11 jan 2016

Ontwikkel een andere partijcultuur

Interview met Bettina Jarasch

Illustratie: Nina Mathijsen

De Duitse Groenen stelden in 2013 een ‘religiecommissie’ in, omdat allerlei kwesties op dit terrein al jaren werden uitgesteld. De commissie koos ‘groene’ uitgangspunten voor deze vraagstukken en stelde voor de gebruikelijke besluitvorming opzij te schuiven bij identiteitsgevoelige onderwerpen.

Voorzitter Bettina Jarasch over werkwijze en resultaten van de commissie ‘levensbeschouwing, religieuze gemeenschappen en staat’.

Hoe sta je zelf tegenover religie?

De leden en kiezers van de Duitse Groenen zijn heel divers: je hebt atheïsten, agnosten, joden, moslims, paganisten en ook vrij veel christenen en mensen met een christelijke achtergrond. Dat zijn logischerwijs progressieve christenen, die kritisch tegenover hun kerk staan. Ik ben zelf katholiek en reken me ook tot deze groep. In de kerk vragen mensen naar mijn opvattingen als groene politica en in de partij wordt gevraagd hoe ik groen en katholiek tegelijk kan zijn, aangezien die kerk homo’s discrimineert en vrouwen niet gelijk behandelt. Dat botst natuurlijk wel eens, al is er een groot verschil tussen de plaatselijke parochie en de officiële opvattingen van de rooms-katholieke kerk. Voor mij zit de overeenkomst tussen katholiek en groen in het universalistische denken. In de kerk gaat het om alle mensen op de hele wereld, die allemaal kinderen Gods zijn, en dat is een hele groene manier van denken. Er zijn binnen alle religies ook fundamentalistische groepen die denken dat slechts enkelen de waarheid kennen en die de anderen uitsluiten. Die fundamentalisten zullen altijd onze tegenstanders zijn. Maar de grote tendens in religies is universalistisch en dat kan de groenen ondersteunen bij onze inzet om mensenrechten voor de hele wereld te realiseren.

Waarom heeft de Groene partij in Duitsland een commissie over religie en levensbeschouwing in het leven geroepen?

Er is al jaren een discussie in de partij over dit thema, maar er was nooit een duidelijke plek voor. De Groenen hebben geen C in de naam zoals de christendemocraten, dus is er geen van te voren vastgelegde houding ten opzichte van geloof. Zo werd bijvoorbeeld gevraagd om een scherpere scheiding tussen kerk en staat en om meer transparantie over de financiële verwevenheid tussen de overheid en religieuze instanties. Duitsland heeft een zogenaamd coöperatief model, dat inhoudt dat godsdiensten een zichtbare rol hebben in de publieke ruimte. Dat roept veel vragen op, en daarnaast zijn er allerlei kwesties waarin religieuze gemeenschappen als deel van de publieke discussie een bepaalde positie vertegenwoordigen, zoals bij allerlei bio-ethische en medische vraagstukken.

Op partijcongressen werden dergelijke onderwerpen vaak afgewezen omdat ze niet aan een specifiek besluit gekoppeld konden worden en omdat ze maatschappelijk gevoelig liggen. Een typisch partijdebat – een voorstel, twee tegenvoorstellen die elk een paar minuten krijgen en dan een besluit – is geen passende vorm voor dit soort complexe debatten.

Er was sprake van groeiende ontevredenheid dat dit soort kwesties elke keer werd uitgesteld. Daarom besloot het partijbestuur om een commissie in te stellen, die zoveel mogelijk de levensbeschouwelijke veelkleurigheid in de partij moest vertegenwoordigen. Het werd een groep van 24 mensen met heel diverse achtergronden.

De commissie heeft gekeken naar de relatie tussen staat, levensbeschouwing en religie, tegen de achtergrond van twee ontwikkelingen. Ten eerste de voortschrijdende pluralisering in de samenleving: er komen nieuwe religieuze en levensbeschouwelijke gemeenschappen bij, onder andere via immigratie. Ten tweede zie je een steeds sterkere ontkerkelijking en individualisering, waarbij mensen zich niet langer thuis voelen in instituten. Dat maakt ook meteen duidelijk waarom het zo moeilijk is nieuwe regels te vinden die al deze groepen omvatten.

Hanteerde de commissie een specifieke definitie van religie?

Vanwege de grote onderlinge verschillen hebben we eerst gezocht naar een gemeenschappelijke basis. Dat was lastig, soms zenuwslopend en heeft veel tijd gekost, maar daarna hadden we wel iets om op terug te vallen. We kozen drie uitgangspunten, die tegelijkertijd ook doelen zijn. Ten eerste oriënteren we ons op de verwerkelijking van de godsdienstvrijheid als een mensenrecht in al zijn dimensies: het individuele recht het geloof te leven, het recht je los te maken van het geloof, en tenslotte de collectieve godsdienstvrijheid. Dit laatste punt was het meest controversieel, maar uiteindelijk heeft iedereen aanvaard dat we ook de geloofsgemeenschap als drager van rechten zien, aangezien het geloof volgens de meeste religies alleen als gemeenschap geleefd kan worden. Als je religie alleen als een zaak van het individuele geweten ziet, is dat een van buitenaf opgelegd begrip van religie.

Overigens heb ik als voorzitter meteen gezegd dat ik zelf rooms-katholiek ben. Niemand is neutraal als het om religie gaat, dus als we allemaal duidelijk laten zien waar we vandaan komen kunnen we open met elkaar praten. Ook uit eigen ervaring kan ik zeggen: de gemeenschap hoort echt fundamenteel bij geloven. Je kunt in je eentje wel geloven en bidden, maar om je geloof ook praktisch te leven heb je een gemeenschap nodig. Zonder de collectieve dimensie is het individuele mensenrecht op vrijheid van godsdienst in feite ingeperkt. De beslissende vraag is daarbij natuurlijk: hoeveel rechten krijgen deze geloofsgemeenschappen en hun organisaties, en hoe kan de staat daarin ingrijpen?

Het tweede uitgangspunt is de gelijke behandeling van alle godsdiensten en levensbeschouwelijke gemeenschappen en het anti-discriminatieprincipe in het algemeen, dus ook waar het geloofsgemeenschappen betreft.

Ten derde hebben we gediscussieerd over de rol van gemeenschappen in de samenleving als geheel. Kiezen we het individu als uitgangspunt of gaan we uit van de meerwaarde van gemeenschappen voor het algemeen belang? Het werd dat laatste. Groenen hechten aan een sterke civiele samenleving tussen staat en individu. Als je burgers als belangrijke actoren ziet in een levende democratie, dan heb je sterke maatschappelijke organisaties nodig, religieuze én seculiere. Het beeld van de samenleving als een verzameling autonome individuen past daar niet bij. Toen we het hierover na maandenlange gesprekken eens waren geworden, konden we aan de slag.

 Hoe heeft de commissie haar onderwerpen gekozen?

Als we ons aan de voorgegeven periode van twee jaar wilden houden konden we niet alles bespreken. We kozen thema’s die maatschappelijk het meest relevant zijn en waar veel mensen direct last van hebben. Dat werden: het kerkelijk arbeidsrecht; kerk, staat en financiën; en tenslotte het grote thema van de pluraliteit.

De eerste twee thema’s zijn typisch Duits. De kerken hebben hier als werkgevers veel voorrechten, wat soms echt tot discriminatie leidt. Op het terrein van de financiën gaat het om kerkbelasting en transparantie over de verwevenheid van overheids- en kerkengeld. Het heeft allemaal te maken met de vraag of een groep de van overheidswege vastgelegde rechtstatelijke positie van religieuze gemeenschap verwerft, die veel rechten geeft, zoals het innen van kerkbelasting. De Joden in Duitsland hebben zich aan dit systeem aangepast, maar de moslims (nog) niet. Elke moskee vormt in feite een onafhankelijke religieuze gemeenschap en zou die status kunnen aanvragen. Daarnaast zijn er vier islamitische koepels, maar die zijn vaak georganiseerd naar etniciteit of nationaliteit. Wij zien ze meer als politieke organisaties. Als commissie vinden we dat de politiek zich niet mag mengen in de interne aangelegenheden van religieuze gemeenschappen, ook als zij visies vertegenwoordigen die wij vreselijk vinden. Maar wat is een religieuze gemeenschap? Volgens de huidige wet moet inzicht gegeven worden in het aantal leden, moet er een duidelijk herkenbare organisatievorm zijn en een herkenbare spiritualiteit of geloofsinhoud. Politieke lobbyarbeid hoort daar niet bij.

 Spreekt uit dit soort definities niet een bepaalde, westerse en christelijke opvatting van wat religie is? De politieke en gelovige dimensies worden hier al in de definitie van elkaar gescheiden.

Ja, dat is de erfenis van de Verlichting. In de islam bestaat die scheiding tussen het wereldlijke en religieuze zo niet. Maar we hebben nu eenmaal met deze situatie te maken. De vraag was: kiezen we voor het afschaffen van deze officiële status? Die sluit immers ook groepen uit. Of pleiten we voor een bredere toegankelijkheid van het bestaande systeem? Het werd dat laatste, ook omdat het in deze tijd niet zo gek is als aan religieuze gemeenschappen strengere eisen gesteld worden dan aan verenigingen die iedereen kan oprichten. Daar komt bij dat afschaffing politiek geen enkele kans heeft. Maar de wil wordt wel breed gedeeld om ook moslims voluit te laten deelnemen aan onze samenleving. Een paar kleinere gemeenschappen, de alevieten en de ahmedia uit Pakistan/India hebben de officiële status verworven. Maar voor de overgrote groep, de Turkse en Arabische islam, wordt gezocht naar creatieve overgangsmodellen.

Die zijn er al volop in het onderwijs. In Duitsland vindt het godsdienstonderwijs op de openbare scholen plaats. De inhoud wordt vormgegeven door de geloofsgemeenschap en de staat is verantwoordelijk voor de opleiding van de leraren en de trouw aan de grondwet. Als je uitgaat van een plurale samenleving waarin verschillende geloven met elkaar een weg moeten vinden; wanneer je afscheid hebt genomen van de gedachte dat we ooit in een seculiere samenleving zullen leven waarin religie geen rol meer speelt, dan is het van groot belang dat ook op de scholen religie onderdeel uitmaakt van het discours en van het curriculum. Er wordt veel geëxperimenteerd met oecumenische samenwerking. In Berlijn is ethiek een verplicht vak voor iedereen; daarnaast is de godsdienstles vrijwillig. Er zijn ook vormen van multireligieuze godsdienstlessen.

De commissie sprak ook over het thema pluraliteit. Hoe is dat besproken?

De komst van vluchtelingen, miljoenen moslims die niet in Duitsland zijn opgegroeid, maakt dit thema actueler dan ooit. Alle nieuwe vragen die dit oproept hebben we als commissie niet meer kunnen bespreken. Het gaat hier minder om wettelijke regelingen dan om het ontwikkelen van een andere cultuur: komen alle relevante maatschappelijke groepen aan het woord in de publieke ruimte? Zijn alle groepen bijvoorbeeld vertegenwoordigd in adviesraden voor radio en televisie?

Waarom worden automatisch de vertegenwoordigers van de grote godsdiensten gevraagd als het gaat om de organisatie van bijvoorbeeld een publieke rouwbijeenkomst na het neerstorten van een vliegtuig?

Als commissie hebben we geprobeerd scherp te onderscheiden waar het nu echt om beleid ten aanzien van religies gaat en waar niet. In het islamdebat lopen bijvoorbeeld argumenten met betrekking tot religie, integratie, onderwijs en opvoeding, veiligheid, cultuur en immigratie allemaal door elkaar. Omdat we die vermenging niet goed vinden, hebben we besloten alleen in strikte zin over religiepolitiek te praten, zoals over het recht van moslims om in de gevangenis ook hun eigen geestelijk verzorgers te krijgen.

Bij andere thema’s hebben we het alleen gehad over de manier waarop ze besproken kunnen worden. Zo is het een probleem dat religieuze gemeenschappen vaak zelf niet meepraten als het om maatregelen gaat die hen betreffen. Ook is men zich er vaak niet van bewust dat er sprake is van een botsing tussen grondrechten en dat je dus niet zomaar het ene grondrecht ten gunste van het andere van tafel kunt vegen. In het publieke debat gebeurt dat vaak wel: bij ritueel slachten werd dierenwelzijn uitgespeeld tegen godsdienstvrijheid, bij besnijdenis werden kinderrechten geplaatst tegenover het recht van ouders om hun eigen kinderen op te voeden. De vraag is steeds: waar liggen de grenzen? Het juridische principe van de ‘praktische concordantie’ is hier nuttig. Het houdt in dat je in het geval van een conflict tussen grondrechten altijd moet proberen elk grondrecht zoveel mogelijk tot zijn recht te laten komen.

In het besnijdenisdebat is bijvoorbeeld besloten meer aandacht voor medische risico’s en dergelijke te eisen in de opleiding van besnijders. Wel een verscherping dus, maar geen verbod. De regering kwam hier snel mee, ook om de discussie met zijn antisemitische en anti-islamitische ondertonen te stoppen. De Joden zeiden bijvoorbeeld dat ze zich opnieuw uit Duitsland verdreven voelden. Het was een zeer pijnlijk debat, ook in de partij. Het lukte niet tot een besluit te komen; toen is besloten de afgevaardigden naar eigen geweten te laten stemmen. De commissie wilde de relatieve rust rond dit thema niet met een nieuw voorstel verstoren.

Heeft de commissie expliciet gekeken naar de wijze van besluitvorming in de partij?

We hebben voor dit soort gevoelige onderwerpen die met religie samenhangen een andere discussiecultuur voorgesteld. Het is erg belangrijk er wel over te praten, om als partij een kompas te kunnen ontwikkelen voor deze onderwerpen. Op dit moment heeft de commissie dit voorstel nog niet aangenomen, maar ik hoop zeer dat dat wel gebeurt. Het gaat er om tijd en ruimte te nemen om een kwestie in de hele breedte van de partij te bediscussiëren, waarbij alle stemmen gehoord worden en ook deskundigen aan het woord gelaten worden. Aan het eind wordt niet als gebruikelijk een besluit genomen, maar alleen een beeld geschetst van de verschillende meningen, zodat helder wordt waar de gevoelige punten en de dilemma’s liggen. Op deze manier kun je gevoelige onderwerpen toch bespreken, in plaats van ze steeds door te schuiven zoals in het verleden vaak is gebeurd.

Zou dit model ook interessant kunnen zijn voor de Europese Groene Partij? Het is nu gemakkelijk te zeggen: daarover praten we niet omdat toch elke nationale partij zijn eigen standpunt kan innemen.

Dat zou best eens kunnen werken. Vanwege de vele culturele verschillen en gevoeligheden denk ik dat de EGP een debat over religieuze thema’s nooit zal willen voeren als er aan het einde ook een besluit genomen moet worden. Onderwerpen die zo nauw met de identiteit van mensen samenhangen zijn erg moeilijk op een politiek podium. Het kan helpen met elkaar te discussiëren zonder dat je een besluit hoeft te nemen. In de commissie is een wederzijds begrip gegroeid, zonder dat de verschillen zijn verdwenen. Via debatten door de hele partij met leden van de commissie hoop ik te laten zien dat je ondanks die verschillen toch met elkaar kunt praten. Maar het kost tijd.

 

Het eindrapport van de commissie ‘levensbeschouwing, religieuze gemeenschappen en staat’ wordt eind november 2015 verwacht. De resultaten zullen worden besproken op het landelijk partijcongres van de Grünen in de herfst van 2016.  

Onderzoeker en docent aan de Protestantse Theologische Universiteit. Oud-hoofdredacteur van tijdschrift de Helling.
Alle artikelen