De ironie van de stad

Vrouwenemancipatie in China

Hoe werken onder erbarmelijke omstandigheden toch bevrijdend kan werken, bewijst het huidige China. Vrouwen trekken er in grote getale naar de stad, weg van de patriarchale plattelandscultuur, en worden zelfstandig. 

Het westerse emancipatie-ideaal is keuzevrijheid en (financiële) zelfstandigheid. De vraag of emancipatie altijd economische onafhankelijkheid betekent is onderhevig aan debat, maar dat er ruimte moet zijn voor persoonlijke keuzes staat buiten kijf. In China, dat op economisch gebied vrijwel elk land voorbijstreeft en niet meer weg te denken is van het wereldtoneel, ligt dit heel anders. De patriarchale Chinese samenleving staat gelijkwaardigheid van man en vrouw in de weg en daarmee komt ook de keuzevrijheid van vrouwen in het gedrang. Toch zien we juist door de economische boom en de massamigratie die daarop volgde, heel voorzichtig verschuivingen optreden. De migratie van platteland naar stad geeft vrouwen een kans zich verder te ontwikkelen en zelfs economisch zelfstandig te worden, al is dit bepaald niet vanzelfsprekend.                                                 

Sprong voorwaarts

De economische vooruitgang in China is voor een groot deel te danken aan de migranten van het platteland. Naar schatting zestien procent van de totale groei van het BNP de afgelopen twintig jaar is te danken aan plattelandsmigranten. Een derde van hen is vrouw. Zij werken vooral in de export georiënteerde fabrieken (kleding-, schoenen- en speelgoedfabrieken) in Zuid-China. Sinds de grote hervormingen onder Deng Xiaoping eind jaren zeventig groeide de Chinese economie gestaag en steeg het welvaartsniveau in de steden. China haalde op economisch gebied steeds meer landen in, en staat sinds afgelopen zomer op de tweede plaats van grootste economieën ter wereld. Veel stadsbewoners konden zich de laatste decennia meer luxe veroorloven en ook het inkomen per hoofd van de bevolking op het platteland steeg. De ongelijkheid tussen stad en platteland is echter vergroot, omdat het inkomen in de steden harder steeg dan op het platteland. Een direct gevolg van de economische boom is dan ook het enorme aantal (tijdelijke) arbeidsmigranten dat sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw van het platteland naar de steden en kustgebieden is getrokken. De cijfers zijn indrukwekkend: nergens ter wereld is er zoveel interne arbeidsmigratie op gang gekomen als in China. In 2009 werd hun aantal al tussen de 130 en 150 miljoen geschat, waarmee ze twintig tot 35 procent van het inwoneraantal van de meeste grote steden uitmaken.

De migranten zijn jong: bijna tachtig procent is tussen de 15 en 35 jaar. Deze gelukszoekers hebben weinig te verliezen, omdat ze meestal nog geen partner of gezin hebben. Bovendien lijken zij zich snel aan de stedelijke omstandigheden aan te passen. Vanzelf gaat dat niet: de levensstijl en waarden op het platteland verschillen enorm van die in de stad. En behalve deze ‘cultuurshock’ zijn er ook nog de bureaucratische drempels van het huishoudregistratiesysteem, de hukou. De hukou bindt de Chinezen aan de plaats waar de ouders vandaan komen (stad of platteland). Door deze classificatie splitst de staat de maatschappij in tweeën. De overgrote meerderheid van de migranten heeft nog zijn plattelands-hukou. Het systeem onderscheidt hen van de stadsbewoners en sluit hen op bepaalde gebieden ook uit. Zo hebben ze geen recht op sociale verzekeringen, kinderopvang, gezondheidszorg en pensioenvoorzieningen. Tegen betaling kunnen ze deze ‘rechten’ kopen, maar door armoede zijn migranten hier meestal niet toe in staat. Voor de vrouwen geldt dat zij zeer laag in aanzien staan door hun classificatie als tweederangs- of zelfs derderangsburger. Niet alleen komen de stedelingen eerst, ook mannelijke migranten zijn hoger in rang. Vrouwen worden blootgesteld aan vooroordelen van stedelingen, maar ook aan (seksuele) uitbuiting, discriminatie en misbruik. Ze verdienen minder dan stadsmensen en mannelijke migranten. De vrouwen werken gemiddeld 26 dagen per maand en 58,4 uur per week, waarmee ze 14,4 uur langer werken dan de Chinese arbeidswet toelaat. Volgens onderzoekster Tamara Jacka, verbonden aan de Australian National University en specialist op het gebied van vrouwenemancipatie in Azië, ondergaan meisjes en vrouwen die werken als huishoudelijke hulp de meeste vernedering. Dit werk is het slechtst betaald en staat het laagst in aanzien, omdat het plaatsvindt in de privésfeer.

Fabriekswerk heeft voor deze vrouwen de voorkeur, vanwege de vaste werkuren en de meer publieke en onpersoonlijke werksfeer. Opvallend, omdat er in de fabrieken vaak een avondklok is, de slaapplaatsen erg klein en smerig zijn en het werktempo moordend is. Ook fabriekseigenaren geven de voorkeur aan vrouwen: ze werken volgens hen nauwkeurig en geconcentreerd. Ook speelt er nog een andere factor: vrouwen zouden onderdaniger en volgzamer zijn. Hier kom ik op terug.

De ironie van de stad

De woon- en werkomstandigheden van migrantenvrouwen lijken niet te passen bij het positieve begin van dit artikel. Toch ervaren de vrouwen de overstap van platteland naar stad over het algemeen als positief en is er wel degelijk een trend te ontdekken wat betreft hun persoonlijke ontwikkeling en emancipatie. De patriarchale situatie in China en vooral op het platteland blijkt hiervoor een belangrijke reden. China is al meer dan 2000 jaar een samenleving waarin mannen bevoorrecht zijn en dominante posities bekleden. Mao Zedong gaf vrouwen weliswaar gelijke rechten onder het beroemde motto 'women hold up half the sky’, maar toch hebben Chinese vrouwen nog steeds niet dezelfde status als mannen door de lange traditie van sociale ongelijkheid. Vooral op het platteland overheersen oude rolpatronen waarin de vrouw een inferieure status heeft en geacht wordt hard te werken, voor het gezin te zorgen en gehoorzaam te zijn. Mishandeling en onderdrukking komen er geregeld voor en de vrouwen zijn overgeleverd aan de wensen, grillen en dominantie van vaders, broers en – eenmaal getrouwd – echtgenoten. Migreren, waartoe ze in feite geen andere keus hebben door de economische situatie op het platteland, lijkt dan zo’n slecht alternatief nog niet. Eenmaal gewend aan de stedelijke levensstijl zien de vrouwen mogelijkheden voor verdere ontwikkeling via scholing en werk. “(…) [Y]oung rural migrant women are often the most enthusiastic proponents and subjects of urban-oriented modernity and development”, zegt Jacka over hen.

Socioloog Ching Kwam Lee trok een tijdje op met migrantenarbeiders in Zuid-China. Daar zag hij onder welke slechte omstandigheden de vrouwen leefden voor een schamel loon. De meisjes vertelden hem echter dat ze niet voor het geld waren vertrokken, maar voor de autonomie die ze in de stad hadden en die in het dorp niet mogelijk was. Dat schamele loon verdienden ze wel zelf. De ervaringen met de stedelijke, lossere omgang tussen mannen en vrouwen, gecombineerd met hun eigen ervaringen van individuele autonomie, sterken de vrouwen in hun kritiek op de patriarchale situatie op het platteland en zijn van invloed op hun beslissing om er niet of later naar terug te keren.

Toch is naar mijn mening het geld dat de vrouwen verdienen, ofwel hun economische onafhankelijkheid, een zeer belangrijke reden voor hun zelfstandigheid of emancipatie. Economische onafhankelijkheid, hoe beperkt ook, betekent immers een grotere keuzevrijheid. Dit laat ook Yang Qun zien, een jonge migrant die op haar 23e al zes jaar in de miljoenenstad Shenzhen werkte. Ze was heel tevreden met haar beslissing naar de stad te vertrekken. Toen ze geïnterviewd werd door journalist Floris-Jan van Luyn, zo’n drie jaar geleden, verdiende ze tachtig euro per maand en hoefde ze hiervan niets meer naar familie thuis op te sturen. Ze prees zichzelf gelukkig dat ze kon beslissen over haar eigen geld en niet, zoals haar getrouwde klasgenoten in de dorpen op het platteland, een afhankelijk bestaan hoefde te leiden.

De bevrijding van familie en landelijke tradities die de vrouwen door hun vertrek ervaren, staat in schril contrast met het gebrek aan vrijheid dat de vrouwen in de steden in feite hebben. Het is ironisch dat ze er een gevoel van autonomie en eigenwaarde aan overhouden, terwijl de fabrieksbazen en werkgevers dit zo hard onderdrukken. Dat vrouwen volgens de fabriekseigenaren daarbij ook nog eens onmisbaar voor de productie zijn, niet alleen vanwege hun lage lonen, maar vooral omdat ze ‘een betere conditie hebben’ en ‘handelbaarder’ zijn, versterkt die ironie alleen maar. China is hierin overigens niet uniek: door de geschiedenis heen zien we dat vrouwelijke arbeiders om die reden erg gewild zijn en dat diezelfde industrie de vrouwen emancipeert en ontwikkelt. Er zijn historische parallellen te trekken met de Industriële Revolutie in Engeland, waarover Ivy Pinchbek 75 jaar geleden in een groots onderzoek concludeerde dat deze als belangrijkste erfenis de emancipatie van de vrouwen had. Andere onderzoekers, zoals Lydia Kung, ontdekten dat de jonge plattelandsvrouwen die de economische vooruitgang in Zuid-Korea en Taiwan aandreven, de grote autonomie en zelfbeschikking prefereerden boven het geld dat ze verdienden.

Terug op het platteland

De meeste vrouwen blijven tijdelijk in de stad: tussen de zes maanden en de tien jaar. Door hun migratie krijgen vrouwen een andere kijk op onderwerpen als gelijkheid, privacy, vrijheid en individuele rechten. Terugkeren naar de ouderwetse situatie op het platteland is dan niet erg aantrekkelijk meer. Velen keren desondanks terug, maar dan vrijwel altijd tegen hun zin. Exacte cijfers zijn lastig te vinden, maar er is duidelijk een toename te zien van migranten die zich permanent in de steden vestigen. Wie terugkeren maken gebruik van de stedelijke ervaringen, contacten en het verdiende geld. Zij richten bijvoorbeeld een landbouwbedrijf op om de plaatselijke economie te bevorderen. Volgens bijna twintig rapporten uit 2009 van lokale vrouwenorganisaties in onder andere Guizhou, Guangxi en Hunan, hebben tussen de 10 en 33 procent van de teruggekeerde migrantenvrouwen hun eigen landbouwbedrijf opgezet. Ondanks problemen op het platteland (bijvoorbeeld tekorten aan landbouwgrond en klimaatverandering) lukt het hen om blijvend een eigen inkomen te genereren. Tot op zekere hoogte kan de teruggekeerde migrant hierdoor haar aanzien in het dorp verbeteren: ze heeft haar eigen geld verdiend en het in haar eentje gered. Bovendien leverde ze met het geld dat ze vanuit de stad naar huis stuurde een belangrijke bijdrage aan het familie-inkomen. Dit draagt bij aan een hogere waardering van vrouwen.

De Chinese migrantenvrouwen zijn in vergelijking met hun (groot)moeders zeer revolutionair. Waar de oudere generaties geen andere vooruitzichten hadden dan de eeuwige herhaling van werken en zorgen op het platteland, verdienen de migrantenvrouwen geld en voelen zij zich onafhankelijk. Ze verkiezen een leven in de onbekende stad boven het leven op het platteland, ondanks dat ze er zeer hard voor moeten werken en ze als derderangsburger gezien worden. Gelijkwaardigheid aan de man is misschien een uiteindelijk doel, maar gelijkwaardigheid aan de stedeling is een eerste prioriteit. Zolang de hukou in stand blijft, blijft dit een grote uitdaging, zeker nu steeds meer migranten in de stad blijven wonen.

Literatuur:

- T. Jacka, Rural Women in Urban China. Gender, Migration, and Social Change, New York 2006.
- F. van Luyn, Een stad van boeren. De grote trek in China, Amsterdam 2004, 2008.
- P. Rivoli, Met een T-shirt de wereld rond. Hoe globalisering precies werkt, Amsterdam 2005.
- F. Yuan, ‘Turning Stress into Strength: Disadvantaged Women Coping with Crisis and Working for Change’, Women in Asia Conference, 1 oktober 2010.

Organiser bij de FNV. Voormalig stagiair bij Bureau de Helling (2010).
Alle artikelen