Eigen zwakken eerst?

Nederland immigratieland

Een immigratieland heeft een vlottende en gemêleerde bevolking. Daarbij past geen verzorging van wieg tot graf die uniformiteit vereist en steunt op grote onderlinge eensgezindheid. Wat Nederland nodig heeft, is meer ruimte voor ongelijkheid.

Links verdedigt de verzorgingsstaat en is tegelijk pleitbezorger van een ruimhartige toelating van migranten. Over die combinatie moet links zich maar eens flink achter de oren krabben. De verzorgingsstaat met zijn ideaal van gelijkheid past niet bij een open immigratiesamenleving. De omvangrijke solidaire herverdeling is alleen mogelijk in een gesloten eensgezinde gemeenschap en zo’n samenleving is Nederland niet meer en zou Nederland ook niet meer moeten willen zijn.

Om dit te kunnen verduidelijken nemen we eerst een kijkje in een woongroep – er zijn er nog genoeg van. De bewoners van de groep delen veel: ze koken en eten samen, ze poetsen en onderhouden het huis, er is onderlinge zorg en misschien stoppen ze zelfs wel hun inkomen in een pot en keren alles vervolgens in gelijke porties uit. Een dergelijke manier van samenleven vereist veel loyaliteit, solidariteit en bereidheid om het steeds weer eens te worden. Er zijn veel regels, maar daartegenover staat veel onderlinge betrokkenheid. Noodzakelijkerwijs zal de selectie van nieuwe bewoners streng en kritisch zijn: de nieuwe persoon moet over zoveel mogelijk dingen net zo denken als de oude bewoners. Een verkeerde keus zou het sociale paradijs kunnen verstoren. Zelfs afzijdigheid leidt in een woongroep al snel tot fricties. Heel anders gaat dat in een studentenflat. Met zijn zessen of achten of nog meer delen ze slechts keuken en sanitair en men eist hier niet méér van elkaar dan het conformeren aan een aantal heel basale regels. Bij ziekte of ander ongeluk moet je maar afwachten of er iemand naar je omkijkt want iedereen leeft zijn eigen leven. Selectie van nieuwkomers is marginaal en gasten, tijdelijk of permanent, zijn geen probleem. Het is eerder omgekeerd: hoe meer zielen hoe meer vreugd.

Vergelijk dit nu eens met Nederland. Wij kennen een uitgebreide onderlinge zorg en een flinke inkomensherverdeling. Een dergelijke solidariteit vereist veel loyaliteit, afstemming en eensgezindheid. Daarbij horen regels en plichten, maar daar staat tegenover dat niemand hoeft te creperen. Noodzakelijkerwijs hoort daarbij ook een selectief toelatingsbeleid, want als je zoveel deelt moet je wel van elkaar op aan kunnen. Nieuwkomers zullen zich moeten schikken in vele regels die horen bij al die onderlinge zorg. Ze moeten een bijdrage leveren én kunnen delen in de zorg. Afzijdigheid leidt tot fricties. Hoe anders is dat in een land als de VS. Hier bestaat een veel geringere van staatswege georganiseerde solidariteit. De Amerikanen delen minder, althans verplichtend, en iedereen kan zijn eigen gang gaan mits men zich houdt aan een aantal minimale regels. Dat betekent dat het makkelijker is om mensen toe te laten, onder het motto: ga je gang, als je maar niet tot overlast bent.

Uniek

De verzorgingsstaat is ontstaan in een tijd van weinig mobiliteit, controleerbare grenzen en betrekkelijk grote onderlinge eensgezindheid. De jaren vijftig en zestig waren het hoogtepunt van de (democratische) natiestaat. De begrenzing en eensgezindheid schiepen de condities voor het uitbouwen van een sterke geïnstitutionaliseerde solidariteit. We kunnen gerust spreken van een sociaal paradijs met een historisch gezien unieke mate van gelijkheid. In diezelfde periode begonnen de veranderingen, en een daarvan was dat de grenzen toch niet zo controleerbaar bleken te zijn. De immigratie naar West-Europa kwam op gang, in het ene land wat eerder dan in het andere: als gevolg van koloniale erfenis, door asielverplichting en via gastarbeiders die per ongeluk bleven. Vanaf 1960 is Nederland een netto-immigratieland. Achteraf gezien zijn de migranten in die eerste periode met relatief gemak opgenomen, maar met de blijvende toename van het aantal immigranten is ergens begin jaren negentig de kritische massa overschreden. Vanaf dat moment wordt de toelating steeds strenger. De morele verontwaardiging daarover bij links moet met een korreltje zout worden genomen als links niet in ziet dat dit (ook) gebeurt uit bescherming van het sociale paradijs, waarvoor links zelf altijd op de barricade staat. Immers: als je veel deelt is er bij immigratie veel te verliezen. Een verlies dat vooral geïncasseerd wordt door de ‘eigen’ sociaal zwakken. Het is zoals de socioloog Abram de Swaan in 1989 in zijn Den Uyl-lezing zei: de verzorgingsstaat is intern sociaal, maar extern a-sociaal. Zodoende heeft Nederland de toelating inmiddels beperkt tot waar ze juridisch toe verplicht is: vluchtelingen en gezinsvorming en gezinshereniging, en ook dat met tegenzin.

Risico

Kritische lezers zullen zeggen dat immigratie niet per se de solidariteit onder druk hoeft te zetten. Immers, migranten ontvangen niet alleen maar dragen ook bij. Dat klopt, maar de netto opbrengst voor de ontvangende samenleving hangt erg af van de leeftijd en de achtergrond van de migrant. Grosso modo betekent immigratie uit arme landen – in Nederland ongeveer de helft van het totaal – import van ongelijkheid. Dat hoeft geen probleem te zijn als je niet meteen die ongelijkheid wil opheffen. En dat is wat verzorgingsstaten wel doen. In Amerika moet een migrant om te overleven werk zoeken. Als hij weinig opleiding heeft en de taal niet of matig beheerst, zal hij zich moeten aanbieden tegen een heel laag loon. In de verzorgingsstaat kan dat maar in beperkte mate ten gevolge van het relatief hoge wettelijke minimumloon en de hoge loonkosten door de sociale premies die migranten voor werkgevers te duur maken. Daardoor hebben (legale) migranten een veel grotere kans om in de bijstand terecht te komen, zoals blijkt uit de statistieken, en dat is des te treuriger omdat zij hier gekomen zijn om te werken. Zo bijt de verzorgingsstaat in zijn eigen staart: de afgedwongen solidariteit creëert passiviteit. En dat is dan weer een extra reden om zeer selectief te zijn bij toelating. Uit berekening van het CBS (Immigration and the Dutch Economy, 2003) blijkt dat de niet-westerse immigranten voor Nederland een kostenpost zijn door hun relatief grotere beroep op sociale voorzieningen. Nou valt er best wat af te dingen op dit soort berekeningen, maar zo’n uitkomst is niet onverwacht gezien de gebrekkige scholing en het taalprobleem van veel niet-westerse migranten.

Dit betekent echter niet dat immigratie altijd een kostenpost is voor het ontvangende land. Britse en Amerikaanse onderzoeken wijzen op het tegendeel – hoe zou anders Amerika, immigratieland bij uitstek, het rijkste land ter wereld kunnen zijn? Het betekent wel dat een bepaald soort immigratie (van laag opgeleiden) in een specifieke omgeving (verzorgingsstaat) een economisch risico is voor het ontvangende land. En in combinatie met culturele verschillen houdt dat al heel snel ook een sociaal risico in, zoals we op dit moment merken.

Wenselijk

De combinatie immigratieland en verzorgingsstaat kan dus eigenlijk niet. Vandaar dat Nederland en de overige West-Europese verzorgingsstaten alles op alles zetten om immigratieland af te worden en de grenzen te sluiten. Daar zijn echter twee belangrijke kanttekeningen bij te maken. De eerste is een heel pragmatische: afsluiting kan niet. Migratie is nauwelijks beheersbaar. Migratie is het gevolg van een ingewikkelde mix van economische en culturele globalisering, toegenomen transportmogelijkheden, aanwezigheid van netwerken en verschillen tussen arm en rijk – daar bestaat een rijke literatuur over. Ook met behulp van een muur is Nederland (Europa) niet dicht te krijgen, omdat door internationale juridische verplichtingen de immigratie via asielverlening, gezinsvorming en -hereniging op gang zal blijven. En zelfs als Nederland bereid is die verdragsverplichtingen op te zeggen, zal de immigratie doorgaan, maar dan illegaal. Overigens is er al een muur gebouwd, niet op de landsgrenzen maar om wat blijkbaar als de grootste schat wordt beschouwd: de instituties van de verzorgingsstaat. De Koppelingswet is de kroon op die verplaatsing van de grenzen.

De tweede kanttekening is een morele: is afsluiting wenselijk? Er valt hier binnenslands veel te verdedigen, maar willen we daarvoor extern a-sociaal zijn? Gechargeerd: kiezen we voor de eigen zwakken of voor die van buiten? Politieke partijen hebben een binnenlands mandaat en de keus zal dan al snel ten gunste zijn van de eersten, maar de morele rechtvaardiging daarvan is een lastige, al helemaal voor linkse partijen. Nederland (West-Europa) is een oase van welvaart in een wereld van armoe. We hebben lang gedacht onszelf af te kunnen sluiten – een gated community op wereldschaal – en het geweten te sussen door af en toe vrijblijvend wat te roepen over internationale solidariteit. Maar die vrijblijvendheid is er af, een dergelijke grote ongelijkheid is op termijn niet houdbaar. Migratie is daar een uitdrukking van. Anderzijds is het openzetten van grenzen volstrekt naïef; zonder grenzen geen democratie en rechtstaat. We kunnen niet iedereen lid maken van onze club (voor zover ‘iedereen’ dat zou willen). Dit dwingt dus tot pragmatisch handelen.

Migratie kunnen we niet en willen we ook niet helemaal tegenhouden. Dat betekent dat we ons systeem opener moeten maken, onze samenleving moeten inrichten op permanente, beperkte immigratie. Dat vraagt om een aanpassing van de verzorgingsstaat ten behoeve van een grotere externe solidariteit. De uitdaging daarbij is, zoals Ewald Engelen schreef in het zomernummer van de Helling, een even open samenleving te zijn als de Amerikaanse, maar Amerikaanse toestanden te voorkomen. 

Openheid

In het boek Grenzeloze solidariteit (red. Entzinger, Van der Meer) dat begin januari uitkomt bij de Balie, worden vier routes beschreven naar meer openheid. Ik hier kort in op twee daarvan. Paul de Beer onderzoekt de mogelijkheid om de sociale regelingen om te buigen naar echte verzekeringen: iedereen betaalt premie afhankelijk van het risico dat iemand loopt, zoals bij een brandverzekering. Iedereen kan meedoen: hoe meer mensen er meedoen, des te beter de risicospreiding. De sociale verzekeringen zijn dan voor iedereen toegankelijk. Het is duidelijk dat dit een lastenverzwaring betekent voor risicogroepen, waaronder de ‘eigen’ zwakke groepen.

Een alternatieve route is die van gedifferentieerd burgerschap. Deze wordt in het genoemde boek beschreven door Dennis Broeders. De optie maakt onderscheid tussen nieuwkomers en gevestigden. Het idee is dat migranten welkom zijn om hier te komen werken, maar niet meteen alle rechten krijgen die de gevestigde Nederlanders hebben. Migranten die geen werk hebben moeten zelf zien te overleven, of teruggaan. De loonkosten zijn lager, omdat de migrant ook niet (alle) premies betaalt. De mogelijkheid wordt opengelaten dat iemand naarmate hij langer werkt meer rechten opbouwt, tot en met het volwaardig burgerschap. Hierdoor ontstaan dus eerste- en tweederangsburgers. Dat lijkt een fundamentele ingreep, echter, in de praktijk bestaan er nu al vele rangen burgers: illegalen, asielzoekers, EU-burgers etc. hebben allemaal meer of minder rechten. Het is een onvermijdelijke consequentie van mobiliteit en het vervagen van grenzen: burgerschap en territorium vallen niet langer meer samen, met alle gevolgen voor de inhoud van het staatsgebonden burgerschap.

Beide routes kunnen worden uitgebreid met een optie die Pieter Pekelharing in het boek beschrijft, namelijk die van circulaire migratie. Migranten worden toegelaten om te werken voor een vooraf vastgelegde periode van een aantal jaar. Terugkeer wordt gestimuleerd door een borgsomregeling of een vertrekpremie (bijvoorbeeld de betaalde sociale premies). De omvang van de toelating kan afhankelijk gemaakt worden van de arbeidsmarkt. Enige verdringing, inclusief druk op de lonen en uitkeringen van de gevestigde arbeid, is te verwachten, maar dat effect wordt verminderd door de vergrijzing. Vooral circulaire immigratie kan een bijdrage leveren aan het verzachten daarvan.

Onfris

Cruciaal is dat deze alternatieven, in tegenstelling tot het huidige immigratiebeleid, aansluiten bij de ambities van migranten. Migranten komen hier om te werken, niet voor een uitkering. Dus geef ze het eerste en niet het laatste. Daarmee creëer je ongelijkheid, inderdaad, maar daar maken wij een probleem van en niet zij. Onze preoccupatie met gelijkheid leidt ertoe dat in naam van die gelijkheid migranten nu de toegang tot Nederland wordt ontzegd, met als gevolg dat ze, uit het zicht, ongelijk zijn in het moederland. Zeker links moet op dit punt haar ideologische bril eens oppoetsen en inzien dat het nationale gelijkheidsideaal gerelativeerd moet worden ten behoeve van dat andere ideaal: de internationale solidariteit. Dit is natuurlijk hoogdravende taal, want migratie gaat de wereldarmoede helemaal niet oplossen, maar niettemin zorgt migratie via overdrachten van migranten voor een internationale herverdeling die ruimschoots die van de ontwikkelingshulp overtreft – wereldwijd respectievelijk 70 en 50 miljard dollar. Positief voor arme landen zijn bovendien de onbecijferbare netwerkeffecten van migratie (nadelig zijn de brain drain-kosten). Ontwikkelingseconomen als Dani Rodrik en Jagdish Bhagwati roepen al jarenlang dat voor arme landen een meer vrije arbeidsmigratie veel belangrijker is dan de vrije handel in landbouwproducten. Dat onderwerp zou op de WTO-agenda moeten staan, zeggen zij.    

Terug naar eigen land. Een immigratieland kent een vlottende en gemêleerde bevolking, en daarbij past geen verzorging van wieg tot graf die uniformiteit vereist en steunt op grote onderlinge eensgezindheid. Deze verzorgingsstaat was prachtig, maar van een andere tijd. Het is nu een knellend keurslijf. Daarmee hoeven we solidariteit niet op te geven, er zijn meer wegen die naar Rome leiden, al kunnen we ons dat soms niet voorstellen. We moeten zoeken naar vormen die meer diversiteit en openheid toelaten. Dat vraagt in ieder geval om meer ruimte voor ongelijkheid en minder collectief, van staatswege georganiseerde solidariteit.

De discussie over de hervorming van de verzorgingsstaat gaat (of zou moeten gaan) over de vraag welke risico’s we collectief willen afdekken. Migratie is voor de migrant een risico: het is een onderneming met kans op succes en kans op mislukken. Waarom zou de arbeidsmigrant dat risico mogen afwentelen op het aankomstland, dat wil zeggen een uitkering krijgen als hij geen werk kan vinden? Ik zou zeggen: gun de migrant zijn onderneming, maar op eigen kosten.

Tenslotte, dit pleidooi voor meer ruimte voor ongelijkheid geldt niet alleen het sociaal-economische maar ook het culturele. Nederland is niet meer die knusse woongroep; we hoeven niet meer op elkaar te lijken en we kunnen ook niet meer op elkaar lijken. De dwang waarmee de gevestigde orde ongelijken momenteel gelijk wil maken, krijgt de onfrisse trekjes van indoctrinaire communes uit de jaren zeventig.  

Jelle van der Meer is samen met Han Entzinger redacteur van de bundel Grenzeloze solidariteit; Naar een migratiebestendige verzorgingsstaat (De Balie, 2003).

Jelle van der Meer is journalist en publicist.
Alle artikelen