China's groeistuipen

Interview met China-deskundige Peter Ho

De economische ontwikkeling van China heeft honderden miljoenen mensen uit de ergste armoede gehaald en zorgt voor een begin van democratisering. Maar de groei veroorzaakt ook grote maatschappelijke scheuren. Aldus hoogleraar en China-deskundige Peter Ho.

Het beeld dat het Westen heeft van de wereld is achterhaald. De simpele opdeling in Noord-Zuid, met aan de ene kant rijke, machtige landen en aan andere kant arme, afhankelijke landen strookt niet langer meer met de werkelijkheid. Dat zegt Peter Ho, die in december zijn oratie hield als nieuwbenoemd hoogleraar aan de Rijksuniversiteit van Groningen. Hij wijst op China als voorbeeld van een land dat niet meer past in dat oude overzichtelijke wereldbeeld: het is arm én rijk, zowel ontwikkeld als onderontwikkeld, het is passief object van globalisering en tegelijk ook actief globaliseerder.

Peter Ho (1968) is in Groningen benoemd als hoogleraar-directeur van het Centre for Development Studies en tevens hoogleraar Internationale Ontwikkelingsstudies aan de faculteit der Ruimtelijke Wetenschappen. Hij studeerde tropische bosbouw in Wageningen en Moderne China Studies in Leiden en combineert dat in zijn onderzoeken waar hij zich bezig houdt met onderwerpen als milieu, biotechnologie, landrechten, civil society en dan steeds met betrekking tot China. Van 1997 tot 2002 was hij tolk Chinees voor de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Van Aartsen. Hij is zelf een typisch product van de onoverzichtelijke, geglobaliseerde wereld: een geboren en getogen Maastrichtenaar, met ouders van Chinese oorsprong die in Indonesië woonden maar dat land in het begin van de jaren zestig moesten ontvluchten vanwege de bloedige razzia’s tegen de Chinese minderheid.

Tegenwoordig raken we niet uitgesproken over China als een wereldmacht, maar u zegt dat China ook nog een ontwikkelingsland is. Hoe is dat te rijmen?
“Wij horen hier de verhalen over economische groei en handel, we zien de steden met glimmende torenflats en snelle autowegen, maar vijftig kilometer verderop begint het platteland. De helft van de bevolking is boer met een klein stukje grond waar ze met moeite van kunnen leven. Zeker in de afgelegen regio’s zijn de omstandigheden die van een ontwikkelingsland. Ongeveer 5 procent van de Chinezen leeft onder de armoedegrens, dat zijn tientallen miljoenen mensen.”

Niettemin schrijft u in een van uw boeken dat de snelle ontwikkeling van China juist ook op het platteland plaats heeft gevonden.
“De economische opleving van China is op het platteland begonnen. In de jaren tachtig werden de communes opgeheven en geprivatiseerd. Boeren mochten zelf producten gaan verbouwen en op de markten aanbieden. Dat heeft voor een enorme groei van de landbouw gezorgd en een rurale industrie op gang gebracht op basis van agrarische producten: de dorpsfabriekjes voor papier, rijstverwerking, meel. Een ruwe schatting is dat hierdoor meer dan 200 miljoen mensen uit de ergste armoede zijn gehaald. Maar dat is niet overal gebeurd en niet overal in even sterke mate.

“Van industriële groei en modernisering in de grote steden aan de kust is pas sinds de tweede helft van de jaren negentig sprake. Ik maak een onderscheid tussen typische en a-typische ontwikkelingslanden. De eersten kennen geen groei, zijn veelal in een of andere gewapend conflict verwikkeld en hebben een onmachtige of onwillige overheid. De tweede groep groeit snel, urbaniseert en industrialiseert, en de welvarende streken verschillen weinig van de ontwikkelde landen. Tegelijk kampen deze landen – behalve China ook India, Brazilië en Rusland – met grote maatschappelijke scheuren: een kloof tussen arm en rijk, milieuproblemen, ontbreken van rechtszekerheid en good governance. Om die op te lossen is hulp van buiten nodig. Maar landen als China en India zijn assertief en ook daarom zijn ze atypisch. Vroeger lieten ontwikkelingslanden zich sturen en volgden braaf de bezuiningsopdrachten van het IMF en hielden op verzoek van westerse donoren democratische verkiezingen, met alle fiasco’s van dien, want deze landen waren daar helemaal niet voor toegerust. Een atypisch land is niet afhankelijk van het Westen en kan eisen stellen.

“Het karakter van de Noord-Zuid verhouding is veranderd. Het opdringen van een agenda moet afgelopen zijn. Het hoort niet en het werkt niet. China is een land dat zegt: ‘hoor eens, wij hebben jullie niet nodig; we willen graag steun, maar dan wel aansluitend op onze wensen’. In Nederland is ontwikkelingssamenwerking nog altijd omgeven door een ‘morele plicht’, dat moet veel pragmatischer worden. Tweerichtingsverkeer. Zie in dat je er economisch en wetenschappelijk voordeel mee kan doen. De Chinese studenten die je hier laat studeren en promoveren en leveren ons een bijdrage aan kennis, technologie en innovatie, en als ze teruggaan naar China zijn ze onze ambassadeurs.”

U heeft het over grote maatschappelijke scheuren. Welke zijn dat voor China?
“Het meeste acute probleem voor China is die van de landrechten. Door het hele land worden aan de rand van de steden boeren van hun grond gegooid om plaats te maken voor bedrijven. In China is geen kadaster op het platteland, dus is er geen enkele zekerheid. Projectontwikkelaars zien geld liggen, gooien het op een akkoordje met lokale ambtenaren die delen in de winst. Die boeren die hun land kwijtraken, verliezen daarmee hun enige bron van inkomsten. Dat zorgt op dit moment voor enorme sociale onrust. Er worden complete veldslagen uitgevochten tussen boze boeren en milities die door betrokken bedrijven worden ingehuurd. Daar vallen doden bij. Hoge functionarissen hebben afgelopen maanden hun grote verontrusting hierover uitgesproken. Daarbij wordt openlijk gesproken over een kloof tussen stad en platteland die de stabiliteit bedreigt. Er zijn vorig jaar 87.000 verstoringen van de openbare orde gemeld en die zijn grotendeels aan dit onderwerp gerelateerd. Het zou niet de eerste keer zijn dat China een revolutie beleeft van boeren. Het regime moet optreden tegen de corruptie van ambtenaren en lokale autoriteiten. Dat gebeurt ook al wel. Er is vorig jaar nota bene een minister veroordeeld voor het sluiten van illegale deals in de periode dat hij nog regionaal bestuurder was in Mansjoerije. Dat is een waarschuwing.

“Maar belangrijker is dat het regime iets doet aan de rechtszekerheid voor boeren. Er moet een functionerend kadaster komen. Hier heb je een voorbeeld waar westerse steun gewenst is. Nederland heeft een wereldnaam op het gebied van kadastrering – elke cm2 is hier vastgelegd – en zou China met het opzetten van een kadaster enorm kunnen helpen. Op het gebied van rechtszekerheid kan Nederland overigens meer doen. China werkt aan haar eerste burgerlijk wetboek en dat wordt geënt op het Nederlandse wetboek – want dat is het nieuwste en Chinezen willen altijd het nieuwste. Nederland kan hier van dienst zijn, bijvoorbeeld bij het opleiden van rechters en advocaten.”

Terug naar die maatschappelijke scheuren. Er wordt vaak in zeer alarmerende termen gesproken over het milieu in China, is dat terecht en waar gaat het dan over?
“China stevent af op een milieucrisis. Op alle fronten: bodem, lucht en water. China is nu al de tweede grootste producent van CO2-gas dat een grote bijdrage levert aan het opwarmen van de aarde. Dat is een wereldprobleem. Het wagenpark explodeert en dat heeft ook lokale consequenties in de vorm van fijnstof en stikstofoxiden. De ramp van afgelopen november, toen 100 ton aan zeer giftige benzeen de rivier de Songhua instroomde, is geen incident en zal zich vaker gaan herhalen. Een belangrijke oorzaak van de problemen ligt in het belangenverschil tussen de lokale en centrale overheid. De lokale overheden willen zich ontwikkelen, willen bedrijven, banen, inkomens; de bescherming van het milieu komt van de centrale overheid die meer oog heeft voor de lange termijn. Bedenk dat er heel veel regelgeving is in China, dat is het probleem niet, de naleving en de handhaving daarvan is wel een probleem. Ook hier is er een tegenstelling tussen de kust, met een moderne industrie, en het platteland, waar nog veel oude, zeer vervuilende staatsbedrijven zijn, die vanwege de grote werkgelegenheid niet zomaar gesloten kunnen worden.”

Is het milieu voor Chinese burgers een belangrijk onderwerp?
“De laatste tien jaar zijn er veel milieuorganisaties gekomen. In Peking is er nu ook een milieurechtswinkel. Het initiatief komt natuurlijk van een elite, maar de achterban groeit. Er zijn ook wel protesten en demonstraties, vooral van boeren rond fabrieken die hun land vervuild zien worden. Maar de sociale onrust over milieu valt in het niet bij die over de landrechten.”

In de steden ontstaat een nieuwe elite van zeer rijken, tegenover een grote armoede. Is de kloof arm-rijk een bedreiging voor China?
“Het is wederom meer een tegenstelling tussen kust en binnenland. In de steden ontstaat, naast een rijke klasse, inmiddels ook een middenklasse en weliswaar ook een onderklasse, maar die blijft beperkt. De migratie van arme werkzoekenden naar de steden vanaf het platteland is vooral een seizoensgebonden pendel. Het regime is zich bewust van het gevaar van het ontstaan van grote getto’s in de steden en probeert de werkgelegenheid te verplaatsen naar het binnenland. Het voorkomen van een te grote trek naar de steden is tot nu toe redelijk gelukt. De achterbuurten groeien maar het is nog niet link. Overigens, dat er een onderklasse ontstaat is bijna niet te voorkomen. Een economische groei zoals China die beleeft, ontketent enorme krachten. Het regime moet de uitwassen proberen te beperken en te kanaliseren, met goede opvang, voorzieningen en zorgen voor sociale mobiliteit.

“Kansenongelijkheid is er zeker, maar het voordeel voor China is dat de staat al overal aanwezig is. Veel voorzieningen en diensten, als zorg en onderwijs, functioneren redelijk. Onderwijs is een probleem op het platteland, maar het is er wel. Het moet beter, maar de alfabetiseringsgraad is heel hoog.”

Het klassieke ontwikkelingsidee is dat na economische liberalisering vanzelf ook politieke liberalisering volgt. Onderzoekers beginnen te twijfelen of het zo nog wel werkt, met China als voorbeeld. Daar zou van meer politieke vrijheid geen sprake zijn.
“China is geen goed voorbeeld, Singapore misschien wel. Singapore is een land waar de vrijemarkteconomie niet gevolgd is door politieke liberalisering. Het autoritaire regime zit daar vast in het zadel. Maar in China is wel degelijk sprake van democratisering. Wie er oog voor heeft ziet een langzame scheiding van de drie machten. De onafhankelijkheid van de rechtspraak neemt toe. Het grote misverstand is dat critici van China teveel naar een statisch plaatje kijken: wat is er mis, in plaats van dat ze de ontwikkeling in ogenschouw nemen. Twintig jaar geleden was de CCP, de communistische partij, nog een alleenheerser, nu niet meer, er zijn vele fracties. Het Volkscongres speelt de laatste jaren een actieve rol in de totstandkoming van wetten. Commissies en subcommissies hebben inbreng en stellen eisen. Het regime laat dat toe omdat de leiders beseffen dat ze niet alles weten, dat alle expertise nodig is. Deze toenemende openheid is er niet alleen aan de top, maar ook aan de basis. Ik noemde al de groei van het aantal milieuorganisaties en dat geldt voor ngo’s in het algemeen.  Er zijn in de dorpen sinds de jaren tachtig verkiezingen voor vijf of zes functies waaronder een dorpsleider.”

De vrijheid van meningsuiting is beperkt, en er is geen vrije pers.
“Het hangt er van af hoe je vrijheid van meningsuiting definieert. Wie zich aaneensluit met anderen, in verzet tegen de regering, krijgt problemen. Als eenling kritiek uiten is veel minder een probleem. De beruchte, gigantische Drieklovendam, die gebouwd wordt voor elektriciteitsproductie, heeft heel veel protest opgeroepen en ngo’s hebben een voortrekkersrol gespeeld in het op de agenda zetten van de grote sociale en ecologische problemen die die dam veroorzaakt. Die ngo’s zijn toegelaten, waarschijnlijk vanwege de manier waarop ze werken: ze lobbyen.

“Westerse critici moeten bedenken dat het westerse systeem historisch gegroeid is en contextbepaald, en dat kan je dus niet zomaar exporteren. China en andere landen moeten ruimte en tijd krijgen om hun eigen vorm van democratisering te vinden.”

Hoe ziet dat er uit?
“Nu is er een gemengde vorm van vrijheid, over twintig of dertig jaar is er wellicht vrije pers en misschien ook meer verkiezingen, maar niet à la Nederland maar eerder met twee partijen zoals in de VS. Het kost tijd. Democratiseren doe je niet in vijf of tien jaar. Nederland en Europa zwaaien nog altijd teveel met het vingertje: ‘jullie moeten democratiseren’, maar zo werkt het niet. Door die aanmatigende houding wordt niet gezien dat er wel degelijk wat gebeurt in China. Als je die verandering wel ziet, kan je je daarbij aansluiten en er een bijdrage aanleveren.”

De opkomst van China wordt in de rest van de wereld vooral gezien als een bedreiging. Is dat terecht?
“Het Gele Gevaar. Tot voor een paar jaar ging dat over mensenrechten en nu over de lawine van goedkope producten en de zoektocht naar delfstoffen. Daaraan zie je de grote verandering: China is van geglobaliseerde nu een globaliseerder geworden. Drie factoren zorgen voor een explosieve mix: schaal, schaarste en snelheid, dat wil zeggen: de grote bevolking, het gebrek aan eigen grondstoffen en het tempo van de groei. Een bedreiging? Ja en nee. Ja, de opkomst van China is een bedreiging voor het mondiale milieu. Ik heb al het klimaatprobleem genoemd. En het beslag op de wereldvoorraden grondstoffen dat China gaat leggen is enorm. Ik ben geen milieu-activist, maar hier hebben we iets over na te denken.

“Nee, de opkomst van China is geen economische bedreiging. Natuurlijk moet Europa zich aanpassen, maar het meest te vrezen hebben natuurlijk de zwakke economieën op de wereld, met name in Afrika. Tot nu toe is daar echter geen reden voor. Terwijl het Westen Afrika links laat liggen, trekt China Afrika in. De onderlinge handel is enorm gegroeid. China importeert grondstoffen en exporteert goedkope arbeidsintensieve producten als kleding en textiel, die in Afrika zelf nauwelijks geproduceerd worden. Afrika profiteert hiervan. De economische pijn zit meer bij de Zuidoost-Aziatische landen, zoals Bangladesh, die hun exporten bedreigd zien. Spreken over het Gele Gevaar is, zeker voor Europa, overdreven bangmakerij.”

U bent tolk geweest van de minister van Buitenlandse Zaken. Daarbij kreeg u de mogelijkheid om een kijkje in de Chinese keuken te nemen. Wat heeft u gezien?
“Ik heb met name oog gekregen voor waar we het net over hadden: de langzame ontwikkeling van een tot voor kort zeer gesloten systeem naar een samenleving met meer politieke openheid.”

Jelle van der Meer is journalist en publicist.
Alle artikelen