Aan het werk!

Linkse kritiek op betaalde arbeid is verstomd

Ook links, dat het nut van betaald werk ooit flink relativeerde, stuurt nu iedereen de arbeidsmarkt op. Desnoods met dwang, want: ‘werken is beter voor u’. De nieuwe Wet Werk en Bijstand, sinds 2004 van kracht, helpt daar een handje bij. GroenLinks-wethouders zijn liever paternalistisch dan postmaterialistisch.

“Voor z’n brood hatti gewerkt, voortgejaagd was i, voortgejaagd en gedrukt door menschen en de noodzakelijkheid, zoals al die anderen.” Aldus Nescio in De Uitvreter. Stijlvol klaplopen, het is maar weinigen gegeven. Ook Japi, de uitvretende held in Nescio’s beroemde verhaal, houdt het niet vol; hij stapt uiteindelijk van de Nijmeegse Waalbrug. “De rivier is sedert naar het Westen blijven stroomen en de menschen zijn blijven voortobben.”

Het valt niet mee om een waardig leven te leiden aan de zijlijn van de samenleving. Daar is karakter voor nodig, zelfdiscipline. Onmaatschappelijken, non-conformisten, ze hebben vaak een zware strijd te leveren tegen de innerlijke verloedering – tegen zichzelf. En de buitenwereld maakt het er allerminst makkelijker op. Wie niet meedoet met de rest, wordt al snel als spelbreker beschouwd. Vooral wanneer iemand zich onttrekt aan datgene waaraan in onze maatschappij een bijna religieuze waarde wordt toegekend: betaald werk.

Er is geen enkele reden om aan te nemen dat mensen zich daaraan in grote getale willen onttrekken, integendeel. Zo’n baantje is natuurlijk lang niet altijd even leuk – zeker niet op maandagochtend. Maar het biedt toch over het algemeen een veel beter inkomen dan thuiszitten, naast sociale contacten, maatschappelijk aanzien en een geruststellende uitvluchtmogelijkheid wanneer de klassieke zijnsvraag opspeelt: waartoe zijn wij op aarde? De wereld zal dus niet direct aan luiheid ten onder gaan. Toch wordt er steeds krampachtiger vastgehouden aan het principe dat iedereen zijn eigen brood moet proberen te verdienen. Wie niet werkt zal niet eten. En we moeten hard werken, met een onsje minder neemt de minister van Economische Zaken geen genoegen. Voor mensen die niet voor honderd procent willen of kunnen meedraaien in ons arbeidsbestel, bestaan er nauwelijks vluchtheuvels, hoe ascetisch men ook bereid is te leven.

Ondertussen is er al decennialang sprake van een hardnekkige werkloosheid. Meer dan een kwart van de (acht miljoen mensen tellende) beroepsbevolking ontbeert momenteel een betaalde baan. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verwacht dat dit ook over tien jaar nog het geval zal zijn, zei hij vorig jaar in een interview. Toch komt hij niet met alternatieven voor het huidige arbeidsbestel. In de Wet Werk en Bijstand (WWB) ligt de nadruk op een strengere aanpak van uitkeringsgerechtigden. Het moet maar eens afgelopen zijn met dat softe gepamper. Een schop onder hun kont kunnen ze krijgen, dat zal ze goed doen. Senator Schouw (D66) werd er bijna lyrisch van, toen de WWB in de Eerste Kamer behandeld werd: “Werk gaat nu boven inkomen. Daar ben ik het helemaal mee eens. Wie is het niet met zoiets moois eens? Het is als ‘zon boven regen’.” 

Alarmerend

Al doen de discussies de laatste jaren wel eens anders vermoeden, in luilekkerland hebben we nooit geleefd. De Algemene Bijstandswet die minister Marga Klompé in 1965 invoerde, was bedoeld voor diegenen die echt geen werk konden krijgen en niet van andere inkomstenbronnen konden leven. In de jaren zeventig en tachtig werd een veel groter beroep op de wet gedaan dan in de jaren zestig voor mogelijk was gehouden. Bijstandsgerechtigden werden aanvankelijk vooral gezien als slachtoffers van de economische malaise, die Nederland sinds de eerste oliecrisis in zijn greep hield. In de tweede helft van de jaren tachtig groeide de economie weliswaar weer, maar langdurig werklozen profiteerden daar niet of nauwelijks van. Groepen ‘autonome’ jongeren keerden zich met hun uitkering walgend van de samenleving af en hele achterstandswijken leefden huis aan huis van de bijstand. Wanneer je reportages en onderzoeken uit die tijd leest, krijg je echter niet de indruk dat bijstandsgerechtigden erg genoten van hun vrije tijd. Evenmin was men op grote schaal bezig om alternatieven te ontwikkelen voor het kapitalistische systeem. Men schikte zich, deed vrijwilligerswerk, zocht een weg in de min of meer illegale marges van de samenleving.

Zo’n vijftien jaar geleden kwam er een kentering in de discussie. Er verschenen alarmerende rapporten over grootschalige uitkeringsfraude en laksheid bij sociale diensten. Het belang van betaalde arbeid voor maatschappelijke participatie werd sterker benadrukt. Al snel bleken de geesten rijp voor een aanpak waarin werklozen niet zozeer benaderd werden als slachtoffers van macro-economische omstandigheden, maar als individuen waaraan gesleuteld moest worden om ze geschikter te maken voor een baan. Het eerste paarse ‘werk, werk en nog eens werk’ kabinet, kwam met een Nieuwe Bijstandswet, waarin uitkeringsgerechtigden werden verplicht aan een ‘trajectplan’ mee te werken, dat tot doel had de deelnemers zo snel mogelijk op de arbeidsmarkt te krijgen. Er werden duizenden gesubsidieerde werkplekken gecreëerd. Maar voor reguliere banen kwamen langdurig werklozen nauwelijks in aanmerking, ook niet toen er eind jaren negentig een nijpende krapte op de arbeidsmarkt was ontstaan.

Huisbezoeken

En nu is er dus sinds vorig jaar de WWB. Over de effecten van de nieuwe wet is na anderhalf jaar nog niet veel te zeggen. Tot een duidelijke afname van het aantal bijstandsgerechtigden (nu 327.000) is het in ieder geval nog niet gekomen. Ongeveer de helft van hen zal waarschijnlijk ook niet meer aan het werk komen, stond onlangs te lezen in een rapport van Divosa, de vereniging van directeuren van sociale diensten. Wel zijn gemeenten veel effectiever geworden in het opsporen van fraude nu ze zelf voor de gevolgen opdraaien. Divosa-directeur Tof Thissen: “Er is veel meer toezicht aan de poort gekomen. Amsterdam heeft bijvoorbeeld laten zien dat door het afleggen van huisbezoeken ongelofelijk veel potentiële fraude kan worden afgevangen.”

Belangrijker nog is volgens Thissen het psychologische effect dat de WWB heeft gehad: “Je kunt spreken van een fundamentele verandering. Tot de wet op 1 januari 2004 in werking trad, waren gemeenten uitvoerders namens de rijksoverheid. Met inachtneming van een bepaalde marge aan eigen risico konden ze het geld dat nodig was om mensen een bijstandsvoorziening te geven volledig declareren bij het rijk. Nu zijn de managers van sociale diensten – en in het verlengde daarvan wethouders en gemeenteraden – maatschappelijke ondernemers geworden. Ze krijgen een budget en moeten maar zien wat ze daarmee doen. Dat vergt veel meer creativiteit en risicovol ondernemen dan voor die tijd. Een tweede fundamentele verandering is dat uitkeringen nu worden gezien als een investeringsmogelijkheid om de talenten van werklozen te ontplooien; niet als iets waarin ze gevangen zullen blijven, de rest van hun leven. Mensen uit de uitkering helpen werd natuurlijk ook al voor 2004 van belang geacht, maar nu is verankerd dat elk mens iets kan, talenten en competenties heeft. Uit de WWB spreekt een positief, activerend mensbeeld.” 

Walhalla

Het enthousiasme van Thissen is opmerkelijk, want behalve directeur van Divosa, is hij ook senator voor GroenLinks, de partij die bij de Kamerbehandeling in 2003 fel van leer trok tegen de nieuwe wet. Woordvoerster Ineke van Gent verweet de staatssecretaris van Sociale Zaken een kille sanering van de sociale zekerheid te verkopen als een Walhalla voor mensen die langs de kant staan. “Als hij werkelijk denkt dat al deze mensen over een paar jaar fluitend naar hun werk kunnen, is dat naïef.” Volgens Thissen moet je de wet echter niet in een neoconservatief kader plaatsen. “Dat burgers een eigen verantwoordelijkheid hebben om in hun onderhoud te voorzien, ontslaat de overheid niet van de plicht om kansen te creëren op de arbeidsmarkt. Daar zit op dit moment de kern van het probleem. Zonder banen heeft het geen zin om werklozen op te jagen richting arbeidsmarkt. Het idee dat uitkeringsgerechtigden zelf schuld hebben aan hun situatie zit niet in de WWB, maar is een effect van het neoconservatieve denken. Dat ieder mens met zijn talenten iets zou moeten kunnen in de samenleving, is tot nu toe nu toe teveel ideologie gebleven. Met mensen die een lager tempo hebben, bestaat nauwelijks compassie. Het is alsof ze tegen mij zeggen: ‘Tof jij moet morgen de marathon van New York rennen.’ Iedereen weet dat ik dat niet klaarspeel. Als ik anderhalf jaar train, en het langzaam opbouw, dan misschien wel. Maar misschien is het maximale de halve marathon van Egmond en ook dat zou een fantastisch resultaat zijn. Die nuance missen we volledig als het gaat over de arbeidsmarkt. Daar moet iedereen vanaf de eerste dag volledig aan de bak.”

Maar al hoeft het wat Thissen betreft niet meteen voor honderd procent, hij is het volledig eens met het kabinetsbeleid dat werklozen zo snel mogelijk de arbeidsmarkt op moeten: “Betaald werk is toch nog altijd de beste manier om uit deplorabele sociale omstandigheden te komen. Werk moet passend zijn; het moet worden aangepast aan de mogelijkheden van mensen, niet andersom. Maar als dat goed geregeld is, dan vind ik dat iedereen die kan aan het werk moet. Ook voor hun eigen bestwil, daar ben ik heel paternalistisch in.” Thissen is bepaald niet de enige binnen GroenLinks die er zo over denkt. In verschillende gemeenten, waaronder Den Bosch en Tilburg, zijn wethouders van deze partij enthousiast aan de slag gegaan met zogenaamde Work First projecten. Dit houdt in dat werklozen verplicht worden in ruil voor hun uitkering vaak nogal zinloze arbeid te verrichten.

Postmaterialistisch

Ooit was GroenLinks (en voor de fusie met name de PPR) een partij waarbinnen het belang van betaald werk flink gerelativeerd werd. Net als de andere groene partijen die in de jaren tachtig overal in Europa opgang maakten, kreeg men het etiket ‘postmaterialistisch’ opgeplakt. Groenen onderscheidden zich met name van de sociaal-democraten door hun kritische houding tegenover economische groei. Werd dat door de traditionele partijen gezien als een noodzakelijke voorwaarde voor banengroei, de groenen hadden meer oog voor de bijkomende milieuvervuiling. Voor reguliere banen zag men alternatieven. Grote sympathie bestond er voor kleinschalige werk- en leefgemeenschappen, zoals klussendiensten, kringloopwinkels en keuterboerderijen. ‘Hou het klein’ was de leuze, er werd opgeroepen tot ‘consuminderen’. Vrijwilligerswerk met behoud van uitkering werd toegejuicht. Het stond voor een levensstijl die niet alleen het materialisme voorbij was, maar die ook gekenmerkt werd door het vrijgevochten libertijnse waar de groenen van doordrongen waren.

Voor kritiek op het traditionele arbeidsethos was in bibliotheken meer dan voldoende onderbouwing te vinden. Zo signaleerde Herbert Marcuse in zijn One dimensional man (1964) dat er nogal wat onproductieve, parasitaire baantjes waren in de industriële economie, bijvoorbeeld in de p.r. en reclame. Een andere populaire filosoof in de jaren zestig, Bertrand Russell, schreef In praise of idleness (1935), om lucht te geven aan zijn opvatting dat er veel te hard gewerkt werd in de wereld. Paul Lafargue, de schoonzoon van Karl Marx, stelde in het  geruchtmakende pamflet Le droit à la paresse (1893) dat arbeid pas wanneer het tot een maximum van drie uur per dag beperkt blijft “een kruiding zal worden voor de geneugten der luiheid.” Hij verbaasde zich erover dat de mens, naarmate machines volmaakter werden, de neiging had ermee te gaan wedijveren. En Adam Smith, de vader van de vrije markteconomie, had in zijn The wealth of nations (1776) al nadrukkelijk gewaarschuwd tegen de afstompende werking van routinearbeid.

In Nederland oogstte de filosoof Hans Achterhuis in 1985 de nodige bijval met zijn boek Arbeid, een merkwaardig medicijn. Hij verbaasde zich erover dat werk zo vaak als een doel op zichzelf werd gezien. Ook borduurde hij voort op de maatschappijkritische ideeën van Ivan Illich. Deze besteedde veel aandacht aan wat hij ‘schaduwarbeid’ noemde: onbetaalde werkzaamheden – vaak verricht door huisvrouwen – waarop economen (en beleidsmakers) vaak hooghartig neerkijken. “Economen begrijpen evenveel van arbeid als alchemisten van goud,” aldus Illich.

Basisinkomen

In 1998 constateerde Achterhuis (in De erfenis van de utopie) dat de kritiek op het arbeidsethos grotendeels was verstomd, sinds de arbeidsmarkt was aangetrokken. “De ideeën van nog maar zo’n tien jaar geleden bleken meestal meer in de omgeving dan in de aanhangers zelf gesitueerd te zijn.” Dat gold ook voor GroenLinks. Werd in het eerste verkiezingsprogramma (1989) nog voorzichtig een lans gebroken voor het recht op een basisinkomen zonder tegenprestatie, tegenwoordig hoor je daar zelden meer over. Een commissie onder leiding van de econoom Paul de Beer publiceerde vorig najaar in opdracht van GroenLinks de studie Nieuwe tijden, nieuwe zekerheden, over het sociale zekerheidsstelsel. Hierin wordt met geen woord over een basisinkomen gerept. De Beer: “Ons uitgangspunt is – en volgens mij wordt dat al geruime tijd door GroenLinks onderschreven – dat mensen via betaalde arbeid economische zelfstandigheid moeten verwerven. Niet eens zozeer omdat een basisinkomen niet gefinancierd zou kunnen worden, hoewel daar veel twijfels over bestaan. Het is in de eerste plaats een principieel punt: tegenover een recht op inkomen moeten bepaalde plichten staan. Mensen moeten zinvol bezig zijn, een bijdrage leveren aan de samenleving. Persoonlijk onderschrijf ik dat, als algemeen principe, al ben ik van mening dat je dat ook in hoge mate zou moeten kunnen doen via allerlei vormen van niet betaalde arbeid. En het is de vraag of je dat formeel als verplichting moet gaan voorschrijven. Zelf vertrouw ik erop, dat als je het systeem op een voldoende aantrekkelijke manier vormgeeft, vrijwel iedereen dat uit zichzelf zal doen.” Dat de commissie geen aandacht besteedde aan het basisinkomen had overigens ook pragmatische redenen: “Er is binnen GroenLinks en zeker binnen de PPR heel veel over het basisinkomen gediscussieerd en dat heeft niet echt veel opgeleverd. We wilden die discussie daarom niet opnieuw oprakelen. Wel vinden we dat er allerlei mogelijkheden moeten worden geboden om het belang van betaald werk enigszins te relativeren. Je moet tijdelijk het werk kunnen onderbreken voor zorg- of studieverlof en dat soort zaken.”

Activering

Ongetwijfeld wordt binnen GroenLinks het belang van betaald werk nog altijd sterker gerelativeerd dan binnen andere partijen. Maar dat lijkt meer uit pragmatische dan uit idealistische overwegingen te gebeuren. In Tilburg is de GroenLinkse wethouder van Sociale Zaken Gon Mevis enerzijds zeer te spreken over de WWB: “Het feit dat je nu als gemeente beloond wordt voor inspanningen om mensen aan het werk te helpen, daagt uit om er meer in te investeren. Het ondernemersschap van Sociale Zaken is erdoor gestimuleerd.” Maar anderzijds vindt hij dat er op de W van Werk in de WWB wel érg veel nadruk wordt gelegd: “We moeten niet alleen met het enkelvoudige doel ‘activering richting werk’ bezig zijn. Het gaat erom lokale dynamiek te organiseren. Er is een behoorlijk forse groep die niet op de arbeidsmarkt terecht kan en waarin je, vind ik, wel moet investeren; zowel voor die mensen zelf als vanuit maatschappelijk oogpunt. Die mensen moet je gesubsidieerd werk aanbieden, of ze met behoud van uitkering vrijwilligersactiviteiten laten doen, waar je een extraatje voor geeft. Er is heel veel werk dat gedaan moet worden en waarmee je mensen die niet op de arbeidsmarkt terechtkunnen actief kunt krijgen en houden. In Tilburg heeft het bij ongeveer een derde van de vijfduizend bijstandsgerechtigden geen zin om ze in de mallemolen van de reïntegratietrajecten te stoppen.”

Ook de Nijmeegse GroenLinks-wethouder van Sociale Zaken, Lenie Scholten, vindt dat er in de WWB te dogmatisch wordt uitgegaan van het ‘werk boven inkomen’ adagium. Ruim veertig procent van de Nijmeegse bijstandsgerechtigden is ontheven van de sollicitatieplicht, omdat de gemeente voor hen geen reële kans meer ziet op een regulier baan. Scholten: “Daar zijn Kamervragen over gesteld, maar omdat we het steeds individueel getoetst hebben en het formeel om een tijdelijke ontheffing gaat, mag het. Er wordt gezegd dat we geen mensen mogen afschrijven. Maar dat doen wij ook niet, dat gebeurt op de arbeidsmarkt. Als je kijkt naar de Melkertbanen: mensen zaten soms meer dan tien jaar in de bijstand, kregen zo’n baan en bleken prima werk te kunnen verrichten. En hoewel ze er maar een hongerloontje voor kregen, was hun motivatie enorm groot. Maar werkgevers durven het desondanks niet aan. En ze kunnen ze bijna voor niks krijgen! Wie iemand op een werkervaringsplaats in dienst neemt, hoeft niet meer dan dertig procent van het minimumloon voor zo’n werknemer te betalen. Maar we krijgen ze niet weggezet. Heel weinig gemeenten geven toe dat ze met een deel van hun klanten niks meer kunnen op de arbeidsmarkt. Dat is not done. Maar ik vind dat je reëel moet zijn.”

Goud

Wie in Nijmegen van de sollicitatieplicht is ontheven krijgt trajecten voor sociale activering aangeboden, indien nodig. Scholten: “Mensen die al actief zijn, bijvoorbeeld in de mantelzorg, hoef je niet te activeren; die zijn prima bezig. Dat moeten ze vooral blijven doen, liefst met een vrijwilligerspremie.” Bepaald geen ideale situatie, benadrukt Tof Thissen: “Werklozen die vrijwilligerswerk doen zijn soms goud waard voor de samenleving. Alleen, van dat goud krijgen ze zelf niets te zien. Mensen die werk doen dat we met z’n allen goud waard vinden, die moeten in loondienst worden genomen, letterlijk loon naar werken krijgen. Er is in dit land een overwaardering van economisch productieve arbeid en een onderwaardering van sociaal productieve arbeid.”

In de nabije toekomst zal er aan die economische productieve arbeid waarschijnlijk alleen maar meer belang gehecht worden. Paul de Beer: “Je mag aannemen dat de economie langzamerhand gaat aantrekken. Bovendien ontstaat er door de demografische ontwikkelingen binnen enkele jaren een behoorlijke, structurele krapte op de arbeidsmarkt.” Desondanks zullen velen op een uitkering aangewezen blijven, vreest Lenie Scholten: “Ik denk dat steeds meer arbeidsongeschikten in de bijstand zullen terechtkomen. Er worden steeds hogere eisen aan werknemers gesteld. Niet iedereen kan daaraan voldoen. De internationale concurrentie is groot, er moet voortdurend gesneden worden in de arbeidskosten. Tegelijkertijd maken bedrijven gigantische winsten. Ik zou willen dat een bepaald percentage daarvan in een pot gestopt wordt waar we Melkertbanen uit kunnen betalen. Werk wordt steeds meer topsport. Misschien moeten we ons daarbij neerleggen, maar bedrijven moeten dan wel hun verantwoordelijkheid nemen voor de maatschappelijke gevolgen.”

Ondertussen lijkt het vrijetijdsparadijs waarover ooit gedroomd werd verder weg dan ooit. Er zullen altijd mensen zijn die hun draai niet kunnen vinden op de arbeidsmarkt; uit pure onmacht, vanwege hun fundamentele maatschappijkritiek, hardnekkige tegendraadsheid, ondoordringbare luiheid, ontembare levenslust, om wat voor reden dan ook. Voor dit soort afwijkingen is steeds minder ruimte in onze samenleving die er niet toleranter op wordt.

Sylvester Hoogmoed is journalist.
Alle artikelen