14 mrt 2013

Het gaat niet om de kerk

Wat is de relatie van christenen tot de politiek? Nu de vrijheid van godsdienst weer zo vaak onderwerp is van politieke controverses, is die vraag opnieuw urgent. Bijbelse lessen over almacht, rechtvaardigheid en bescheidenheid. 

In de bijbel wordt voortdurend geworsteld met de relatie tot de bestuurders van het land. Vele verhalen vertellen over koningen die het volk tiranniseren of juist gerechtigheid brengen – soms door een en dezelfde vorst. Vaak gaat het aan de ene kant over het verlangen van het Joodse volk naar een sterke man en aan de andere kant over profeten die zowel dat verlangen als de politieke macht keer op keer kritisch bevragen. De bijbel dicteert ons niet hoe we met de politiek om moeten gaan, daarvoor zijn de verhalen te divers. Maar er valt wel het een en ander te leren. Hieronder volgen enkele opmerkingen over geloof en politiek aan de hand van twee zeer verschillende verhalen. In beide gaat het om de relatie van het Joodse volk tot een groot wereldrijk, het ene een toonbeeld van vrijheid, het andere van repressie.

Rechtvaardige overheid

In Jesaja 4:1-7 wordt de lof gezongen van Cyrus, de grote koning der Perzen. Hij stond bekend om zijn vrijzinnigheid. Vijanden schonk hij genade en religieuze voorwerpen gaf hij terug aan de volken van wie ze geroofd waren. Ook de Joden, die als ballingen in het Perzische rijk leefden, profiteerden hiervan. Ze mochten terugkeren naar hun land en hun verwoeste tempel weer opbouwen. In Jesaja geeft God Cyrus de hoogste titel, Messias. Hij hoeft daarvoor de God van Abraham, Izaäk en Jacob niet eens te kennen, laat staan te erkennen. Hij krijgt de titel omdat hij Israël na jaren van ballingschap en lijden verlost. Degenen die dit verhaal horen worden er zo aan herinnerd dat het heil en de verlossing ook van buiten Israël kan komen, van buiten de eigen religieuze gemeenschap. Koningen en regeringen kunnen rechtvaardig zijn en verdienen dan alle respect. Sterker nog, zij blijken de wil van God te kunnen vervullen. En daarmee hebben we al meteen twee lessen te pakken over de politiek. Ten eerste, beoordeel de politiek op zijn merites en sta er niet per definitie vijandig tegenover. Ten tweede, wees als kerken en als gelovigen niet zelfgenoegzaam: denk niet dat alleen het geloof de wereld kan redden. Niet-gelovigen of andersgelovigen kunnen dat ook, en soms zelfs beter. Het gaat uiteindelijk niet om de kerk, maar om vrede en gerechtigheid voor de wereld. Christelijke of religieuze politiek is daarom zowel onzinnig als overbodig.

Maar na dit positieve verhaal, wordt de macht van koningen door Jesaja meteen ernstig begrenst. De grote Cyrus wordt weliswaar tot rechterhand van God benoemd, maar daarmee is hij dan ook meteen Gods dienaar, en geen almachtige, of een god, zoals koningen en machtigen in de oudheid vaak werden genoemd. Zijn goede daden staan in dienst van God, want, zegt God: 'Ik, de Eeuwige, ben de enige en buiten Mij is er geen god.' Perzië was toen dé wereldmacht, maar, zo stelt Jesaja, die macht heeft uiteindelijk alleen maar betekenis voor zover zij in dienst staat van de Eeuwige, de schepper van hemel en aarde, de schepper van duister en licht, en de maker van de vrede en van het kwaad. Deze beroemde bijbeltekst is een van de belangrijkste teksten over de almacht van God. In de context van dit verhaal betekent dit dat zowel de vrede als het geweld in Gods hand zijn. Daarom kan het kwaad niet het laatste woord hebben. Gods almacht beschermt ons tegen de overwoekering door het kwaad. . Gods almacht gaat immers hand in hand met verlossing van het kwaad. God benoemt Cyrus enkel en alleen tot Messias omdat hij vrede en vrijheid brengt. Daar is het God om te doen. Maar hoeveel goeds deze Cyrus ook mag doen, hij kan zich toch niet boven God verheffen. Dit geldt voor elke koning en elke regering: we moeten meer gehoorzamen aan God en aan Gods wetten, dan aan die van de overheid. Niet omdat God de machtigste en de grootste is, maar omdat God instaat voor vrede en gerechtigheid.

Wat deze wetten vandaag betekenen, is niet zo gemakkelijk uit te maken. Daarover wordt voortdurend gedebatteerd. Maar de verhouding tussen de overheid en Gods wetten komt pas op scherp te staan bij extreme tirannie, als de overheid de gerechtigheid met voeten treedt, de weduwen en wezen vertrapt en de vreemdelingen minacht en buitensluit. Onder Cyrus is dit niet het geval. Hij is een goede vorst, die de vrijheid van godsdienst respecteert, die ruimte geeft voor religies die hemzelf niets zeggen. Zo'n regering verdient lof, dankbaarheid en respect, maar ook zo'n regering blijft altijd onder de kritiek staan van Gods gerechtigheid. En dat geldt ook voor de gelovigen zelf.

Belasting

Het tweede verhaal, uit Matteüs 22:15-22, betreft een scherp politiek debat over de vraag of je als gelovige wel belasting moet betalen. Dat is geen algemene vraag naar de verhouding tussen gelovigen en de overheid. Deze vraag komt op in een specifieke politieke situatie, die volkomen anders is dan die onder Cyrus.

Het machtige Romeinse Rijk heeft Israël bezet en heerst met harde hand. Verschillende verzetsbewegingen zijn al hardhandig neergeslagen. Wie in opstand komt, kan rekenen op het standaardvonnis voor opstandige slaven: de dood aan het kruis. Religies die het Romeinse wereldbeeld niet erkennen, worden zoveel mogelijk dwarsgezeten. Zo provoceren de Romeinen de Joden door munten te slaan die haaks staan op het Joodse beeldverbod. De Romeinse keizer staat er op, en aan de keerzijde de woorden Pontifex Maximus – letterlijk: de grootste bruggenbouwer – waarmee diens goddelijke status wordt benadrukt. In hun tempel mogen de Joden dan nog wel andere munten gebruiken, maar dit leidt tot een geldhandeltje van wisselaars bij de ingang van de tempel. Voor veel Joden is dit een bron van ergernis. Het Bijbelverhaal van een woedende Jezus die de tafels van de wisselaars omgooit, getuigt daarvan. Dat Jezus het niet erg opheeft met de Romeinen en hun munten, weet de lezer dus al.

Bovendien heeft Jezus Zeloten onder zijn leerlingen, vrome Joden die het keizerlijk gezag en de Romeinse overheersing als godslasterlijk beschouwen. Ze weigeren daarom belasting te betalen. Het is dus niet vreemd dat Jezus de vraag krijgt hoe hij tegenover belasting staat.

Klem gezet

In Matteüs 22 proberen de Joodse schriftgeleerden Jezus in het nauw te brengen, want ze zijn bang voor zijn grote populariteit. Zelf worden ze als elite nog enigszins ontzien onder de Romeinse overheersing. Ze hebben Herodianen meegenomen, vazallen van Rome. De vraag naar de belasting is overduidelijk een religieuze vraag, die verwijst naar het godslasterlijke karakter van de Romeinse munten. Met deze vraag zetten ze Jezus klem. Als hij antwoordt dat je geen belasting moet betalen aan de Romeinen, kunnen de Herodianen hem meteen arresteren; als hij zegt dat je dat wel moet doen, kunnen de Farizeeën hem aanwijzen als een slechte Jood en verliest hij zijn gezag als rabbi. Jezus redt zich er op zeer scherpzinnige wijze uit. Hij vraagt om een muntstuk en laat zo merken dat hij geen Romeins geld op zak heeft. De Farizeeërs halen dan zelf een munt uit hun zak en diskwalificeren zichzelf daarmee eigenlijk meteen. Punt voor Jezus dus. Met de vraag wiens afbeelding er op die munt staat, wrijft hij het er nog eens in. Want in die woorden horen alle Joodse oren die het debat volgen onmiddellijk de tekst van het beeldverbod meeklinken. Als Jezus dan zegt: geef dat geld terug aan de keizer, dan is hij duidelijk voor iedereen: ik wil met dat geld niets te maken hebben. Zijn kritiek op de Romeinen en op de collaborerende Joden is overduidelijk, zonder dat hij dat letterlijk heeft gezegd. Jezus is de winnaar van dit politiek-religieuze debat.

Maar Jezus doet er nog een schepje bovenop. Hij zegt niet alleen 'geef aan de keizer wat van de keizer is,' hij voegt eraan toe: 'Geef aan God wat van God is.' Deze tekst is vaak gebruikt om twee rijken te onderscheiden: een voor het geloof en een voor de overheid. De tekst werd aangehaald om christenen te manen toch vooral de overheid - door God boven hen gesteld - te gehoorzamen. In de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw werd hij graag geciteerd om te verhinderen dat kerken en gelovigen politieke uitspraken zouden doen, tegen apartheid bijvoorbeeld, of tegen kruisraketten, of over andere politieke kwesties. De huidige voorvechters van het privatiseren van religie zouden blij zijn met deze interpretatie, die het geloof uit de wereld en uit de politiek bant. Volgens mij beweert Jezus hier iets heel anders. Hij wijst met deze toevoeging feitelijk, net als Jesaja, op de almacht van God. Geef aan God wat van God is. Wel, alles is van God! De hele wereld behoort Hem toe en zijn rijk van vrede en gerechtigheid moeten we dienen, niet het uitbuitende regime van de Romeinen. Dat moeten de omstanders die dag in Jeruzalem hebben verstaan en begrepen.

Kritiek

En zo worden de lessen van Jesaja over de relatie tussen geloof en politiek hier nog eens onderstreept en geradicaliseerd voor een heel andere context en een heel andere politieke situatie. Ten eerste: wanneer de regering géén gerechtigheid en vrede brengt, maar onrecht en uitbuiting, werk er dan niet aan mee, maar verzet je uit naam van Gods vrede.

Ten tweede: kritiek op een onrechtvaardige overheid gaat hand in hand met religiekritiek. Jezus kreeg het onvermijdelijk aan de stok met de religieuze elite van zijn tijd. Wanneer kerken of andere religieuze instituties en hun vertegenwoordigers, al zijn ze nog zo vooraanstaand en geleerd, het op akkoordjes gooien met een onrechtvaardige overheid, of zelf niet doen wat ze leren, dan verdienen ze tegenspraak en kritiek. Want het gaat uiteindelijk niet om de kerk, maar om Gods Rijk van vrede en gerechtigheid voor heel de wereld.

Dat betekent dat christenen in de wereld altijd moeten bedenken dat Gods oordeel over de wereld uiteindelijk is gebaseerd in Gods liefde voor de wereld. Jezus' scherpe kritiek op Farizeeën, Herodianen en Romeinen kwam voort uit dat visioen van vrede. Het is niet onze gerechtigheid, niet onze vrede, maar die voor alle mensen. Net als Cyrus kunnen we die vrede alleen dienen. Juist dat geeft een grote vrijheid, omdat het ons verlost van de enorme last om de wereld te moeten redden, en van de enorme druk om zelf in de schijnwerpers te moeten of willen staan, al kan dit laatste natuurlijk bijdragen aan de verspreiding van het verhaal. Dat is het punt niet. Je kunt ook onbekommerd meedoen aan politieke debatten, televisieoptredens en wat dies meer zij, zolang je maar voor ogen houdt dat je dat alles uiteindelijk niet doet ter meerdere eer en glorie van jezelf, noch van een politieke partij of een religieus instituut.

Al die zaken, inclusief wijzelf, blijven altijd principieel onder de kritiek staan van het bijbelse visioen van vrede. Dat staat het debat over de betekenis van de bijbelse verhalen niet in de weg, evenmin verabsoluteert dit die verhalen, om de eenvoudige reden dat de teksten zelf niet eenduidig zijn en ook onderling het debat voeren over de betekenis van die vrede en die gerechtigheid. Juist dit feit maakt het mogelijk én noodzakelijk de vraag naar de verhouding tussen geloof en politiek elke dag weer opnieuw te stellen, in voortdurend gesprek met de inzichten van bijbellezers en gelovigen van vandaag en uit de eeuwen voor ons. 

Dit stuk verscheen eerder in de Linkerwang.

Onderzoeker en docent aan de Protestantse Theologische Universiteit. Oud-hoofdredacteur van tijdschrift de Helling.
Alle artikelen