18 mrt 2014

“Door de vele samenwerkingsverbanden heb je als raadslid vaak het nakijken”

Gerrit Pas (links) op een verkiezingsmarkt voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2014. Foto: Larisa Landré

Gerrit Pas (1951) stopt na twintig jaar als raadslid in Huizen. Een volgens hem “sociaal rechtse gemeente” in 't Gooi. In Huizen domineert de VVD en maakt GroenLinks structureel onderdeel uit van de progressieve minderheid. Binnen deze context heeft Pas al die jaren oppositie gevoerd. Hoe blikt hij terug op deze periode en hoe ziet hij de aanstaande overheveling van taken van het Rijk naar de gemeenten? 

Als je het geheel overziet, welke politieke lessen heb jij voor jezelf getrokken?

Eigenlijk is er de afgelopen twintig jaar verdomd weinig veranderd in de politieke cultuur waarin ik heb gefungeerd. Het zitvlees in onze gemeenteraad is vrij groot, zeker van ‘de grote apen op de rots’, dat wil zeggen de fractievoorzitters. Op een bepaald moment hoor je daar zelf ook bij. Ik heb allerlei functies in de raad gehad, maar heb nooit in het college gezeten, dat is het enige wat ik wel eens jammer heb gevonden. Politiek is in onze raad met 27 leden een kwestie van tot 14 tellen. Als je niet tot de collegepartijen behoort, dan heb je al gauw het nakijken. Sinds mensenheugenis hebben we in Huizen een college van VVD, CDA en PvdA, waarbij de laatste de kleinste partner is en daardoor meestal nog braver dan de paus. Ik heb er altijd bewust voor gekozen om het op de inhoud te spelen. Je moet het vooral hebben van de ruimte binnen de collegeafspraken of tegenstellingen tussen de partijen. Ik kende mijn stukken - dat kun je niet van alle raadsleden zeggen. Ook keek ik altijd naar wat er in andere gemeenten gebeurde – met succesvolle voorbeelden laten zien dat het ook anders kan. Het gevolg daarvan was dat er altijd naar mij werd geluisterd.

Ook door de raadsleden die maar tot veertien tellen?

Het grappige is dat ik al van menigeen heb gehoord dat ze mijn vertrek een aderlating voor de raad vinden. Met twintig jaar ben je al gauw het geheugen van de raad. Er bestaat een beeld van mij dat ik alle stukken nog heb. Dat is ook zo, maar vaak kan ik ook iets niet meer vinden. Ik bereid me wel altijd heel gedegen voor op vergaderingen. In het begin was ik veel ideologischer en dacht ik nog 'we trekken ten strijde tegen de tegenstander'. In de praktijk werkt dat niet. Je politieke tegenstander is niet je vijand, dus hou vooral de persoonlijke relaties goed. Dan is men eerder geneigd je voorstellen over te nemen. Je moet met enige sympathie een totaal afwijkend beleid kunnen brengen, waarbij de ander er toch iets in ziet. Mijn strategie was eigenlijk altijd: zorg dat ze naar je luisteren omdat je wat te vertellen hebt. Draag je enthousiasme over en investeer in goede verhoudingen.

Is het niet een gevaar dat het dan allemaal teveel gaat samenklonteren?

Je gaat toch geen ruzie maken om de kleur van een lantaarnpaal? Op dat niveau lijkt het soms pupillenvoetbal. Terwijl het toch vooral moet gaan over de grote thema's, zoals de modernisering van het minimabeleid. Trekken we daarvoor extra geld uit of houden we ons strikt aan de regels uit Den Haag? Als wij zeggen dat burgers die zorg moeten krijgen die ze nodig hebben – en dat hoor ik veel partijen in deze verkiezingstijd verkondigen – dan moeten wij voor meer geld zorgen als het op is. Als je dat namelijk niet doet, dan maak je de sociale verschillen groter. Op dat niveau zitten de echte politieke tegenstellingen. 

Wat heb je na twintig jaar gemeentepolitiek geleerd over de aard van de mens?

Dat is een vraag met een hoog filosofisch gehalte. Ik denk het feit dat iedereen toch erg op het eigenbelang is gericht. Dat is op zich geen probleem, maar wel als er tegelijkertijd wordt gezegd: raadsleden moeten vooral het debat op hoofdlijnen voeren, kaders stellen en controleren. En vooral oog hebben voor het publieke belang. Terwijl bewoners je opbellen omdat ze een concreet probleem hebben. Bijvoorbeeld dat er zo hard wordt gereden voor hun deur. En dan moeten wij kaders stellen en controleren op hoofdlijnen? Zo bekijken mensen je helemaal niet. Je hebt ook geen één op één relatie met de kiezer. Ik mag allang blij zijn als een aantal mensen in het dorp mij herkent. Wij raadsleden en actieve partijleden houden ons met politiek bezig, maar de meeste mensen zijn daar helemaal niet mee bezig. Dat vergeten we nog weleens.

De hele discussie over de kloof tussen politiek en burger die groter is geworden, dat is allemaal flauwekul?

Dat verschilt per bevolkingsgroep, en is erg afhankelijk van het opleidingsniveau en het sociaal milieu van de mensen waarmee je te maken hebt. In mijn politieke beginperiode, de jaren zeventig, was er sprake van een grote afstand tot de overheid. Zeker in de mijnwerkersbuurt waarin ik ben opgegroeid, werd erg opgekeken tegen 'de hoge heren'. Ik had als een van de weinigen gestudeerd, en kon zaken uitleggen. Nu heeft bijna iedereen gestudeerd en denkt ook iedereen meteen alles te snappen en een mening te moeten hebben. De kloof is dus niet groter, de burgers zijn assertiever geworden. Tenminste, dat geldt voor sommigen, een ander deel bemoeit zich er helemaal niet mee. En in die laatste groep zitten vooral veel laagopgeleiden. Je ziet dat altijd duidelijk bij inspraakavonden over bestemmingsplannen. Bij plannen voor een 'gewone' wijk vragen mensen of ze een uitbouw of een carport mogen bouwen. Er wordt uitgelegd wat wel en niet kan, en naar oplossingen gezocht. Grote tevredenheid alom. Bij de buitenwijken, de villawijken met de bankdirecteuren en makelaars die meteen hun advocaat meenemen, wordt er een enorme toer gemaakt als er bijvoorbeeld een hondenuitlaatcentrum moet komen. Bij dat soort figuren is heus geen sprake van een kloof tussen burger en politiek. Die is nagenoeg gedicht, terwijl hij daar juist een flink stuk groter zou mogen zijn.

Wat vind je van de hele decentraliseringsbeweging vanuit het Rijk?

Op zich vind ik dat een goede ontwikkeling, tegelijk moet ik zeggen: als raadslid krijg ik weinig grip op die decentralisaties. Over de uitgangspunten zie ik in mijn gemeente grote consensus, uitgaan van de vraag en maatwerk leveren. Maar het wordt al gauw een technische discussie over hoe je het moet doen. Ik maak me wel zorgen als je ziet wat er nu allemaal van mensen wordt verwacht. Nu kunnen mensen veel zelf als de overheid meewerkt, maar veel gemeenten zijn te laat begonnen met de voorbereiding op de transities en het maken van afspraken met instellingen die bijvoorbeeld zorg moeten gaan leveren. Ook met vraagsturing zijn veel gemeenten te laat begonnen, en dat breekt ze nu op. Daar mogen mensen die zorg nodig hebben niet de dupe van worden. Willen gemeenten die taken aankunnen en het kunnen blijven financieren, dan zullen ze ook moeten samenwerken met regiogemeenten. In mijn eigen gemeente zie ik dat ook. We krijgen nu de jeugdzorg tot en met alle justitiële kanten erbij. Daar heb je als gemeente de kennis niet voor in huis. In het Gooi heb je negen gemeenten. Dat betekent dat alle portefeuillehouders jeugdzorg met elkaar afspraken maken, met steun van ambtenaren. Als raadslid heb je het nakijken.

Al die samenwerkingsverbanden zijn dus eigenlijk heel slecht voor de democratische controle?

Juist. Daarom heb ik vanaf het begin gezegd: of we moeten fuseren, of we moeten alle raadsvergaderingen in de regio parallel aan elkaar laten lopen, zodat de raad de portefeuillehouder instructies kan meegeven voor het regio-overleg, en er achteraf verslag kan worden gedaan. Voor fusie voelen ze in mijn gemeente weinig, want ze vinden dat ze het zelf geweldig doen, en afstemming van vergaderingen blijkt in de praktijk nog niet zo eenvoudig. En dan te bedenken dat elke gemeente in zo'n dertig samenwerkingsverbanden met andere gemeenten is betrokken en dat dit aantal groeit. Denk ook aan de vorming van de veiligheidsregio's. Lokale bestuurders verwijzen daarbij graag naar de afspraken die ze hebben gemaakt in de regionale portefeuillehoudersoverleggen. Als raad heb je daar bijna geen controle op, je krijgt er geen vinger achter. Ik vind dat een groot democratisch probleem. Je ziet een uitholling van Den Haag naar Brussel en van Den Haag naar het lokale niveau, terwijl het debat in de media toch vooral gaat over de nationale politiek - dat is iets heel wonderlijks. Gelet op de taken die de gemeenten gaan krijgen, mag je als raadslid wel van goede huize komen wil je dat allemaal doorgronden. Het wordt echt een ambtenarenbestuur.

Gaat het bij de afkeer bij gemeenten om te fuseren om de herkenning van de burger met zijn eigen dorp?

Dat zal per gemeente verschillend zijn. Denk aan een kleine gemeente die moet samengaan met een grote buurgemeente. De herindelingsdiscussie is vooral een discussie van bestuurders die van oordeel zijn dat de gemeente te klein is om de taken nog goed te kunnen uitvoeren. Ik heb niet de indruk dat de burger daar nou zo’n grote rol bij speelt, die ligt niet wakker van bestuurlijke problemen. Het zijn eerder lokale politici die het lokale chauvinisme bespelen. Die zijn natuurlijk bang kiezers te verliezen. Ik ben daar zelf vrij nuchter in. Zulke politici vergeten vaak wat het doel van de gemeente is: dienstbaarheid aan haar inwoners. In mijn gemeente speelt de discussie over fuseren al jaren en we hebben daarin altijd – dwars tegen de meerderheid in - gepleit voor een open opstelling. Wij willen nagaan wat de voor- en nadelen voor Huizen bij een fusie zijn; en op basis daarvan een besluit nemen waar de inwoners van Huizen het meeste voordeel bij hebben. We sluiten dus niet bij voorbaat elke herindeling uit, zoals de raadsmeerderheid. In de zomer van 2013  nodigden Naarden en Bussum de gemeente Huizen uit voor verkennende gesprekken, maar die uitnodiging werd botweg geweigerd. Door onze opstelling moeten de andere partijen uitleggen waarom ze voor zelfstandigheid kiezen, zelfs wanneer dat in het nadeel van onze inwoners is.

Denk je dat het lukt om je handen er vanaf kunt houden als je dadelijk gestopt bent?

Vorig jaar heb ik op een ledenvergadering gezegd: er moet een lijst samengesteld worden en zoek echt naar iemand anders. Toen dacht ik nog dat ik wel afdelingsvoorzitter wilde worden. Nu ben ik zover dat ik vind dat ik zelfs dat niet moet doen. De nieuwe fractie kan natuurlijk altijd een beroep op me doen, maar ik ga er niet meer bij zitten. Ik heb ook tegen mijn opvolger gezegd: blijf dicht bij jezelf en druk je eigen stempel erop. En inhoudelijk: vraag door, accepteer niet vanzelf wat je door het college wordt voorgehouden. Stel jezelf regelmatig de vraag: waarom doen we het? Wat voor consequenties heeft dit voor mensen? En: blijf je standpunten naar buiten communiceren. Ik zal de lokale politiek natuurlijk wel blijven volgen. Je gaat niet na twintig jaar opeens stoppen met alles.

Wat was jouw eigen stempel?

Je moet bij je eigen waarden blijven en manieren zoeken om daar vorm aan te geven. Eigenlijk ben ik toch een oude anarchist gebleven, met mijn aversie tegen autoriteit, terwijl ik daar voor veel mensen toch onderdeel van ben. Je wordt natuurlijk milder in de loop der jaren, minder zwart wit. Ik vind dat ik er redelijk in ben geslaagd om geen vijanden te maken, terwijl ik af en toe compleet afwijkende standpunten ingenomen heb. Je kunt ergens tegen zijn, maar je moet dat niet eindeloos blijven herhalen in elke vergadering. Dan word je ook een karikatuur van jezelf. Ik blik  met enige tevredenheid terug. Zonder zelf aan de knoppen te hebben gezeten, heb ik wel het idee dat we er als fractie het maximale uit hebben gehaald.

Onderzoeker en docent aan de Protestantse Theologische Universiteit. Oud-hoofdredacteur van tijdschrift de Helling.
Alle artikelen