"Democratisering vergroot de kans op geweld"

Interview met socioloog Michael Mann

Na zijn bejubelde boek The dark side of democracy (2005) moet de socioloog Michael Mann overal uitleg geven over zijn bevinding dat democratisering gevaarlijk is: het kan leiden tot etnische zuiveringen en genocide.

Soms is wetenschappelijk onderzoek niet zo moeilijk. Michael Mann telde het aantal oorlogen en kwam tot opvallende bevindingen. Bijvoorbeeld dat oorlog tot zeer recent de normale conditie was voor de Europese landen, inclusief Nederland. Terwijl de huidige generaties Europeanen het werelddeel graag voorstellen als het vredelievende voorbeeld voor de rest van de wereld, is dit continent van oudsher eigenlijk heel oorlogszuchtig. Mann: “Tussen 1871 en 1914 vochten de Britten, Fransen en Hollanders minstens honderd oorlogen in hun koloniën uit, waarbij gewelddadigheden als oorlog tellen wanneer er minstens duizend doden vallen. Dat is tweeënhalve oorlog per jaar. Tussen 1816 en 1950 zijn de Europeanen verantwoordelijk voor tachtig procent van alle oorlogen in de wereld. Over de periode daarvoor zijn de statistieken gebrekkig, maar het is vrij zeker dat Europa deze gewelddadige koppositie een millennium lang heeft bekleed.”

Dat is niet omdat oorlogvoeren de Europeanen in het bloed zit, maar omdat de omstandigheden er naar waren. Lange tijd kende Europa een paar grote imperia met daar omheen vele kleintjes waarover voortdurend strijd was. Toen die langzaam ingelijfd waren, richtte de aandacht zich op veroveringen buiten het continent. Mann: “Al deze oorlogen werden gevoerd uit rationele overwegingen: ze waren winstgevend. Rond 1900 zijn er nog slechts grote imperia en is er geen winst meer te behalen. Het oorlogsmechanisme eindigt dan in de Eerste en Tweede Wereldoorlog – irrationele botsingen tussen grote rijken, die enkel om de status gaan. Na de Eerste Wereldoorlog willen Frankrijk en Engeland al af van het oorlogvoeren en na de Tweede Wereldoorlog Duitsland ook. Europa komt dus van Mars en gaat in 1945 op vakantie naar Venus.”

Vakantie, dus tijdelijk?
“Met de instituties van de Europese Unie zijn de omstandigheden fundamenteel veranderd en ik verwacht geen terugkeer naar militarisme in Europa. De enige uitzondering is de mogelijkheid dat Rusland zich meer militair gaat presenteren, zodat ook Europa meer stappen zou moeten zetten naar een collectieve defensie die nu nog helemaal ontbreekt. Ik acht dat onwaarschijnlijk. Er zijn de bloedige herinneringen aan de wereldoorlogen en door de komst van nucleaire wapens is het onaantrekkelijk om een oorlog op het hoogste niveau te voeren. Ervan uitgaand dat mensen toch enige vorm van rationaliteit bezitten, zullen ze proberen grote oorlogen te vermijden.”

Sommige Europeanen willen dat Europa een echte macht wordt. Op dit moment is het wel een grote economie, maar geen geopolitieke macht. Mann vindt, zo zegt hij met een bescheiden glimlach, dat Europa niet die weg op moet. “Een sterke economie is voldoende als basis voor liberale en tolerante samenlevingen. Europa heeft de juiste keus gemaakt door niet haar politieke macht te vergroten. Dat is de triomf van Margaret Thatcher die geen federaal Europa wilde omdat ze de soevereiniteit van Groot-Brittannië niet beperkt wilde zien. Haar strategie om dat te voorkomen was de EU uit te breiden met meer en meer landen zodat overeenstemming en verdieping steeds lastiger zou worden. En dat is gebeurd.”

“Sinds de Tweede Wereldoorlog hebben de Verenigde Staten de militaristische traditie van Europa overgenomen. Amerika is verantwoordelijk voor 48 procent van de wereldwijde militaire uitgaven. En dat cijfer is nog steeds stijgende, ook onder Obama. Onthuld is dat minister Rumsfeld van Defensie na 9/11 het plan had liggen om na Afghanistan achtereenvolgens zeven landen binnen te vallen: Irak, Syrië, Libië, Jemen, Somalië, Soedan en Iran. De grootste landen als laatste, vanuit het idee dat als de eerste invallen succesvol zouden zijn Soedan en Iran wel concessies zouden doen. Een massieve poging tot imperialisme in het Midden-Oosten, maar het plan struikelde al over de eerste twee hordes. Ondanks dit falen, stappen de VS niet uit hun militaristische rol. De leidende klasse vindt nog altijd dat de VS verantwoordelijkheid draagt voor de wereldorde. Ze geloven dat zonder de Amerikaanse legers de wereld grotere wanorde zou kennen.” Mann noemt het idee dat militaire grootmachten voor orde moeten zorgen “de grootste teleurstelling van de moderne geschiedenis”. Het tegendeel is waar: “Ze hebben alleen maar massamoord gebracht.”

Het klassieke oorlogvoeren, waarbij de ene staat de andere binnenvalt, is wereldwijd sterk afgenomen. Heeft dat iets te maken met verval van de natiestaat?
Mann schudt het hoofd. “De traditionele ruggengraat van de natiestaat was oorlogvoeren, in de meeste landen is dat verdwenen. In plaats van oorlog tussen staten zie je nu oorlogen binnen staten. Die burgeroorlogen gaan in essentie over het ideaal van de natiestaat en het probleem dat ideaal te realiseren. Alle landen in de wereld willen natiestaten worden. Veel regimes claimen dat ze het zijn, maar hebben geen effectieve controle over hun territorium. Veel landen kennen conflicten over wiens staat het is, over de invulling van ‘de natie’.”

In uw veel besproken boek The dark side of democracy (2005) laat u aan de hand van vele voorbeelden, waaronder Joegoslavië en Rwanda, zien dat natievorming en democratiseringsprocessen kunnen leiden tot etnische zuivering en genocide. Zijn er manieren om zo’n gewelddadige fase in het proces van natievorming te vermijden of te verkorten?
“De Europese natiestaten waren in het verleden etnisch en cultureel ook veel diverser en zijn in essentie gezuiverd, maar op een vreedzame manier. Eén taal verplicht in het hele land. Zo werden ze één natie. Bij het uitbreken van geweld spelen meerdere factoren een rol. In mijn boek laat ik zien hoe te voorspellen is waar problemen zullen ontstaan. Ik pleit voor een ‘early warning system’ waarmee je aan de hand van de kennis over een land signaleert dat er grote risico’s zijn. Zo kon je al langer zien aankomen dat Soedan een enorme conflicthaard zou worden. Met die kennis had je internationale actie kunnen ondernemen, economische hulp en misschien aanmoediging van een consensussysteem zoals in Zwitserland, waar groepen in plaats van elkaar te bevechten, apart leven en toch samen het land besturen. Maar interventie is lastig. Je kan niet van buiten zomaar een systeem uit het ene land opleggen aan het andere. Essentieel is dat de twistende etnische groepen een gedeelde verantwoordelijkheid krijgen in de macht, zeker in landen waar de overheid controle heeft over de economische bronnen, zodat voorkomen wordt dat één groep domineert over de rijkdom.”

Machtsdeling is belangrijker dan democratisering, benadrukt Mann. “Democratisering vergroot de kans op gewelddadige etnische zuiveringen. Ten eerste omdat democratie gemakkelijk gebruikt kan worden voor het idee dat de staat de expressie moet zijn van de ziel van één specifieke etnische groep. Ten tweede bestaat het gevaar dat bij de introductie van verkiezingen de dominantie van de meerderheidsgroep wordt bevestigd of bewerkstelligd. Er is niets mis met democratisering als je waakt voor onaangename effecten, als je je bewust bent van de problemen die het met zich mee kan brengen. De Amerikanen waren dat niet toen ze begonnen in Afghanistan en Irak. Gaandeweg is dat tot hen doorgedrongen, overigens zonder dat dat heeft geleid tot wijs handelen. Ze gaven in Irak wapens aan de sjiitische warlords om achter de soennitische terroristen aan te gaan en dat is niet echt het beste recept voor een vreedzame toekomst. Het is belangrijk om macht te delen. Dat geldt ook voor Afghanistan, waar door de Amerikaanse inmenging grote groepen buiten het systeem zijn komen te staan. Karzai zou er goed aan doen om compromissen te sluiten.”

“We moeten niet te snel willen. Het heeft de westerse landen een hele lange tijd gekost om democratie te ontwikkelen. In landen waar het gevaar van etnische of religieuze conflicten bestaat, zou ik een Tito-achtige dictator niet erg vinden als die een balans tussen groepen zou garanderen. Liever dat, dan per se een meerpartijensysteem; het hangt van de situatie af. Het gaat om een pragmatische afweging.”

Is China een goed voorbeeld van een land dat zich ontwikkelt terwijl gaandeweg de macht steeds meer gedeeld wordt?
“Ik zou willen dat de hervormingen in China sneller gingen. Maar als je kijkt naar Rusland, waar een radicale transformatie van staatssocialisme naar kapitalisme gecombineerd werd met de introductie van democratie, dan zie je dat dat niet heel succesvol is verlopen. Rusland begint nu pas een beetje bij te komen van die periode. Poetin heeft macht terugveroverd op de orthodoxe kapitalisten en oliebaronnen. De VS denkt er anders over, maar het zou goed kunnen dat Poetin de juiste strategie heeft gekozen. In het geval van China is het duidelijk dat de keuze voor radicale economische hervormingen, gecombineerd met behoud van de politieke controle aan de top, gezorgd heeft voor een enorme economische ontwikkeling. Dat is de betere manier om het aan te pakken. Het zou mooi zijn als de Chinese regering nu wat hervormingen zou toestaan, maar dat is niet gemakkelijk. Als je macht hebt, geef je die niet zomaar uit handen.”

Het Westen legt in zijn ontwikkelingsbeleid de nadruk op democratisering. Is dat terecht, bijvoorbeeld in sub-Sahara Afrika?
“Veel Afrikaanse regeringen hebben niet het hele land onder controle. De hoofdsteden liggen vanwege de koloniale periode meestal aan de kust, met alleen verbindingen naar de economisch interessante gebieden. De rest van het land werd niet bestuurd en sinds de onafhankelijkheid is daar niet veel aan veranderd. Op het moment dat er dan toch economische bronnen blijken te zitten in die gebieden, is het vrij gemakkelijk voor lokale leiders om aan wapens te komen en de onafhankelijkheid uit te roepen. En dan heb je burgeroorlog. Die zijn meestal economisch gemotiveerd: diamanten, kobalt, of wat dan ook.

Democratie zal Afrika niet redden. Belangrijker is dat de lokale Afrikaanse economische elites inzien dat de staat er niet is om door hen bestolen te worden en dat ze ‘ontwikkelaars’ worden. Wij moeten hen daarvoor de prikkels geven en de voorwaarden scheppen.

Ik zeg niet dat democratie geen goede zaak is, in sommige omstandigheden moet je alleen heel voorzichtig en pragmatisch zijn. En je moet niet denken dat als je verkiezingen hebt, je dan democratie hebt. Het gaat ook over rechten, vrijheid van meningsuiting en van vergadering. Ontwikkeling is belangrijker dan democratie.”

Mann verlegt het gesprek naar de oude democratieën, want er zit hem iets dwars. “Ik ben geschokt hoe zeldzaam het in democratieën is inzake buitenlandse politiek de bevolking te raadplegen, bijvoorbeeld voordat ze in oorlog gaan. Als de regering zegt ‘Verwegistan bedreigt ons, de dictator is een kwaad’, zal een groot deel van het volk haar geloven, althans in het eerste jaar van de oorlog. Een bedreiging is zo gemakkelijk gecreëerd. Dit is echt een groot verschil met binnenlandse politiek, omdat de bevolking daarin sterke belangen heeft en vaak strijdige belangen; een voorstel voor belastingverhoging leidt onmiddellijk tot een groot debat en uiteindelijk beslist het volk. Het kenmerk van buitenlandse politiek is dat de elite beslist. Als ze in oorlog wil, kan ze vrij snel en gemakkelijk zorgen voor oorlogskoorts en dat intimideert de mogelijke oppositie en de media.”

In Europa heeft de komst van islamitische migranten in veel landen geleid tot conflicten over de invulling van ‘de natie’. Is daarmee ook het gevaar van gewelddadige interne conflicten binnengehaald?
“Het is duidelijk dat de komst van moslims enige problemen veroorzaakt, maar dit zijn geen fundamentele problemen. De moslims in Europa claimen geen eigen staat. Dat is dus niet zo bedreigend als de etnische conflicten die ik in het boek bespreek. Het gaat in Europa om immigranten die loyaal zijn aan de eigen gemeenschap. Dat levert politieke strubbelingen op over eigen onderwijs en hoofddoeken, zeker in Frankrijk met zijn nadruk op burgerschap, maar ik denk dat de overheid daarover compromissen zal moeten sluiten.”

Bij het afscheid vertelt Mann dat het lang geleden was dat hij Nederland bezocht. Als we hem vragen of hij gemerkt heeft dat het politieke klimaat hier intussen erg is veranderd en wel ‘for the worse’, kijkt hij ons glimlachend aan. “Jullie hebben te weinig afstand”, zegt hij, “Nederland is nog altijd een erg tolerant en vredelievend land”.

De Engels-Amerikaanse hoogleraar aan de University of California, Los Angeles,  Michael Mann (67) houdt zich bezig met oorlog, het ontstaan van natiestaten en het wezen van grote machten. Hij is macro-socioloog van het grote gebaar en trekt in zijn onderzoek grote lijnen door de geschiedenis. In zijn bekroonde boek Incoherent empire (2003) bekritiseert hij de rol die de Verenigde Staten menen te moeten spelen als wereldpolitieman. Zijn magnum opus is het tweedelige The sources of social power (samen 1400 pagina’s, deel drie is op komst) over macht en het ontstaan van natiestaten. In zijn laatste boek The dark side of democracy zoekt hij aan de hand van concrete cases een verklaring voor genocide en etnische zuiveringen. Moorddadig geweld, aldus Mann, dreigt als in het ideaal van ‘bestuur door het volk’ de ‘demos’ (Grieks voor volk) wordt verward met de ‘ethnos’ (de etnische groep). Toen Mann deze zomer in Amsterdam was, kwam hij net uit Griekenland, waar dit boek veel aandacht heeft gekregen.

Jelle van der Meer is journalist en publicist.
Alle artikelen
Monique Kremer is medewerker van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.
Alle artikelen