Column: Vrijheid om te werken

In een recente documentaire over Iran kwam een jonge vrouw aan het woord. Zij sprak open over wat zij miste in haar leven en dat betrof drie vrijheden: vrijheid van meningsuiting, vrijheid van sociale omgang en als derde, vrijheid om te werken.

‘Vrijheid om te werken’ klinkt in onze westerse oren haast als een paradox. Wie heeft het nog over werk als cruciaal voor zelfverwezenlijking? Niet in ieder geval de westerse fotografen van dit moment. Westerse fotografen van hier en nu zijn met heel andere onderwerpen bezig. Zij thematiseren juist het niet-werkende bestaan. We kijken naar jonge ontluikende meisjes van Rineke Dijkstra, naar feesten van Morad Bouchakour in het Rijksmuseum en naar vakantieoorden in Engeland van Martin Parr. En als het niet om de verbeelding van de vrijetijdsbesteding gaat, dan gaat alle aandacht uit naar de niet-werkenden: de werklozen en daklozen, de white trash van Dana Lixenberg in Amerika of Roger Ballen uit de Verenigde Staten/Zuid-Afrika.

Toch is er bijvoorbeeld in de Nederlandse fotografie een rijke traditie in de verbeelding van de werkende mens. Op foto’s van Jacob Olie van het oude Amsterdam zie je mensen werken en nog eens werken. Wat direct in het oog springt is dat er zoveel arbeid in het openbaar plaatsvond. Zwaar lichamelijk werk is voortdurend in beeld. Groot sjouwwerk vindt plaats op overslagterreinen, boten worden gelost en zware karren met koopwaar worden steile bruggen opgeduwd. Venters verkopen overal spullen en hoefsmeden doen op straat hun werk. En bij wie zijn niet de noeste koppen van de werkers van Cas Oorthuys uit de jaren vijftig op het netvlies gebrand? Zelfs bij  Ed van der Elsken en Cor Jaring, de fotografen van de Amsterdamse omwentelingen in de jaren zestig en zeventig zijn de dokwerkers, scharenslijpers en visboeren nog volop in beeld. Achter de pleiners en de dijkers, dat wel.

Dat arbeid in het Westen meer en meer uit beeld is verdwenen wordt bekritiseerd in het in 2000 verschenen fotoboek  Down and Out, Labouring under Global Capitalism. De foto’s zijn van de Indiase fotograaf Ravi Agarwal wiens werk afgelopen zomer ook op Documenta11 in Kassel werd vertoond. Agarwal laat vooral mensen zien die zwaar en ongeschoold werk verrichten. Werk hebben in India betekent vaak heel veel uren zwoegen voor extreem weinig geld. De mensen die je aan het werk ziet lijken geen enkele verbinding te hebben met de geglobaliseerde economie, maar dat is toch niet helemaal het geval. Hogere productiviteit en hogere consumptie, zoals dat wordt opgelegd door IMF en Wereldbank aan zuidelijke landen, leidt tot uitsluiting en gaat ten koste van menselijkheid en ontwikkeling, aldus de sociologen Jan Breman en Arvind Das in hun begeleidende tekst.

Maar niet-westerse fotografen tonen niet alleen de verschrikkingen en de lasten van arbeid, maar ook de ‘lusten’, het plezier. Deze ambivalentie was goed te zien tijdens een fototentoonstelling in Dhaka, Bangla Desh afgelopen december. Delen van deze expositie hadden titels als ‘Child Labour’, ‘Making Child Rights Visible’ en ‘India on the Threshold of the 21st century’. Allemaal foto’s van werkende mensen. Sommige bedoeld om kritiek op de mensonterende omstandigheden waarin geleefd en gewerkt wordt en reacties los te maken, sommige beelden vertelden juist over de positieve aspecten en zelfverwerkelijking van werk.

Ook twee recente publicaties van World Press Photo brengen deze ambivalentie in beeld. In 2002 verscheen ‘Production’, een fotoboek naar aanleiding van een workshop voor jonge persfotografen in Zuidoost-Azië.  Onder de noemer van het dagelijks leven in een metropolis zie je vooral heel veel mensen werken. Zoveel werk vindt plaats in het publieke domein, buiten op straat, zonder hekken eromheen, zichtbaar, ruikbaar en voelbaar voor eenieder in de buurt. Een snelle greep uit de inhoud: vissers in Vietnam, hand-crafted advertising in Indonesië, Becak taxi’s in Singapore, straatartiesten en theeplantages in Maleisië. De vergelijking met Jacob Olie dringt zich op. Werken is niet weggestopt in fabrieken en kantoren, onzichtbaar gemaakt op straat, maar een dynamisch en wezenlijk onderdeel van het dagelijkse leven. Er is een direct verband tussen werken en leven, leven en werken.

Een andere uitgave van World Press Photo uit 2001 heet ‘Pleasure of Life’. Fotografen uit Peru, Zimbabwe Bosnië en  Bangla Desh laten feesten zien, spelende kinderen, maar verhoudingsgewijs ook heel veel werkende mensen. Bornwell Choga uit Zimbabwe fotografeert bijvoorbeeld werkende vrouwen en kinderen. Waarom?  Hij moedigt zijn kijkerspubliek aan te reflecteren op het belang van ergens bij horen en om het plezier te appreciëren dat voortkomt uit samen iets doen. Samiso Mupure, ook uit Zimbabwe grijpt de werktitel aan om het leven van twee werkende vrouwen in beeld te brengen: een danseres en een machinebankwerker. Het moet gezegd: het plezier spat van de bladzijden.

De bijdrage van de Bengaalse fotograaf Sayed Basdrul Karim gaat over de Baul, een religieuze sekte van mystici in zijn land. Op een van de foto’s zie je een man met een zeis op een zojuist omgespit stuk land aan het water.

De tekst ernaast: Strevend naar een perfecte relatie met de waarheid  proberen de Baul het oneindige te bereiken, waarvan zij denken dat het erop wacht ontdekt te worden in onszelf. Karim, de fotograaf, toont die zelfverwerkelijking hier heel expliciet via arbeid.

Toen ik deze foto’s zag begreep ik het meisje in de documentaire over Iran die zei te streven naar vrijheid om te werken. Die vrijheid gun je haar, gun je die Indiërs in het boek van Breman en Das en gun je ons hier in het westen.