27 feb 2015

Van opgelegde naar oprechte participatie

recensie

Na de markt is nu de macht aan de vrijwillige participatie, zo stelt Corina Hendriks. Haar betoog voor individueel initiatief als aandrijving van de participatiesamenleving roept echter de nodige vragen op.

Burgerinitiatieven zijn de laatste jaren populair onder bestuurders en politici. Ook het wetenschappelijk bureau van D66 heeft zich nu gebogen over dit onderwerp. Voor de Mr. Hans van Mierlo Stichting heeft Corina Hendriks de ideeën van de partij ten aanzien van participatie uitgewerkt in het boek Van opgelegde naar oprechte participatie.

De bundel brengt in zakelijk taalgebruik een lofzang op participatie. Er moet meer ruimte komen voor gezamenlijke initiatieven van burgers. ‘De mens moet weer centraal komen te staan’, betoogt Hendriks. De mens is geen beleidsinstrument, in de woorden van Alexander Pechtold. J.F. Kennedy’s befaamde quote gaat voor D66 dan ook niet op wanneer ze het over participatie heeft: ‘Don’t ask what your country can do for you, but what you can do for your country.’ De participatie waar het hier om draait staat los van dergelijke van hogerhand opgelegde vragen. Het gaat om wat mensen onderling met elkaar willen realiseren en daar moet de overheid ze het liefst zo min mogelijk bij in de weg staan. 

Menselijke maat

Uit de lofzang spreekt een sterk liberale visie: we leven in een individualistische samenleving, maar dat betekent niet dat de mens niet sociaal is en niet graag samenwerkt met anderen. Integendeel zelfs. D66 ziet daarom weinig slechts in de samenleving waarin wij tegenwoordig leven. Hendriks wijst juist op de positieve cijfers: 43% van de Nederlanders verricht wel eens onbetaald werk en dat cijfer  is al sinds 1997 stabiel. Het bruist van de goede ideeën, wil ze maar zeggen, en mensen zetten zich graag in om deze te realiseren. Die ideeën moeten echter niet geblokkeerd worden door regelgeving of marktwerking. Zoals in een van de voorbeelden die Hendriks geeft: het is onzinnig dat een crèche die, volgens nieuw concept, zelf kinderen van huis ophaalt en weer thuisbrengt vanwege bureaucratie toch drie parkeerplaatsen moet aanleggen.

Hendriks schetst een geschiedenis van elkaar opvolgende dominante ordeningsprincipes, van bureaucratie via markt naar relaties. Met dat laatste bedoelt ze: we zijn weer toe aan de menselijke maat. Het mag weer klein, dichtbij en persoonlijk zijn. Het is weer tijd voor 'bottom-up maatschappelijke initiatieven’. Hierbij organiseren mensen 'hun interactie voornamelijk op basis van vertrouwen, gelijkwaardigheid en vrijwilligheid, door middel van dialoog en onderlinge afspraken’. 'Deze persoonlijke sociale relaties zijn’, volgens Hendriks, ‘de oudste en meest natuurlijke vorm van organiseren voor de mens, al op de steppe organiseerden we onze interacties op deze manier.’

Om het relatieprincipe weer te laten floreren is een nieuwe inrichting van de samenleving nodig. Een belangrijke les die Hendriks politici wil leren is dat ze niet teveel van bovenaf moeten willen opleggen. Verplichte participatie heeft men in het verleden geprobeerd, maar had vaak geen succes. Wat ze wel moeten doen? Kijken naar waar mensen zelf behoefte aan hebben en dit ondersteunen. Daarnaast moet de politiek zorgen dat er minder regeltjes komen die deze initiatieven in de weg staan. En cruciaal: leren ongelijkheid te accepteren. Sommige initiatieven lukken nu eenmaal wel en andere niet. Dit betekent dat het soms zo kan zijn dat er in de ene wijk wel een mooie buurttuin wordt gerealiseerd en in de andere niet.

Ongelijkheid

Dit laatste roept vragen op. Het relatieprincipe mag dan de oudste vorm van samenleven zijn, dit maakt het niet direct tot een goed alternatief. Met als resultaat de verzorgingsstaat zijn in de loop van de geschiedenis juist allerlei verzekeringen gecreëerd om steeds grotere groepen mensen steeds meer zekerheid te bieden dan voorheen het geval was. Onzekerheid en ongelijkheid lijken dus inherent aan het relatieprincipe te zijn. Het valt bijvoorbeeld te verwachten dat in welgestelde wijken de kans groter is dat een gezamenlijk initiatief zal slagen of dat het überhaupt gestart wordt. Vaak moet je er als individu zelf ook nog tijd en geld in stoppen en niet iedereen heeft dat. Worden de verschillen niet alleen maar groter als je veel ruimte laat voor eigen initiatief? Hendriks stelt dat de ongelijkheid natuurlijk niet te groot mag worden, maar hoe dit te voorkomen is wordt niet verder uitgelegd.

Terug naar de bureaucratie. Die kan het initiatieven inderdaad flink moeilijk maken. Regels zou je soms het liefst allemaal afschaffen. Maar we willen toch wel dat de veiligheid van kinderen wordt gegarandeerd op een ouderparticipatiecrèche en dat je niet ziek wordt van het eten uit het buurtcafé? Hoe regel je dat soort zaken? Moeten mensen dit zelf doen of is enige vorm van externe controle toch nog nodig? En hoe zorgen we ervoor dat de initiatieven bestendig blijven? Vooral als het steeds succesvoller wordt kun je niet verwachten dat mensen jaren onbetaald tijd blijven steken in een project. Op de lange termijn zal iemand hier toch ook voor betaald moeten worden of is er een professionele organisatie nodig die het overneemt. Nieuwe regels en institutionalisering liggen op dus altijd op de loer. Welke rol is hier voor de overheid weggelegd? Of kunnen deze initiatieven alleen blijven bestaan als ze winstgevend worden? Het zijn allemaal vragen en problemen die Hendriks wel kort aanstipt aan het einde van dit boek, maar verder toegelicht worden ze helaas niet.

Interessant als deze lofzang op ‘oprechte participatie’ is, lijkt het verstandig verder na te denken over deze vragen voordat we hier direct al te enthousiast mee aan de slag gaan. 

 

Van opgelegde naar oprechte participatie, de mens en zijn verbindingen in samenleving, economie en staat van Corina Hendriks is een uitgave van de Mr. Hans van Mierlo Stichting. Uitgebracht november 2014 BOOM | LEMMA UITGEVERS 

 

Wetenschapsfilosoof. Adviseur duurzame en slimme mobiliteit. Vrijwilliger Bureau de Helling.
Alle artikelen