12 mei 2014

De moeizame weg naar schone biobrandstoffen

Terwijl de Europese Unie besloot oliebedrijven te verplichten minimaal 5% biobrandstof bij te mengen in de fossiele benzine en diesel, kraakte buiten Europa het voedselsysteem in zijn voegen. Wat eerst een goed idee leek – landbouwgewassen gebruiken om minder afhankelijk te zijn van geïmporteerde olie – is intussen een hoofdpijndossier geworden. Europa moet zuinig omgaan met de goede biomassa die we kunnen krijgen en zorgen voor hoogwaardige toepassingen in sectoren waar alternatieven niet of nauwelijks voorhanden zijn.

Dit is een bewerking van geselecteerde hoofdstukken uit de publicatie De bio-based economy. Groene uitdaging voor oude en nieuwe industrie, aangevuld met standpunten uit Kiezen voor de Groene EnergieUnie. 

Hoeveel er ook over klimaat en milieu wordt gesproken, het is de energieonafhankelijkheid die moet worden gezien als één van de belangrijkste strategische drijfveren achter de bio-economie. De afhankelijkheid van olie, gas en kolen, waar Europa zelf nauwelijks beschikking over heeft, is een voornaam punt van zorg in Brussel. Om die reden zagen de stimuleringsmaatregelen voor het aanwenden van biomassa voor energieproductie eerder het licht dan beleidsinstrumenten die de vergroening van economische activiteiten als uitgangspunt nemen. En om die reden is de Europese Unie nu druk bezig om de negatieve effecten te repareren van het biobrandstoffenbeleid waar ze in het begin van deze eeuw zo enthousiast op inzette.

Wie betaalt?

Vorig jaar stapte het Nederlandse energiebedrijf DELTA naar het Rijk met een subsidieaanvraag ter grootte van één miljard euro. Deze moest, verspreid over tien jaar, de ombouw van haar Zeeuwse kolencentrale naar een biomassacentrale financieren. 

Er zijn daar verschillende conclusies uit te trekken. Dat een enkele private onderneming een gift van zo’n omvang vraagt voor het overschakelen op groenere grondstoffen, laat zien dat de energietransitie een kostbare aangelegenheid is. De ‘fossiele’ infrastructuur is gigantisch; afzonderlijke centrales, pijpleidingen en winningsinstallaties kosten kapitalen en gaan soms wel meer dan vijftig jaar mee.

Met de omschakeling van individuele componenten zijn dus al miljarden euro’s en diverse decennia gemoeid. Het is bovendien publiek geld waar aanspraak op wordt gemaakt. Enerzijds kan worden gesteld dat de energietransitie inderdaad door de maatschappij als geheel moet worden betaald. Het is in het algemeen belang om een duurzame energievoorziening te realiseren. Anderzijds staat dat haaks op het principe ‘de vervuiler betaalt’: degenen die grondstoffen en energie afnemen en emissies genereren, draaien op voor de kosten. Dan worden de kosten van de energietransitie doorberekend in de marktprijs en komen dientengevolge vooral bij de grootverbruikers terecht. De markt ziet daar vooralsnog weinig in, getuige de – wegens kritiek intussen weer ingetrokken – subsidieaanvraag van DELTA.

Aanzuigende werking

De subsidieregelingen en bijmengverplichtingen die in het vorige decennium uit de koker van nationale en Europese overheden kwamen, hebben gezorgd voor een fikse investeringsgolf in infrastructuur voor energietoepassingen van biomassa. Het voortschrijdend inzicht op het gebied van milieu en voedselzekerheid heeft die regelingen aan het wankelen gebracht. Rond dezelfde tijd kwam de financiële crisis, die met name de Europese economie drastisch afremde. Het inzakken van marktvraag en overheidsstimulans heeft ons nu opgezadeld met een grote overcapaciteit aan productiefaciliteiten voor biobrandstoffen. “Meer dan de helft van de productiecapaciteit voor biobrandstoffen in de EU is niet in gebruik. Na jarenlange daling van de benuttingsgraad stabiliseerde de Europese biodieselproductie op 40% van de totale capaciteit in 2010. De benuttingsgraad bij bioethanol laveert tussen de 50% en 60%. Deze onderbenutting suggereert dat er de komende jaren ruim voldoende productiecapaciteit zal zijn,” aldus een recent rapport van de Europese Commissie.

De overcapaciteit bij biobrandstoffen laat zich goed vergelijken met de te grote afvalverbrandingscapaciteit in Nederland. De verbrandingsovens draaien onder hun optimum en soms zelfs verlieslijdend. Zolang die situatie voortduurt, heeft de markt vooral interesse in het opvullen van dat gat, en niet in het bereiken van hoogwaardig (her)gebruik van afval of van biomassa. De patstelling die dit oplevert verwordt tot een nieuwe zorg voor de overheid, die vervolgens met subsidie- en handelsinstrumenten tracht om het industrieel leed te verzachten. Zo gaan de aanvankelijke stimuleringsmaatregelen voor ‘duurzame’ energieproductie in toenemende mate ten koste van de middelen die beschikbaar komen voor geraffineerder gebruik van grondstoffen.

Naar een duurzamer bio-economie

Al snel nadat het biobrandstoffenbeleid was opgetuigd volgden signalen dat het niet de goede kant op ging. Bijvoorbeeld op gebied van voedselzekerheid. Met name in 2007 en 2008 vonden er scherpe stijgingen plaats van de voedselprijzen, waar men vooral in ontwikkelingslanden de gevolgen van voelde. De relatie met de toegenomen vraag naar bio-grondstoffen was snel gelegd en zorgde dat er in Europa twijfels ontstonden over de ingeslagen weg. Het was immers niet de bedoeling dat mensen in ontwikkelingslanden niet meer aan hun voedsel kunnen komen, doordat in het rijke Westen mensen gefermenteerde maïs in de autotank gooien. Uit de hoek van de wetenschap volgden signalen dat de bio-economie nooit op duurzame wijze zal kunnen voldoen aan de huidige, laat staan de toekomstige, mondiale vraag naar energie en biomaterialen.

Sindsdien vinden op Europees niveau onophoudelijk schermutselingen plaats rondom de toegestane hoeveelheid, type en oorsprong van de benutte biomassa, en de manier waarop toezicht en handhaving dienen te geschieden. Deze resulteerden in een set duurzaamheidscriteria die nu verder wordt aangescherpt. Maar net zo goed als de huidige criteria, kennen de duurzaamheidscriteria die nu in ontwerp zijn een beperkt toepassingsgebied en bieden ze onvoldoende garantie voor duurzaamheid. Om te beginnen zijn de huidige criteria slechts van toepassing op biomassa voor vloeibare biobrandstoffen, waarvan het leeuwendeel naar de transportsector gaat. In de energiesector (productie van elektriciteit en warmte) wordt vooral gebruik gemaakt van houtachtige (vaste) biomassa, waar geen criteria voor gelden. Voor die vaste biomassa zijn aanvullende criteria nodig, voornamelijk om ervoor te zorgen dat het probleem van koolstofschuld en de noodzaak tot duurzaam bosbeheer ook een plaats krijgen. De Nederlandse regering zet zich hiervoor in, maar vindt bij de Europese Commissie vooralsnog onvoldoende weerklank, mede door verzet van bosbouwlanden als Zweden en Finland, die geen inmenging van ‘Brussel’ in hun bosbouw willen.

Bij vloeibare biobrandstoffen bestaat het onderscheid tussen de eerste generatie (uit voedselgewassen) en de tweede generatie (uit bijzondere gewassen en afvalstromen). Hoewel de maatregel van het dubbeltellen van klimaatwinst behaald met biobrandstoffen van de tweede generatie deze aantrekkelijker maakt dan de eerste generatie, is dubbeltelling een onterechte bonus op bio-energie, die moet worden afgeschaft ten gunste van hoogwaardiger inzet van biomassa. In dat geval zal ook het mes moeten worden gezet in het doel om 10% duurzame energie te realiseren in de transportsector. Het schrappen van de dubbeltelling dreigt anders weer in het voordeel van eerste-generatie biobrandstoffen te werken. Het nieuwe compromis om een maximum te stellen aan de eerste-generatie ter grootte van 6% (het aandeel op het totaal aan transportbrandstoffen) lijkt adequaat om dat type biobrandstof het toekomstperspectief te ontnemen. Maar meer nog dan zulke reparatiewetgeving is een toekomstperspectief nodig. Hier doen wij een voorzet:

Europese richtlijnen schrijven strikt voor welke vormen van biomassa voor energie duurzaam genoeg zijn. Als die toets doorstaan wordt, stimuleert de EU deze vormen.

Uitgangspunten zijn:

  • de benodigde biomassa kan op eigen continent geteeld worden zonder import van grondstoffen
  • de benodigde biomassa kan op bestaand landbouwareaal geteeld worden zonder te concurreren met voedselgewassen. Dit kan alleen als we aanzienlijk minder vlees en zuivel gaan eten
  • de benodigde biomassa kan geproduceerd worden zonder nadelige effecten op natuur en milieu

 

Europees landbouwbeleid en daarbij behorende budgetten worden volledig herzien op basis van energie- en klimaatdoelen. De volgorde van prioriteiten voor de landbouw is voortaan:

  • het op eigen continent biologisch telen van voldoende, veilig en eiwitrijk plantaardig voedsel voor alle Europeanen, een beperkte veestapel en export. Daarmee wordt ook de klimaatbelasting van de landbouw aanzienlijk verminderd. Biologisch betekent dat pesticiden en genetisch gemodificeerde gewassen niet toegestaan zijn.
  • duurzaam en verantwoord telen van biomassa om de transportsector van broodnodige klimaatvriendelijke alternatieven te voorzien en om in noodzakelijke energiecentrales gebruikt te worden. Duurzaam en verantwoord betekent binnen bestaand Europees areaal, zonder import van grondstoffen uit andere werelddelen en met waarborgen die concurrentie met voedselgewassen voorkómen.
     

De groene bio-economie

De aanvankelijke steun voor biobrandstoffen heeft de Europese Unie een verkeerde kant opgestuurd. Biomassa over de wereld verslepen voor elektriciteitsproductie en mobiliteit is onwenselijk. De biomassa is te schaars en nutriëntenkringlopen kunnen op die manier nauwelijks worden gesloten. De bijmengverplichting verloor draagvlak na de voedselprijsstijgingen van 2007 en 2008; vervolgens heeft de discussie in het teken gestaan van reparatiewetgeving, waarvan bovengenoemde maatregelen voorbeelden zijn. Geen van de maatregelen heeft een sterke wetenschappelijke of juist ideologische onderbouwing. In plaats van het stellen van arbitraire verplichtingen danwel plafonds, zou moeten worden ingezet op ‘common sense’ criteria.

De ondersteunende rol van overheden bij energieproductie is bovendien een vanzelfsprekendheid die rijp is voor heroverweging. Het feit dat energietoepassingen in de industrie domineren, wil niet zeggen dat overheden die dominante positie ook nog eens moeten bekrachtigen in hun beleidsagenda’s. Het is de taak van een overheid om naast economische baten ook maatschappelijke (sociale, milieugerelateerde) baten te faciliteren. In het geval van de bio-economie pleit dit er voor dat overheden juist de aandacht vestigen op, en middelen vrijmaken voor, het kleinschaliger en hoogwaardiger gebruik van grondstoffen.

Een duurzame samenleving, bio-based of niet, is alleen mogelijk als het gebruik van grondstoffen en energie flink wordt teruggeschroefd. Gelijktijdig met het ontwikkelen van een bio-economie moet worden gewerkt aan een zuiniger economie: meer gesloten kringlopen door middel van recycling en hergebruik, en meer tijd stoppen in zinvolle dienstverlening in plaats van het op de markt zetten van zoveel mogelijk fysieke goederen. Een hoogwaardige bio-economie biedt kansen voor een meer decentrale aanpak van vraag en aanbod van grondstoffen. De veerkracht en maatschappelijke betrokkenheid die in kleinere innovatieve bedrijven besloten ligt, vormt de sleutel tot een duurzame bio-economie. Dát is waar de Europese Unie z’n geld op zou moeten zetten.

Delegatieleider van GroenLinks in het Europees Parlement.
Alle artikelen
Projectleider Commons Lab bij Waag en redacteur van tijdschrift de Helling.
Alle artikelen