Over ons
Geschiedenis
GroenLinks ontstond als fusie van vier partijen ter linkerzijde van de Partij van de Arbeid: de Communistische Partij van Nederland (CPN), de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP), voortgekomen uit de vredesbeweging, de groene en progressief christelijke Politieke Partij Radikalen (PPR), en de progressief christelijke Evangelische Volkspartij (EVP). Deze werden vaak samen gegroepeerd als "klein links". In 1972 haalden deze partijen gezamenlijk 16 zetels, in 1977 was dit geslonken tot zes. Vanaf dat moment gingen er stemmen op voor onderlinge samenwerking. Voordien hadden de PPR en in mindere mate de PSP samengewerkt met de PvdA.
Sinds begin jaren 80 werkten deze partijen samen in gemeentelijke en provinciale verkiezingen, waar de kiesdrempel hoger ligt. In 1984 vormden PPR, CPN en PSP het Groen Progressief Akkoord, dat met één gemeenschappelijke lijst aan de Europese verkiezingen deelnam. Ook vonden deze partijen elkaar in het buitenparlementair protest tegen nucleaire wapens en nucleaire energie.
De samenwerking leverde echter ook spanningen op. De ideologische ommezwaai die de CPN maakte, van marxisme-leninisme naar reformisme, leidde tot een scheuring waaruit het Verbond van Communisten in Nederland voortkwam en later de NieuweCommunistische Partij Nederland. Vóór de verkiezingen van 1986 werd door de CPN en PPR aangestuurd op een alliantie met de PSP. Dit leidde echter tot interne spanningen binnen de PSP; in 1985 werd fractievoorzitter Fred van der Spek, een tegenstander van samengaan, vervangen als lijsttrekker door Andrée van Es, een voorstander van samengaan. Ook in de PSP ontstond nu een splitsing: Fred van der Spek stapte uit de PSP-fractie en richtte de Partij voor Socialisme en Ontwapening op. Toch wees het PSP-congres in 1986 het voorstel tot verregaande samenwerking af. Al eerder was een groep groenen van de PPR afgescheiden, zij zouden via omwegen De Groenen oprichten. Ook binnen de EVP waren er spanningen tussen diegenen die wilden samenwerken met de kleine linkse partijen, waaronder Ubels en Hans Feddema en diegenen die wilden samenwerken met andere progressieve christenen.
Tijdens de verkiezingen van 1986 verloren deze partijen veel van hun zetels: de CPN en de EVP verdwenen uit de Kamer, en de PPR en de PSP hielden respectievelijk twee zetels en één zetel over. Alle partijen beraadden zich na dit verlies op hun eigen koers. De PPR matigde haar programma en ontwikkelde een nieuw imago "vrolijk links". De CPN bereidde op eigen kracht deelname aan de verkiezingen van 1990 voor. Het PSP-congres koos op voordracht van de PSP-Vrouwen verklaard tegenstander van samenwerking Saar Boerlage tot voorzitter, tegen de wil van het partijbestuur. Op Europees niveau bleef samenwerking wel belangrijk, de PPR, CPN en de PSP namen gezamenlijk deel aan de Europese Verkiezingen van 1989 onder de naam Regenboog.
Eind 1988 organiseerde de PSP een intern referendum over samenwerking met andere klein linkse partijen. Ruim 70% van de stemmers (bij een opkomst van 64%) sprak zich uit voor zulke samenwerking. Na de uitslag van het referendum verscheen een open brief in Bevrijding, het blad van de PSP. De brief was getekend door tweehonderd mensen uit de vakbeweging (zoals Karin Adelmund, Paul Rosenmöller en Maarten van Poelgeest), de milieubeweging (waaronder Jacqueline Cramer) en de kunsten (waaronder Rudi van Dantzig en Hennie Vrienten). Zij pleitten voor de vorming van één gezamenlijke kieslijst door PSP, CPN en PPR bij de verkiezingen van 1990. Het initiatief voor de brief en het PSP-referendum werd genomen door partijbestuursleden Joost Lagendijk en Leo Platvoet. Zijn namen deel aan een informeel overleg ("F.C. Sittardia"; Cliché bv) van prominente PSP, PPR en CPN-leden die voorstander waren van samenwerking, waaraan ook PPR-voorzitter Bram van Ojik deelnam en voormalig CPN-fractievoorzitter Ina Brouwer.
In maart 1989 begonnen de onderhandelingen over samenwerking op initiatief van de PSP. De eerste onderhandelingen braken al snel af: toen in april duidelijk werd dat de CPN haar eigen identiteit wilde behouden, stapte de PPR uit de onderhandelingen. In reactie hierop nam een groep samenwerkende leden binnen de PPR, onder leiding van oud-voorzitter Wim de Boer als informele delegatie deel aan de onderhandelingen, ter vervanging van het PPR-bestuur. De tweede ronde onderhandelingen kwam onder druk te staan door de val van het Tweede Kabinet Lubbers. Toch had deze een positief resultaat; na de toetreding van de EVP kwamen de vier onderhandelende partijen in mei 1989 tot overeenstemming over de volgorde van de kandidatenlijst en een gezamenlijk programma. In de zomer van 1989 gingen ook de congressen van de vier partijen akkoord.
(deze tekst komt van Wikipedia: http://nl.wikipedia.org/wiki/GroenLinks#Geschiedenis)