11 minuten

De Duitse lessen

Bij de bestrijding van de RAF-terreur in de jaren zeventig koos West-Duitsland voor een harde aanpak, niet alleen gericht op terroristen maar op iedereen die links-radicaal was. Met als gevolg dat de linkse rijen zich sloten. Nederland kan iets leren van de Duitse ervaringen.

Opvallend in de commotie na de moord op Theo van Gogh met een islamitische jongeman als de vermoedelijke dader, is de veelgehoorde eis aan alle islamieten in Nederland om zich volledig te distantiëren van het islamitische extremisme. Zij moeten expliciet trouw betuigen aan de democratische grondregels en zich aanpassen aan Nederlandse gedragsregels. Symbolisch voor deze eis was de tevergeefs uitgestoken hand van minister Rita Verdonk.

Hoe redelijk die eis op het eerste gezicht ook lijkt, ze berust op een denkfout en zal waarschijnlijk averechts werken. Daarop wijzen de ervaringen die Duitsland in de jaren zeventig heeft opgedaan met het linkse terrorisme van groepen als de Rote Armee Fraktion (RAF). Ook toen werd een gehele bevolkingsgroep verantwoordelijk gehouden voor de daden van enkele van haar leden en ook toen werden expliciete trouwbetuigingen aan de bestaande democratische orde geëist. Net als toen was de inzet een ideologische. Natuurlijk gaat de vergelijking niet helemaal op: destijds stond tussen radicaal-links enerzijds en de dominante stromingen in de maatschappij anderzijds een politiek verschil, geen religieus en etnisch onderscheid. Maar ook destijds was er sprake van grote culturele verschillen tussen beide partijen die net als nu bijdroegen tot de verwijdering tussen minderheid en massa. De vergelijking met de vermeende botsing vandaag de dag tussen westerse en islamitische waarden is daarom minder gewaagd dan ze lijkt.

Zo’n historische vergelijking zou een antwoord kunnen geven op de vraag welke maatregelen tegen terreur effectief zouden kunnen zijn. Wat was het resultaat destijds in Duitsland, waar gekozen werd voor de harde aanpak waarbij een gehele bevolkingsgroep verantwoordelijk werd gehouden. Heeft dat ertoe bijgedragen dat het terrorisme zijn bedding verloor? Heeft die benadering ertoe geleid dat minder mensen kozen voor een bestaan als terrorist?

Stadsguerrilla

De RAF ontstond in 1970. Gefrustreerde leden van de uiteengevallen protestbeweging van de jaren zestig meenden dat de tijd was gekomen om de wapens tegen de staat op te nemen. Zij besloten een West-Duitse stadsguerrilla te beginnen, een anti-imperialistische guerrillabeweging in de ‘metropolen van het kapitalisme’. De eerste twee jaar hield de RAF zich uitsluitend bezig met de organisatie van de gewapende strijd. Dat wil zeggen: ze ‘regelde’ veilige huizen, auto’s, wapens en geld (door bankovervallen). De enige politieke actievorm was de verspreiding van propagandistische brochures. Toch vatten de West-Duitse politie, de politiek en de publieke opinie de RAF vrijwel meteen op als een ernstige politieke bedreiging. Toen bovendien bij schietpartijen de eerste doden vielen, kwam de Bondsrepubliek in de greep van een massahysterie. Luid klonk de roep om harde maatregelen, niet alleen tegen de stadsguerrillero’s zelf. De media raakten geobsedeerd door het idee dat de RAF-leden steeds uit handen van de politie wisten te blijven doordat ze hulp ontvingen van een wijdvertakt netwerk van ‘sympathisanten’ binnen het links-radicale milieu.

Voor sympathisant werden onder anderen publicisten uitgemaakt die probeerden begrip te kweken voor de ontspoorde ‘jongeren’. De schrijver Heinrich Böll schreef bijvoorbeeld relativerend dat het om een ‘Krieg der sechs gegen 60 Millionen’ ging. De rechtse media overlaadden hem daarop met verwensingen en verdachtmakingen. Datzelfde lot trof diegene die op zoek ging naar verklaringen voor het terrorisme en in de RAF meer zag dan een apolitieke criminele bende. Zo raakten de nuances in het debat over de RAF al zoek, nog vóór de eerste politieke campagne van bomaanslagen in 1972.

Bij dat ‘Mei-offensief’ vonden vier in West-Duitsland gelegerde Amerikaanse militairen de dood en vielen er 74 gewonden. In de maand daarna werden de belangrijkste RAF-leden opgepakt. De aandacht concentreerde zich in de navolgende jaren op de processen tegen hen en op de omstandigheden waaronder ze gevangen werden gehouden. Onder aansporing van de advocaten en aangevuurd door hongerstakingen van de verdachten zelf, ontstonden in diverse West-Duitse steden comités voor solidariteit met de RAF. Vanuit de gevangenis onderhielden de verdachten via hun advocaten direct contact met die comités. Na enige tijd ontstond vanuit die comités een nieuwe ‘generatie’ terroristen, die vanaf 1975 aanslagen en gijzelingen pleegden om de RAF-gevangenen te bevrijden.

Martelaars

In haar gerechtvaardigde pogingen die contacten tussen de gevangenen en deze supporters te verhinderen ging de overheid soms erg ver. Zo stelde zij een aantal speciale regelingen op voor de strafrechtelijke behandeling van terreurzaken die de rechten van de verdediging ernstig inperkten. Het aantal advocaten per verdachte werd bijvoorbeeld ingeperkt en een advocaat mocht niet langer verschillende verdachten verdedigen. Na verloop van tijd werd ook het briefverkeer tussen advocaten en verdachten streng gecontroleerd. Naar later bleek was dat geen overbodige zaak; advocaten sluisden zelfs pistolen de gevangenis binnen.

Moeilijker te begrijpen is dat verdachten van de RAF vaak zeer lang in eenzame opsluiting zaten. Zij waren dan niet alleen afgesloten van de buitenwereld, maar ook van elkaar. Hoewel het beleid in zijn algemeenheid meestal niet bijzonder grof was, kwam het door dit soort vaak opzettelijke uitwassen wel zeer hardvochtig over. Politici en bestuurders waren zich onvoldoende bewust van de noodzaak elke indruk te vermijden dat de RAF-gevangenen uitzonderlijk streng en niet conform de rechtsstaat werden behandeld.

De in wezen panische houding van de overheid had tweeërlei negatief effect. Ten eerste behield het grote publiek de indruk dat de RAF een ernstige bedreiging voor het politieke en sociale bestel vormde. Dat beeld was onjuist, want daarvoor was zij vele malen te zwak. Bovendien werden de levens van doorsnee Duitsers door de RAF niet bedreigd. Ten tweede provoceerde het overheidsoptreden een solidariteitsbeweging binnen radicaal-links. Kritische vragen over het ‘geweld der kameraden’ werden weggedrukt door de verontwaardiging over de vermeende mishandeling in de gevangenissen (Folter schreef men overal). De RAF-leden werden door radicaal-links op het schild gehesen als martelaars en identificatiefiguren. Het overheidsbeleid leidde kortom tot radicalisering. Het werkte dus averechts.

Vrijheid van meningsuiting

Bovendien greep de overheid diep in op het leven van West-Duitsers met werkelijke of vermoede radicaal-linkse politieke overtuigingen. Er werd een hele reeks wetten geïntroduceerd of gewijzigd, met de bedoeling terroristische daden al in de planningsfase te ontdekken. Daaronder vielen maatregelen die de bevoegdheden van opsporingsdiensten verruimden. Om één voorbeeld te noemen: voortaan kon bij straatcontroles ook van niet-verdachten de identiteit worden vastgesteld. Zij mochten daarvoor desnoods beperkte tijd worden vastgehouden. De politie mocht hun tassen doorzien om te zoeken naar verboden voorwerpen.

Voorts werd een aantal handelingen strafbaar gesteld in de sfeer van voorbereiding van terroristische daden. Zelfs marginale ‘hulp-, wervings- en ondersteuningsacties voor terroristische verenigingen’ werden in nieuwe of aangepaste wetten al gelijkgesteld aan zware criminaliteit en met corresponderende straffen bedreigd. Zo werden ook tamelijk onschuldige uitlatingen geïnterpreteerd als goedkeuring van terrorisme of oproep daartoe. Het kon zelfs zover gaan dat een graffitiprotest tegen de behandeling van gevangen RAF-leden als ondersteuning van terrorisme werd vervolgd.

Dat ook dit averechts uitpakte bleek onder meer toen Michael “Bommi” Baumann, een voortvluchtige stadsguerrillero van een andere groep dan de RAF, zijn herinneringen publiceerde. Het boek met de omineuze titel Wie alles anfing werd verboden, de oplage werd uit een linkse drukkerij gehaald en vernietigd en de uitgevers werden vervolgd. Dit alles terwijl Baumann juist de weg naar geweld als een doodlopende straat afschilderde. In een ander geval maakte justitie het voortbestaan van een West-Berlijnse actiekrant van ‘ondogmatische’ linkse groepen door een serie van invallen onmogelijk. Daarmee was andermaal een radicaal-links forum van kritisch debat over de ‘gewapende strijd’ de nek omgedraaid. De vrijheid van meningsuiting moest het hier afleggen tegen de simpele koers om alles te vervolgen wat maar enigszins met het linkse terrorisme in verband gebracht kon worden.

Klammheimliche Freude

In feite ging justitie geheel voorbij aan het zelfreinigend vermogen van de radicaal-linkse stroming in de Duitse politiek. Sterker nog: het establishment in politiek, bestuur en pers nam de debatten in radicaal-linkse kringen helemaal niet waar. Ze begreep deze subcultuur en de bijbehorende taal niet, maar stoorde zich slechts aan de soms cynische underground-stijl en reageerde daarop emotioneel. Pijnlijk duidelijk werd dat in 1977 tegen de achtergrond van een nieuwe geweldscampagne van de RAF. Begin april 1977 werd de hoogste federale officier van justitie, Siegfried Buback, met zijn twee begeleiders vermoord. Een studentenblad in Göttingen publiceerde een in memoriam, geschreven door een anonieme auteur die zich naar een Indianenstam ‘Mescalero’ noemde. Deze begon zijn stuk met de mededeling op het bericht van de moord op Buback aanvankelijk met ‘klammheimliche Freude’ (stiekeme vreugde) te hebben gereageerd. Daar hield het stuk echter niet op. Mescalero zette zich aan een analyse van die eerste reactie en kwam heel wat regels verderop tot de conclusie dat zijn stiekeme vreugde verkeerd was geweest. Moord en andere gangstermethoden passen niet bij links, concludeerde hij.

Je zou zeggen dat dit een hoopvol signaal was. Het leek een staaltje gezonde zelfkritiek, zo geformuleerd dat het op resonantie binnen de radicaal-linkse beweging mocht rekenen. Daardoor was het in potentie effectief; het zou mensen binnen die subcultuur ervan kunnen overtuigen geen geweld te gebruiken. De massamedia en de politiek dachten daar echter anders over. Zij struikelden over het begrip ‘klammheimliche Freude’ en kwamen aan een waardering van de conclusie niet eens toe. Er ontstond een hetzeachtige stemming tegen de anonieme auteur en tegen de redactie van het studentenblad. Een aantal linkse professoren besloot daarop hen in bescherming te nemen door de gewraakte tekst, voorzien van een uitleg en verdediging, nogmaals uit te geven. Nu werden de hoogleraren zelf mikpunt van kritiek: in kranten werden zij weggezet als ‘Schreibtischtäter des Terrorismus’ (iets als ‘bureauterroristen á la Eichmann’). Verschillende deelstaten, in formele zin de werkgevers van de betrokken professoren, dreigden hen met ontslag en dwongen hen een verklaring van loyaliteit aan de staat te ondertekenen.

Verbondenheid

Uit dat autoritaire optreden (in wezen was het dat) bleek ten eerste een gebrek aan vertrouwen in de democratische instellingen die men voorgaf te verdedigen. Dat deed afbreuk aan de geloofwaardigheid van het West-Duitse politieke bestel juist bij dát deel van de bevolking dat het gevoeligst was voor de terroristische verleiding. Ten tweede getuigde het establishment van een wezenlijk gebrek aan belangstelling voor die radicaal-linkse bevolkingsgroep. Natuurlijk, het was niet gemakkelijk om die vaak onpraktisch idealistische, moralistische en marxistische utopisten te benaderen, maar geen politicus van gewicht heeft in de jaren tussen 1970 en 1977 een stap in hun richting gezet. Eén van hen, de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken Gerhard Baum (FDP), heeft inmiddels meermaals, en onlangs nog bij NOVA, erkend dat die houding verkeerd was. De toenmalige politici en bestuurders, zegt hij, hadden er beter aan gedaan op zoek te gaan naar de oorzaken. Zij hadden althans moeten proberen de opinies en sentimenten in radicaal-linkse kringen in al hun verscheidenheid te begrijpen. Door hun nalatigheid hebben zij een kans gemist om de voedingsbodem voor terrorisme uit te drogen. In plaats daarvan hebben zij die, met de eenzijdige harde maatregelen, juist opnieuw ingezaaid en geïrrigeerd.

Een grote meerderheid binnen radicaal-links verafschuwde het programma van destructie en dood dat de stadsguerrillero’s volvoerden. Velen vonden het echter moeilijk om, zoals het establishment op luide toon eiste, een duidelijke grens te trekken tussen zichzelf en de linkse terroristen. Men deelde ten slotte nog altijd een fundamentele afkeer van de bestaande politieke en maatschappelijke verhoudingen. Men koesterde nog de herinnering aan het gemeenschappelijke actieverleden in de protestbeweging van de jaren zestig. Door de vijandigheid van de overheid en de publieke opinie behielden die gevoelens van verbondenheid enige kracht. De argumenten waarmee de meesten van hen, net als Mescalero, het geweld uiteindelijk afwezen, zijn ook door die eigen subcultuur en die verscheurdheid getekend. Het establishment miskende die verscheurdheid; het kon er de benodigde sensibiliteit niet voor op brengen.

Doden

In Nederland lopen we ook dat risico. Sommigen spraakmakende politici en commentatoren neigen ernaar de verscheurdheid van veel islamieten in Nederland te miskennen. Dat de meesten van hen het geweld afwijzen, is overduidelijk. Toch valt het velen zwaar alle bruggen naar de extremisten, met wie ze hun geloof en herkomst delen, af te breken. We moeten dat ook niet eisen. Niemand kan binnen een democratie van een ander verlangen uitdrukkelijk te verklaren dat hij democraat is. Democratie berust nu eenmaal op de impliciete afspraak (ondersteund door expliciete bepalingen in het strafrecht) dat geweld en de dreiging daarmee geen onderdeel uitmaken van het proces van menings- en besluitvorming. In de nog jonge democratie van West-Duitsland in de jaren zeventig kostte het velen moeite die regel toe te passen. Van radicaal-links werd verlangd dat men het eigen discours losliet en alleen nog in de termen van het establishment over het terrorisme debatteerde. In wezen werd van radicaal-links geëist dat het zijn eigen identiteit opgaf. De druk van het terrorisme maakt die eis wel begrijpelijk, maar ze werkte averechts. Een deel van radicaal-links sloot in een solidariteitsreflex de rijen, met alle nare gevolgen van dien. Meer dan ooit kreeg de strijd van de RAF een symbolische betekenis, meer dan ooit werden de RAF-terroristen identificatiefiguren binnen de radicaal-linkse beweging.

Wie nu de islamieten in Nederland als groep benadert en van hen, als lid van een groep, eist dat zij beloven de normaalste spelregel van menselijk verkeer (‘Gij zult niet doden’) te respecteren, is even contraproductief bezig als destijds in Duitsland. Wie nu een hand uitsteekt om er geen terug te ontvangen, neemt het risico eigenhandig één van de extreme woordvoerders van de islam in Nederland tot boegbeeld en richtfiguur van alle Nederlandse islamieten te bombarderen. Wie in groepen denkt, creëert groepen en houdt groepsdenken is stand. Waarom zouden we een houding tegenover terrorisme innemen, waarvan bijna dertig jaar geleden in Duitsland al gebleken is dat ze averechts werkt?

Gerelateerde artikelen