Cultureel bouwen

Stad of platteland

Kiezen tussen compacte steden of wonen in het groen, daarover gaat het debat in de ruimtelijke ordening. Uit beide spreekt een afkeer van verstedelijking en een liefde voor groen. Zowel het landschap als de stad verdienen een subtielere aanpak: minder economisch en ecologisch en meer cultureel.

In Nederland is sprake van een richtingenstrijd in de ruimtelijke planning, zoals ook blijkt uit de artikelen in de Helling van Vincent van Rossum (nr. 3, 2003) en Jan van der Meer (nr. 4, 2003). Enerzijds is er de school van ‘de compacte stad’, die pleit voor het verdichten van steden om daarmee groene gebieden tegen verstedelijking te beschermen en de mobiliteit beheersbaar te houden. Anderzijds is er de school van de vrije spreiding die meent dat de beste vorm van woningbouw het eengezinshuis is op het vrije kavel in landelijke gebieden die na het verdwijnen van de landbouw herontwikkeld kunnen worden tot ‘Gooise’ villawijken.

Beide opvattingen ontkennen een belangrijk aspect van ruimtelijke ordening door zich voornamelijk te richten op behoud dan wel invulling van het landelijk gebied. De een put zich uit in het definiëren van contouren en het beschermen van groen, de andere in het prijzen van de groene vrijheid en veiligheid van sub-urbanisatie. Beiden formuleren geen visie op de stad zelf. Onderhuids bestaat er grote consensus over de stad, namelijk dat het een grijze, onveilige dan wel onprettige omgeving is waar alleen mensen gedijen die foot-loose door het leven gaan (immigranten, yuppen en studenten). Nee, de Nederlander wil wonen ‘in een eengezinshuis tussen het buurtgroen’ (Van Rossum) of de Nederlander moet vlakbij plattelandsgroen zitten omdat dat ‘goed is voor de (psychische) gezondheid’ (Van der Meer). Volgens de ene hebben we luchtige steden nodig om groen te wonen en volgens de andere hebben we dichte steden nodig om het groen op fietsafstand te houden.

De GROTE stad met zijn 24-uurs dynamiek, culturele voorzieningen en multiculturele drukte willen we misschien zo nu en dan bezoeken maar liever niet bewonen. Gouda en Hoorn hebben een goede maat en je bent zo op Schiphol, het Leidse Plein, bij Ikea of in hotel New York. De GROTE steden vinden we eng en steeds enger. Zo eng dat we er een speciaal beleid voor hebben.

Beroemd

Om de richtingenstrijd te begrijpen is het goed het begrip ‘compacte stad’ te omschrijven. Met deze term, die is geïntroduceerd in de Vierde Ruimtelijke Nota Extra (Vinex, 1991), wordt niet de GROTE stad bedoeld waar veel mensen leven en waar door financiële druk op schaarse grond hoogbouw ontstaat. De compacte stad is een term die refereert aan een stringent mobiliteitsbeleid om verstedelijking beheersbaar te houden. De essentie van dit mobiliteitsbeleid is het koppelen van goed openbaar vervoer en hoge gebruiksdichtheid. Het is deze koppeling tussen openbaar vervoer en dichtheid die in de Vinex nagestreefd werd.

GROTE Europese steden zoals Londen, Parijs, Berlijn zijn zelden compact. Ze proberen (afhankelijk van de politieke kleur van hun bestuur) wel de mobiliteit te sturen, maar slagen daar meestal maar zeer gedeeltelijk in omdat de grootschalige uitbreidingen steeds dunner worden, verder uit het centrum liggen en er over het algemeen minder wordt geïnvesteerd in openbaar vervoer en meer in het wegennet. Met andere woorden: de historische centra van Parijs en Londen hebben misschien wel een ‘compact’ karakter (hoge dichtheid gecombineerd met goed openbaar vervoer), de buitenwijken hebben dat zeker niet. We zien bovendien een tendens in deze en andere Europese steden dat de buitenwijken steeds belangrijker worden omdat er niet alleen maar gewoond wordt, maar ook de nieuwe commerciële en werkfuncties zich daar vestigen. De term die deze nieuwe stedelijke tendens benoemt is de ‘netwerkstad’.

Een van de weinige goede voorbeelden van een ‘compacte stad’ is Curitiba, een stad met 2,4 miljoen inwoners in het zuiden van Brazilië. Rondom het autovrije stadscentrum vormen de radiale busbanen de basis voor de stadsontwikkeling. In een strook aan weerszijde van elke busbaan mag in zeer hoge dichtheden gebouwd worden, tussen de stroken in lage dichtheden. Aan de buitenrand van Curitiba ligt een groene ring. Van 1963 tot nu wordt elke nieuwe ontwikkeling in Curitiba getoetst aan het principe van de compacte stad. De stad is inmiddels zeer beroemd onder stedenbouwkundigen en ontvangt regelmatig delegaties uit de hele wereld.

Stoplicht

De compacte stad moeten en kunnen we in Nederland helemaal niet nastreven. Door de versnipperde en late verstedelijking zijn Nederlandse steden eenvoudigweg te klein, te ingekapseld en te dicht bij elkaar om onder grote druk hoge dichtheden te krijgen. Zelden komen steden boven de vijftig woningen per hectare. Ook het openbaar vervoer op stedelijk niveau is alleen in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag enigszins intensief en zelden een noodzakelijk alternatief voor de auto.

Belangrijker obstakel is dat Nederlandse steden niet als monocentrische eenheden functioneren, stedelingen ‘zappen’ gemakkelijk tussen steden onderling en van binnenstad naar buitengebied. Daardoor kan je in Nederland heel goed een stedelijk leven leiden zonder in de stad te wonen. Er heerst op grote delen van het grondgebied (West-Nederland, Brabant, Arnhem-Nijmegen en Twente) een stedelijke cultuur, of eigenlijk een ‘rurbane’ cultuur: voor een deel ruraal en voor een deel urbaan.

Door deze diffuse verstedelijking is de stad als woonomgeving vermijdbaar. Er bestaat een anti-stedelijk sentiment gevoed door nimbisme, individualisering en xenofobie, als gevolg waarvan de stad met haar menging van bevolkingsgroepen en functies en haar publiek domein steeds moeilijker geaccepteerd wordt. Tegelijkertijd beseffen we dat de economische en culturele concentratie en het open netwerk van de stad onontbeerlijk zijn voor onze samenleving. Onze houding ten aanzien van de stad is daarom paradoxaal.

De eerste stap op weg naar de herwaardering van de stad is het onderkennen van haar realiteit. Laten we ophouden met de stad rood te kleuren en zwart te maken en beseffen hoe belangrijk, gevarieerd en waardevol onze stedelijke cultuur is en ons niet blind staren op de afstand tot het plantsoen. Om die stedelijke cultuur pluralistisch en levend te houden zullen we moeten streven naar een goed publiek domein waar ruimte is voor verschillende gebruikers. Hiervoor is het nodig de stad constant te vernieuwen en soms ook te verdichten. Dit cultureel perspectief maakt het mogelijk de opvatting over ruimtelijke ordening als stoplicht – rood is ga, groen is stop – achter ons te laten en kansen te zien voor alle schakeringen, van binnenstad tot poldergrond, met daartussen naoorlogse woonwijken, lommerijke sub-urbs en bedrijfsterreinen.

Praktijk

Waar moet een ontwikkeling aangemoedigd worden en waar afgeremd? Eenduidige beoordelingscriteria zijn niet te geven. Onderstaande praktijkvoorbeelden geven aan met welke middelen en op basis van welke argumenten er in een gegeven situatie voor een bepaalde strategie gekozen wordt. De schaal en dichtheid zijn hierbij steeds radicaal anders. Het doel is altijd het versterken of herscheppen van een cultureel perspectief voor een gebied. Het betreft respectievelijk een uitbreidingswijk, een binnenstadslocatie en een buitengebied.

Leidsche Rijn: dichtheid in de uitbreidingswijk
Leidsche Rijn is de grootste Vinex-locatie van Nederland. Op een agrarisch gebied van 25 km2 moeten 30.000 woningen met stedelijke voorzieningen, 250.000 m2 kantoren en 300 hectaren bedrijfsterrein, een park, sportvoorzieningen en een waterbergingsmeer met natuurcompensatie gewurmd worden. De locatie is tegen de westrand van Utrecht gesitueerd en wordt doorsneden door een te overkluizen snelweg, de A2, en de spoorverbinding Utrecht – Rotterdam/Den Haag.

Na Nieuwegein en Houten is er dit keer geen behoefte aan een nieuw stadsconcept waarmee Utrecht definitief naar de prullenbak verwezen zou worden. Leidsche Rijn moet juist onderdeel van Utrecht worden, met straten en routes die vanaf het centrum doorlopen, zonder ‘buffergroen’ tussen oud en nieuw, en met het Amsterdam-Rijnkanaal als een brede stadsgracht. Door parken te laten samenvallen met onbebouwbare terreinen en het overdekken van de A2 wordt Leidsche Rijn behoorlijk compact, gegeven het (door de markt gedicteerde) programma van overwegend eengezinswoningen. De hogere dichtheden en de voorzieningen rondom de haltes moeten het draagvlak voor het openbaar vervoer zo groot mogelijk maken.

Hoboken, Rotterdam: menging in de binnenstad
Hoboken is een wijk in het centrum van Rotterdam, die gedomineerd wordt door het Academisch Ziekenhuis, het Erasmus MC. Dit ziekenhuis gaat in de nabije toekomst verdubbelen tot 300.000 m2 vloeroppervlak. Een enorme stroom aan patiënten, personeel en studenten zal dagelijks dit complex bezoeken. Ondanks dreigementen om naar een perifere locatie te verhuizen, is het zowel voor het Erasmus MC als voor de stad van groot belang dat het ziekenhuis en de faculteit in de binnenstad blijven. De bereikbaarheid voor auto en openbaar vervoer (metro), de centrale ligging in de regio en de nabijheid van (culturele) voorzieningen maken de plek ideaal. Men verwacht veel van de menging (woningbouw) en spin off (werkgelegenheid).

Op dit moment lijkt het Erasmus MC echter nog het meest op een fort in vijandig gebied. Ondanks de publieke functie en de vele bezoekers zou het gebouw net zo goed midden op de Maasvlakte kunnen staan, zo weinig trekt het zich aan van de omgeving. Door verdichting van de randen, menging van functies en het toevoegen van openbare ruimte die aansluit op het complex en het doorkruist, moet het Erasmus MC onderdeel van de stad worden.

Twente: méér Twente
De stichting Stuurgroep Experimentele Volkshuisvesting laat een onderzoek doen naar regiospecifiek bouwen in de hoop medicijnen te ontwikkelen tegen de oprukkende ‘witte schimmel’: de vormeloze en contextloze woningbouwlocaties die overal groeien en bloeien. Twente is een van de regio’s die een waardevolle cultuurhistorie koppelt aan een benarde toestand nu. Net als op alle zandgronden moet de landbouw hier drastisch saneren, boeren worden aangemoedigd te stoppen en de druk van recreatieprogramma’s en woningbouw op het gebied is groot.

In de studie Rurbania!, verricht op verzoek van de genoemde Stuurgroep, worden beperkte ingrepen in het landschap voorgesteld, gericht op menging en schaalverkleining. Het gebied wordt niet opgedeeld in monofunctionele zones, maar er wordt recht gedaan aan de cultuurhistorische eigenschappen door de typische patronen van de ontginning van zandgronden vanuit ‘erven’ her te gebruiken. Nieuw te creëren erven dienen als verzamelplaats voor woningen of bedrijvigheid en zorgen voor een fijnmazig landschap waarin ook waterberging, bos, landbouw en recreatie vervlochten zijn.

Slim beleid

Het is misleidend om op projecten als Leidsche Rijn en Hoboken het label ‘compacte stad’ te plakken en op Rurbania! het stempel ‘suburbanisatie’. Leidsche Rijn is een stadsuitbreiding met een gemiddeld lage dichtheid (veertig woningen per hectare) en bij Hoboken is sprake van een monofunctioneel gebied met regionale uitstraling waar ook boeren en buitenlui gebruik van maken. Rurbania! verdicht landelijk gebied met meer bebouwing, maar ook met meer bos en water.

Wat deze drie plannen verbindt, is het bewustzijn dat ruimtelijke ordening niet een zuiver economische, ecologische of volkshuisvestingskwestie is, maar dat ruimtelijke ordening vooral een culturele dimensie heeft. Leidsche Rijn wordt opgevat als een ondeelbaar deel van Utrecht, het Erasmus MC wordt aan alle kanten verknoopt aan het stedelijk weefsel, het Twents erf initieert veranderingen in programma en functie. Alle drie de plannen zijn kwetsbaar omdat ze strategisch en slim overheidsingrijpen vergen. Zonder initiatiefnemer of grondeigenaar te zijn moet de overheid private partijen (zoals het ziekenhuis, de Twentse boeren en de projectontwikkelaars in Leidsche Rijn) zien te interesseren voor haar collectieve en culturele doelen. Het lijkt alsof juist dat laatste een steeds moeilijkere exercitie is in een tijd dat overheden gegijzeld worden door burgerlijke ontevredenheid, waardoor ze een defensieve houding aannemen.

Zowel de stad als het landelijk gebied moeten worden verdedigd tegen de apostels van liberalisering die onder het mom van ‘dat willen de mensen’ de ruimtelijke ordening volledig willen afstoten als overheidstaak. Daar zit de crux: de overheid moet waarborgen scheppen voor de ontwikkeling van steden en van het landelijk gebied zonder deze regie te (kunnen) monopoliseren. Het Nederlandse cultuurlandschap met zijn kleine steden die als sterrenbeelden onderling verbonden zijn, verdient een subtielere en meer flexibele aanpak dan eenzijdige verdichting zoals de voorstanders van de compacte stad suggereren.

Mede-oprichter van Bureau DaF-architecten.
Alle artikelen