en ondertuschen een lijst opmaakt van de joodsche en communistische schrijvers die zouden omvergeschoten moeten worden (p. 56-57)

Het blijft altijd wringen bij Boon. De dromen blijken machteloos en leiden zelfs tot nieuwe desillusies en geweld, maar ze blijven bestaan. De mensen leven langs elkaar heen, ze kunnen elkaar niet bereiken en zijn opgesloten in hun eenzaamheid, in de verlangens die uiteindelijk niet kunnen worden gedeeld. Maar toch houden ze een belofte in, die verlangens. En Boon kan niet ophouden in de onschuld van die dromen te blijven geloven. Midden in de beerput van het menselijk leven, zoals hij het in zijn hoofdwerk De Kapellekensbaan noemt, ligt iets kostbaars dat hij zonder voorbehoud blijft najagen. Terwijl de lezer leest over het genadeloos stukslaan van de verlangens op de harde werkelijkheid van de sociale (klassen)verhoudingen, weet Boon toch de indruk te wekken dat ze eigenlijk groots zijn, deze mensjes. Hoewel hij weet dat die dromen niet voldoen. Boon wisselt steeds van perspectief; niets bij hem is ooit eendimensionaal. Niemand valt samen met zijn sociale rol. De fabrieksbaas is niet alleen een bruut, maar heeft ook zo zijn verborgen dromen; de vakbondsleider geen heilige, en leidt de mensen soms op een doodlopende weg; de kapelaan niet alleen een moraalridder, maar ook een strijder tegen armoede; en de zwoegende arbeider of lompenproletariër niet alleen slachtoffer, maar ook dader. Nooit treedt een van zijn personages op als de icoon van een ideologie, maar altijd als een worstelende mens, die zijn verlangens najaagt en zijn angsten probeert te temmen, op de plek waar hij in de geschiedenis nu eenmaal terecht is gekomen.

Zo is Boon vooral de schrijver van de onrustige mens, die zoekt en nooit vindt, die spreekt van berusting, maar zich toch nooit kan neerleggen bij wat hij om zich heen ziet, die tegen beter weten in de mensen liefheeft en ze blijft volgen en die blijft dromen en woeden en die nooit samenvalt met zichzelf.

Verlangen

En God? Boon was allang niet meer op zoek naar een god. Nee, alles wat Boon nog had om zich te verweren tegen de zinloosheid was een schreeuw om recht en mededogen met de struikelende, opkrabbelende en dromende mensen. Boons moderne mens blijft alleen, hij slingert zijn verlangens de wereld in zonder hoop op een antwoord. Op mijn zestiende, zelf vol vragen over de wereld, schokten Boons ongepolijste verhalen mijn idealisme, al herkende ik de oorlogsverhalen: de angst van mijn moeder tijdens de bombardementen, die zij haar leven lang niet is kwijtgeraakt en de honger van mijn vader, die daarom met vijf jaar van de Duitsers gejatte sigaretten rookte. Ook voor mij was de wereld geen veilige plek.

In de gereformeerde kerk van ons dorp luisterde ik het liefst naar de profetenverhalen en werd ik warm van hun 'protest tegen de verkeerde wereld'. Ik verlangde – soms luidkeels – naar God met de woorden van psalm 42, maar een antwoord op dat verlangen was en is nooit vanzelfsprekend.

Boons boeken leerden mij dat een onoverbrugbare kloof de mensen scheidt van 'de toekomstwereld, de gouden eeuw en de nieuwe mens', waar ik zo graag in wilde geloven, maar die voor Boon hadden afgedaan. Maar hij leerde me ook dat er bij zijn illusieloze kijk op de mensen iets te winnen valt. Zijn meedogenloze blik op de mensen om hem heen maakte zijn mededogen voor diezelfde mensen niet kapot. Integendeel: Boons rauwe beschrijvingen van de werkelijkheid leggen de kracht van zijn tederheid juist bloot. Zoals volgens Boon dromen de motor van de wereld zijn, zo is zijn bewogenheid de drijfveer van zijn schrijverschap. Niets is hem gebleven dan het verlangen, dat hem ondanks alle desillusies niet wil verlaten. En misschien is dat genoeg.

Dit artikel verscheen in april 2013 in Ophef.

Voetnoten 
  1. Bespreking van Arthur Kamiel Rottiers, aangehaald door Kris Humbeeck in zijn nawoord bij de heruitgave van Mijn kleine oorlog bij de Arbeiderspers in 2005, p.143. (De citaten uit Mijn kleine oorlog in dit artikel zijn afkomstig uit deze uitgave. Het openingscitaat staat op p. 80.)
  2. Aldus Kris Humbeeck van het Boon documentatiecentrum in a.w., p. 141. 
Onderzoeker en docent aan de Protestantse Theologische Universiteit. Oud-hoofdredacteur van tijdschrift de Helling.
Alle artikelen