Biotechnologie, maar dan anders

Interview met Guido Ruivenkamp

Zaadruilbeurs. Foto door Philippe McIntyre.

Biotechnologie speelt een centrale rol in het privatiseren van wat ooit gemeenschapsgoed was, in elk geval van boeren: gewassen en zaaigoed. Er zijn activisten die alle biotechnologie verwerpen, maar terugdraaien van wetenschappelijke ontwikkelingen is geen optie, vindt Guido Ruivenkamp, die aan de Universiteit Wageningen onderzoek doet naar de vraag of open access, toegang tot technologie in gemeenschappen (commons), kan bijdragen aan een duurzamer en rechtvaardiger samenleving.

Binnenkort vertrekt hij naar India om een workshop te organiseren over open source en commons. “Ik heb me altijd bezig gehouden met de maatschappelijk aspecten van nieuwe technologie. Het gaat er om biotechnologie op een andere manier in te zetten. Niet langer in dienst van de kapitalistische economie, waar winst van grote multinationale bedrijven centraal staat, maar ter ondersteuning van de lokale economie, zodat het doet waar het oorspronkelijk voor was bedoeld: de armoede bestrijden.”

 

Politieke codes

“Het is een ingewikkeld verhaal, dus laten we bij het begin beginnen,” aldus Guido Ruivenkamp. “In de eerste plaats moet je je bewust zijn van de betekenis van technologie. Technologie is geen waardevrij, neutraal instrument, zoals lange tijd werd gedacht. We zijn er steeds meer achter gekomen dat maatschappelijke verhoudingen worden geïncorporeerd in de technologieontwikkeling. Neem een simpel instrument als de schop: bij ons is heeft die een bepaalde, afgeplatte vorm, maar in Peru hebben ze een houweel, want de grond is daar droog. Zo heeft de schop vele verschillende vormen, waarbij de maatschappelijke context is opgenomen in het instrument. Technologie is dus niet neutraal, maar wordt gevormd door een context, en zeker niet alleen door de natuurlijke kenmerken, maar in toenemende mate ook door de politieke verhoudingen. Alles wat door mensen wordt gemaakt heeft een ingebouwde sociale code. Een beroemd voorbeeld van Langdon Winner is de brug van Long Island, waarmee New York werd verbonden met het park. Die brug had laaghangende zuilen waardoor auto’s er wel doorheen konden en bussen niet. En de zwarte New Yorkers waren aangewezen op bruggen. Zij hadden dus geen toegang tot het park.

 

De vraag is dus hoe je andere bruggen kunt bouwen, en in het geval van mijn onderzoek: andere planten. Want ook planten zijn allang geen ‘natuurlijk’ verschijnsel meer. Ze zijn in de loop der tijd door technologische kennis veranderd, met het doel een hogere voedselopbrengst te krijgen. Daarbij zijn zij zo gemodificeerd, dat zij ook resistent zijn voor de pesticiden die door hetzelfde bedrijf worden geproduceerd als de planten. Deze eigenschappen en de belofte van een veel grotere opbrengst dan van niet gemodificeerde planten verleiden boeren ertoe deze zaden te kopen. Maar het genetisch en chemisch gemodificeerde zaad is maar eenmaal te gebruiken, dus je kunt niet zoals vroeger een deel van de oogst als zaaigoed voor volgend jaar bewaren. De boeren die dit zaad kopen, worden afhankelijk van grote bedrijven die de nieuwe zaden en gewassen ontwikkelen en patenteren. Soms ontstaan hierdoor zelfs hongersnoden, omdat de prijs voor het zaaizaad plotseling stijgt en de armere boeren dat niet kunnen opbrengen. In ieder geval gaan er veel arme boeren failliet wanneer het zadenbedrijf besluit tot een prijsverhoging.

 

Daaraan zie je dat ook de ‘groene revolutie’ haar eigen politieke en sociale codes kent. In het kort komt het hier op neer: biotechnologie versterkt de controle die multinationals op afstand hebben over de gewassen en het zaaigoed. Het verplaatst de politiek van de parlementaire arena naar de wetenschap via politiserende producten. Dit zijn al vijfentwintig jaar de kernpunten in het debat over biotechnologie. De vraag is hoe je andersoortige sociale relaties in de producten kunt opnemen en zo andere vormen van samenleven kunt creëren; kan technologie een katalysator zijn van andere sociale relaties dan die van ongelijkheid, monopolisering, etc.”

 

Losgekoppeld

In de twintigste eeuw is de landbouw ingrijpend veranderd. Ruivenkamp spreekt van deze omwenteling in termen van vervreemding: “Het Engelse woord agriculture laat duidelijk zien dat landbouw te maken heeft cultuur. Van oudsher was er sprake van een hele specifieke lokale invulling van voedselproductie. Dat is geleidelijk aan verdwenen in de kapitalistische productie. Boeren hadden niet alleen de taak om de gemeenschap van voedsel te voorzien, maar ze zorgden ook voor de omgeving, de gewassen, de zaden en het land. Die taak is hen meer en meer uit handen genomen. De oude boerenkennis is vervangen door technische wetenschappelijke kennis, die binnen globale ketens verder is ontwikkeld en daardoor heel abstracte is geworden. De wetenschappelijke producenten bepalen hoe het gewas zich gedraagt, niet meer de boeren. Het is heel kenmerkend dat op een gegeven moment boeren – natuurlijk tegen betaling – moesten worden geïnformeerd hoe ze voedsel moeten verbouwen. De technologie heeft boeren vervreemd van hun oorspronkelijke rol en kennis. De wetenschappelijke informatie was natuurlijk gekoppeld aan economische belangen: de producten moesten worden losgemaakt van de lokale markt en verkocht op de globale markt. Dat leidde tot een enorme toename van opbrengsten en verrijking van de collectieve opbrengst en tegelijkertijd een enorme verarming van de regio’s. De keuterboertjes werden boeren voor de wereldmarkt. Dat is misschien wel de grootste sociale omwenteling die zich in de geschiedenis heeft voorgedaan.”

 

Ruivenkamp onderscheidt drie processen in deze omwenteling, waarbij het boerenleven en de landbouwgewassen stap voor stap werden losgekoppeld van hun oorspronkelijke betekenis. In de eerste plaats vond een scheiding plaats tussen landbouwgewassen en hun natuurlijke omgeving, door ze steeds meer warmte- en koubestendig te maken, zodat ze overal verbouwd kunnen worden. “De gewassen werden als het ware bevrijd van hun natuurlijke kenmerken. Met rijst en maïs is dat al gebeurd, nu is men met druiven bezig. Die kun je nu ook al in Nederland verbouwen en binnenkort ook in Denemarken. Dat ging gepaard met een toename van productiviteit en efficiëntie. Maar tegelijkertijd ontstonden daardoor ook nieuwe concurrentieverhoudingen: als er steeds meer producenten een product kunnen verbouwen, dalen de prijzen.”

 

De tweede stap is het loskoppelen van het gewas van het voedselproduct. Dankzij de ontwikkeling van enzymen kan een gewas worden opgesplitst in componenten, zoals eiwitten, glucose en fructose. Die kunnen vervolgens weer met elkaar worden verbonden in een nieuw product. Ruivenkamp noemt margarine als voorbeeld: “Je produceert hetzelfde eindproduct, maar niet meer van melk, maar van plantaardige grondstoffen. Door dit opsplitsen in componenten worden landbouwgewassen steeds meer uitwisselbaar Je kunt suiker nu niet meer alleen uit suikerriet en bieten halen, maar ook uit maïs en vele andere gewassen. We spreken hier van de flexibilisering van de gewassen. Dat biedt de mogelijkheid om frisdranken zoals coca cola steeds meer op basis van lokale producten te maken. En daardoor ontstaat er een concurrentie op een andere schaal dan alleen tussen de bietsuikerboeren en de rietsuikerboeren. Het gaat tussen globale organisaties van productiesystemen, die van een afstand de lokale productie controleren.”

 

De laatste stap is de loskoppeling van het landbouwgewas en zijn functie als voedsel. Door de productie van ethanol kan suiker bijvoorbeeld worden gebruikt als benzine. Suiker is niet meer alleen een voedselproduct, maar ook een energieproduct, waardoor er een concurrentie tussen beide ontstaat. Ruivenkamp: “De markt bepaalt of een grondstof voor voedsel of voor energie wordt gebruikt. De discussie of je dit soort diepingrijpende beslissingen wel aan de markt moet overlaten, is mijns inziens zeer terecht.”

 

“Dit is de politiek-economische inhoud van de biotechnologie en als er een ding duidelijk is, dan is het dat dit systeem niet functioneert. Er is een enorme hoeveelheid technologische en wetenschappelijke kennis, maar er zijn nog steeds heel veel mensen die geen toegang hebben tot voedsel. Mijn vraag is niet: kunnen we dit allemaal terugdringen, want dat is geen optie. Maar de vraag is wel: kun je die technologie een andere code meegeven?”

 

Gemeengoed

Ruivenkamp: “Biotechnologie zou de potentie van producten en hun regionaliteit moeten versterken, in plaats van ze tot bulkproduct te maken. Neem de Parmezaanse kaas in Italië: die wordt nog steeds vanuit hele specifieke kenmerken geproduceerd. Het gebeurt niet op een efficiënte, maar op een zeer arbeidsintensieve manier, hoewel de hele landbouwsector gebaseerd is op het verminderen van arbeid. Toch is het een topkaas die voor de lokale producent zeer winstgevend is. Bij veel producten is de afstand tussen producent en consument steeds groter geworden, door de loskoppeling van gewassen en lokale omstandigheden: de pastasaus van de Italianen komt uit Denemarken, terwijl hun eigen tomaten worden naar elders worden geëxporteerd. Maar er zijn overal pogingen dit te doorbreken: in de stadslandbouw zie je bijvoorbeeld dat het contact tussen consument en producent wordt hersteld, vaak zijn ze zelfs een en dezelfde persoon.”

 

Ruivenkamp heeft vier documentaires gemaakt van experimenten rondom biotechnologie ter ondersteuning van lokale boeren in India, Cuba, Ecuador en Ghana. In de film is te zien hoe met kleine labs op het platteland – soms bij boeren thuis – zinvolle technologie binnen het bereik van boeren komt. In Ghana is een populaire lokale maïssoort via veredeling verder ontwikkeld: er zijn eiwitten en mineralen ingekruist, en de maïs is niet gehybridiseerd, zodat een deel van de oogst weer als zaad gebruikt kan worden en de boeren niet afhankelijk worden van de zaadleveranciers. Het maïs kreeg de naam Opatampa: goede moeder. Het wordt gebruikt in straatvoedsel en voor voedselprojecten op lagere scholen. Door de technologische ontwikkeling van de deze maïs krijgen kinderen een maaltijd waar meer vitamines in zitten. Ruivenkamp: “Door dit soort projecten geef je boeren de zorg voor de omgeving weer terug. Rechtvaardigheid en de plaats van arbeid in het productiesysteem staan centraal.”

 

Een ander cruciaal punt hierbij is de strijd tegen de patenten. Technologische kennis is vaak ontoegankelijk omdat ze tot eigendom is gemaakt van een bedrijf of instituut. Ruivenkamp: “Het patenteren van gewassen en zaaigoed is het paard van Troje geweest. Vroeger was het ontwikkelen van zaaigoed een open proces. De resultaten van kruisingsprocessen werden doorgegeven en boeren experimenteerden daarmee voort. Dat mag nu niet meer. Daarom versterkt deze toe-eigening van kennis het effect van monopolisering en vergroot daarmee opnieuw de kloof tussen arm en rijk. Omdat mondiaal slechts drie of vier bedrijven de patenten op zaaigoed bezitten, begint hiertegen nu ook verzet te rijzen vanuit het bedrijfsleven. Die patenten remmen namelijk innovatie. Maar je moet nog een stap verder gaan. Wetenschappelijke informatie moet weer worden gekoppeld aan maatschappelijke kennis en doelen. Het is natuurlijk te gek dat politieke partijen totaal geen visie ontwikkelen op hoe nieuwe biotechnologische producten zoals zaaigoed onder publiek domein moet komen. Het gaat slechts over de vraag of patenten mogen ja of nee. Maar beide kampen zien patenten als een contract tussen uitvinder en de samenleving, zoals het ooit was. Dat klopt allang niet meer, want de producten zijn veranderd. Een patent geeft je nu het alleenrecht over de wijze waarop de productie georganiseerd wordt. Dat moet opengebroken worden. En dat is niet eens zo moeilijk. Je kunt eenvoudig de wetgeving veranderen. Nu krijg je een patent vanwege het industriële nut van een product, maar een linkse partij zou ervoor moeten pleiten dat dit criterium wordt veranderd in het sociale nut. Je verwijst zo direct naar de politisering van het product. En het sociale nut moet natuurlijk bepaald worden door krachten uit de maatschappij. Dan krijg je een totaal ander debat rondom de eigendomsverhoudingen.”

 

“Nog beter is een open productie, waarbij iedereen van de nieuwe kennis kan meeprofiteren. Er ontstaan de laatste jaren projecten waarin onderzoekers en instituten werken met open source toegang tot wetenschappelijke kennis. Dat komt mede doordat patenten te langzaam zijn: door de snelle ontwikkelingen is een uitvinding vaak alweer ingehaald door nieuwe kennis voordat er octrooi over is verkregen. Door mensen zelf toegang te geven tot kennis, kunnen zij die inzetten voor hun eigen lokale ontwikkeling. In de documentaire wordt getoond hoe boeren hun eigen pesticide maken van een extract van zaden van de neemboom, waardoor ze niet meer afhankelijk zijn van grote bedrijven. Steeds meer maatschappelijke organisaties organiseren zich rondom commons en open source technologie. Als we binnenkort naar India gaan willen we daar proberen droogte- en ziekteresistente rijstplanten te ontwikkelen in samenwerking met lokale boeren. Het is een poging om wetenschappelijke kennis gemeengoed te maken.”

 

Guido Ruivenkamp, Biotechnology in development – Experiences from the south, Wageningen Academic Publishers, 2008. Joris Tielens maakte de documentaire onder dezelfde titel. Zie ook www.wageningenacademic.com

Zaadruilbeurs.

Onderzoeker en docent aan de Protestantse Theologische Universiteit. Oud-hoofdredacteur van tijdschrift de Helling.
Alle artikelen
Filosoof, medewerker Rotterdam Vakmanstad en oud-redacteur van tijdschrift de Helling.
Alle artikelen