'Geef ruimte aan collectieve actie'

Interview met Tine de Moor

Eeuwenlang bestond er een relatief evenwicht in de samenleving tussen het economische en sociale, dankzij allerlei gemeenschappelijke instituties en hun slimme regels. Vandaag de dag zijn we veel daarvan vergeten. Er is slechts keuze tussen markt en staat. Maar lokale, overzichtelijke vormen van gemeenschappelijke acties beschermen ons beter tegen de excessen van beide. Een pleidooi voor institutionele diversiteit.

Tine de Moor leidt in Utrecht het onderzoeksproject naar allerlei vormen van instituties voor collectieve actie, zoals gemeenschappelijk beheer van grond, coöperaties, gilden, waterschappen enzovoort. Wat betreft de historica heeft dergelijk onderzoek de huidige samenleving heel wat te bieden: in een situatie waarin het falen van zowel de staat als de markt voor iedereen steeds zichtbaarder wordt, kan meer kennis over andere vormen van het beheer van onze rijkdommen uitkomst bieden. Het is voldoende om de Moor te vragen wat dat nu eigenlijk zijn, die commons, om haar spraakwaterval op gang te brengen. Met groot enthousiasme onderhoudt ze ons over haar onderzoek en de discussies rondom de commons. Het gesprek begint in de vorm van een college:

"Wanneer je de Nederlandse term 'de meent' gebruikt, breng je de idee van de commons terug naar zijn historische essentie. De meent is het lokale gemeenschappelijk beheer van natuurlijke rijkdommen, zoals een weidegrond, een bos, hooilanden etc. De gebruikers en de beheerders van zo'n meent waren in principe dezelfden, al kon er wel een kleine groep voor het dagelijks beheer zijn aangesteld. Maar het begrip common betekent inmiddels veel meer. In 1968 schreef de Amerikaanse bioloog Garrett Hardin het beroemde, maar ook verguisde artikel 'The tragedy of the commons'. Hij zegt: stel je een weide voor waar iedereen zijn koeien opzet. Uiteindelijk leidt dat tot overbegrazing en kaalslag. Daarom is privé-eigendom van grond beter. Hardin plaatste zich hiermee in een lange traditie van het denken over de gevaren van overbevolking dat eind achttiende eeuw begon bij Malthus, en waarvan de invloed bijvoorbeeld ook nog te zien is in het rapport 'Grenzen aan de Groei' van de Club van Rome in 1972. De commons zijn voor Hardin eigenlijk vooral een metafoor voor de gevolgen van overbevolking. In werkelijkheid functioneerden commons op een heel andere manier dan zoals Hardin ze schetste. Hij veronderstelde dat er geen communicatie tussen de deelnemers was en dat iedereen zomaar zijn koeien op die wei zette. Maar de commons waren helemaal niet voor iedereen toegankelijk en er vond wel degelijk overleg plaats. Dat geldt ook voor hedendaagse commons, die je vooral nog in ontwikkelingslanden vindt. Dat weten we omdat er vooral vanaf de jaren tachtig als tegenreactie op Hardin veel onderzoek is gedaan. Participatie bleek cruciaal voor het slagen van een collectief project. Zonder betrokkenheid werkt zelfregulering niet zo goed. Dat betekent dat iedereen mee doet aan het opstellen van de regels en de sancties en dat iedereen zich daaraan moet onderwerpen. Je krijgt door een dergelijke vorm van zelfbeheer een hechte band tussen de natuurlijke bron waaruit men put, het gebruik en het beheer ervan.

De kern van mijn verhaal is dat het eeuwenlang goed is gegaan met heel veel van die commons en andere vormen van instituties voor collectieve actie omdat men deze samenwerking heeft geïnstitutionaliseerd. In de late middeleeuwen zijn regels, normen en waarden opgesteld die duidelijk maakten wat je moet doen om ervoor te zorgen dat je met elkaar door één deur kan en dat je gemeenschappelijke hulpbron niet uitgeput raakt (of overbeweid, overkapt etc. wordt). En over het algemeen waren de commons erg flexibel en paste men de regels aan wanneer de tijd daarom vroeg. Daarom hebben ze het ook zo lang kunnen volhouden.

Kortom: uit het onderzoek in reactie op Hardin bleek dat een common niet tot een tragedie hoeft te leiden, mits je bepaalde voorwaarden in acht neemt. Elinor Ostrom heeft in 1990 een lijst opgesteld met voorwaarden, zoals het stellen van van grenzen en bepaalde vormen van sanctionering. Zij deed dit aan de hand van nog bestaande commons, zoals bijvoorbeeld irrigatiesystemen in ontwikkelingslanden."

Inflatie

"Behalve deze tegenreacties had het artikel van Hardin nog een ander gevolg. Omdat hij de commons koppelde aan overbevolking en aan wereldwijde bronnen zoals oceanen en lucht, werd het begrip losgemaakt van zijn historische context. Een groot verschil met een lokale common of meent, zoals een weide of een stuk gemeenschappelijk bos, is dat je mensen veel moeilijker kunt uitsluiten. Water en lucht is voor iedereen toegankelijk. Er zijn ook hier grenzen aan het gebruik, maar die zijn veel moeilijker vast te stellen: op welk moment neemt de luchtkwaliteit af door overgebruik? Dat geldt ook voor publieke goederen, die ook steeds vaker als een common worden beschouwd. Denk aan straatlicht of een wegennet. Dergelijke publieke goederen zijn in principe toegankelijk voor iedereen die deel uitmaakt van een bepaalde eenheid, bijvoorbeeld een natie. Er is wel een punt waar overgebruik tot problemen gaat leiden – dan krijg je bijvoorbeeld files – maar dat is veel moeilijker te bepalen en te reguleren. Maar je kunt nog een stap verder gaan. De laatste tijd spreekt men ook van kennis als een common, met het internet als een soort common. In principe is kennis een publiek goed, maar er zitten wel degelijk gebruiksgrenzen aan. Wie informatie op internet wil zetten heeft een url nodig, en wie gebruik wil maken van de informatie, heeft toegang tot een computer met een digitale verbinding nodig. Dat kost geld. De toegang is dus niet volkomen vrij. Neem het voorbeeld van de open source beweging, die programma's maakt en data deelt. Het uitgangspunt is weliswaar toegang voor iedereen (open access), maar toch wordt ook hier verwacht dat je meldt wanneer er een bug in de software zit. Veel open source programma's zijn gebaseerd op participatie van de gebruikers.

De laatste jaren is er sprake van inflatie van het begrip common: het is losgeraakt van zijn oorspronkelijke historische betekenis en wordt toegepast op alle goederen en diensten waar sprake is van gemeenschappelijkheid en uitwisseling. Die verbreding kun je afwijzen, of je kunt erin mee gaan en proberen iets te leren van de verschillende beheersystemen. Want daar gaat het uiteindelijk om: in welke mate bepaalde technieken om iets goed te beheren ook elders inzetbaar zijn. Ik vond dat een lastige keuze, omdat commons voor mij als historica toch wel verschillende dingen betekenen. Daarom ben ik een andere term gaan gebruiken, die exacter beschrijft waar ik het over heb, namelijk instituties voor collectieve actie. Dan gaat het dus over bepaalde exclusieve groepen die van onderop een institutie gaan vormen en met zelfbeheer en zelfsanctionering het gebruik van hun gemeenschappelijke rijkdommen reguleren."

Sociale controle

"Je moet namelijk niet vergeten dat commons misschien wel heel sociaal en gezellig klinkt, maar het gaat voor een groot deel over de exclusiviteit van rechten. Hoe krijg je recht op toegang tot een bepaald goed? Van oudsher bestaan hierin allerlei varianten. Bij markengenootschappen bijvoorbeeld, die vooral in het oosten van het land voorkwamen, hanteerde men strenge toegangsregels. Een meent is meestal een gemene grond die aan het hele dorp toebehoort en door het dorpsbestuur wordt beheerd. Vaak moest je enkele jaren in het dorp wonen voor je toegang kreeg tot de meent. En dat is een heel interessant punt van die oorspronkelijke commons, dat er werd gestreefd naar een zo groot mogelijke herkenbaarheid van de rechthebbenden, waardoor de rechten en plichten beter konden worden afgedwongen. Je kent elkaar en spreekt elkaar aan op je gedrag, er is dus sprake van sociale controle.

Dat is tegenwoordig voor veel mensen een vies woord, waarbij ze denken aan de glurende buurvrouw achter het gordijn. Maar ik ben echt gaan geloven in sociale controle in positieve zin. Het grote voordeel van sociale controle – zeker in tijden van crisis – is dat het goedkoop is. Wil je liever een politieagent laten surveilleren in een buurt waar niemand elkaar kent, of buren die de stoep schoonvegen omdat ze denken: als ik dit laat liggen zal de buurman dat niet zo leuk vinden. Ik kies voor het laatste, omdat het ook sociale cohesie met zich meebrengt.

Daarmee kom ik op de maatschappelijke betekenis van de common. Een van de redenen dat commons in de Middeleeuwen opkwamen, was het ontstaan van andere familiepatronen, waarbij men veel later ging huwen, vaker single bleef en koos voor een huishouden dat losstond van de ouders. Door de verstedelijking en toenemende loonarbeid verhuisden mensen meer en werden familieverbanden losser. Instituties voor collectieve actie boden in zekere mate een alternatief voor sociale bescherming door familie, in een tijd dat er geen staat was die sociale voorzieningen bood. In onze huidige samenleving zijn die voorwaarden ook aanwezig: de familiebanden zijn nog veel meer verzwakt. Er zijn heel veel singles en losse samenlevingsvormen (scheidingen), migratie. De basisstructuren van vroeger bestaan niet meer. Maar de staat en de markt zorgen evenmin voor zekerheid. Beide falen hierin op grandioze wijze. Bovendien is er geen consensus meer in de samenleving over de politieke vraag waar het heen moet. Er is een hele grote diversiteit, maar ook een enorme polarisering. De Wilders-stemmers wijzen er steeds op wat er allemaal fout gaat. Je moet hen niet negeren, want ze tonen precies waarvoor en waarom de samenleving zulke hoge verwachtingen van de staat heeft: die moet controleren, organiseren en dingen opleggen, maar mag niet teveel reguleren, en moet dat het liefst van al nog gratis doen ook. De markt werkt niet meer naar behoren, maar de staat slaagt er ook niet in om de markt te reguleren. In feite reguleert de markt de staat en de staat laat dat toe. Wat dat betreft is het helemaal omgekeerd dan we dachten, dat is de laatste jaren wel goed uit de verf gekomen.

Mijn visie is dat je als burgers wel iets mag verwachten van de staat, tenslotte stel je als burger je vertrouwen in de staat. Maar andersom mag de staat ook wel wat meer vertrouwen in de burger, dat die ook het een en andere kan. De staat moet zeker reguleren, tot op zekere hoogte ook controleren, maar de staat moet vooral faciliteren. Denk bijvoorbeeld aan het voorbeeld van de ouderparticipatiecrèches. Er zijn er maar zes. Die zullen nu nog meer gereguleerd en gecontroleerd worden, ouders moeten diploma's gaan halen, terwijl die crèches aan een grote behoefte voldoen. Uit het oogpunt van veiligheid worden ze gesloten, maar in de private crèches is het ook vaak genoeg fout gegaan. Zie Robert M. Toch is er wel vertrouwen in de private crèches, maar niet in de oudercrèches. Terwijl je zo'n initiatief toch zou moeten toejuichen: het is goedkoop, er is sociale controle, het gaat om een beperkte groep en er is geen commercialisering. Bovendien lossen ze een reële nood in de samenleving op. Dat moet je dus faciliteren en stimuleren. De randvoorwaarden moeten duidelijk zijn en de overheid moet het makkelijker –niet moeilijker- maken om dergelijke initiatieven onder alle bevolkingsgroepen tot stand te laten komen. Momenteel zijn het nagenoeg alleen hoogopgeleiden die het aandurven om zo'n crèche op te zetten. Terwijl het juistvoor de lagere inkomens nog meer voordeel zou kunnen opleveren."

Diversiteit

Na dit inleidende betoog hebben wij zelf natuurlijk nog een paar vragen. Bijvoorbeeld: richt Tine Moor zich met dit pleidooi voor collectieve actie nu tegen alle marktdenken? Of wil ze juist net als het CDA het maatschappelijk middenveld activeren? De Moor: "Als het CDA dat echt meent had het die oudercrèches ook wel kunnen stimuleren. Ik zou het concept verbreden en meer kijken naar de sociale dimensie. Ook een common kijkt naar de samenleving om haar heen. Je hebt als groep boeren koeien op een weidegrond en je hebt rechten. Het is wel slim om ook te denken aan de overlevingsmogelijkheden van degene zonder rechten. Want hoe evenwichtiger de balans tussen de haves and the have-nots, hoe groter de kans op sociale stabiliteit. Die boeren waren ook niet dom en dachten: als we iets over hebben, kunnen we het beter delen met de anderen. Kijk, met kreten over het maatschappelijk middenveld of over de Big Society, waarmee de Britse premier Cameron het eigen initiatief van burgers en hun verbanden wil versterken, ben je er niet. Cameron biedt geen enkele structuur of faciliteit om de locale initiatieven van burgers daadwerkelijk te versterken. Integendeel, hij heeft eerst alles stuk bezuinigd, en nu mogen de mensen het zelf gaan oplossen. De gedachte om de samenleving en de burgers te reactiveren is prima, maar investeer dan niet in de banken, maar in organisaties die iets kunnen betekenen. Het lijkt misschien een naïeve gedachte, maar investeringen voor de lange termijn vergen nu eenmaal enige moed.

We hebben de overheid wel nodig om dat te faciliteren, maar je wilt ook niet dat de staat alles bepaalt, zoals in het communisme het geval was. En ook de markt heeft wel degelijk waarde: we hebben onze welvaart voor een groot deel te danken aan de markt. Maar nu gaat de keuze vrijwel alleen nog maar tussen markt en staat, terwijl er nog zoveel opties tussen zitten. Dat is een enorme verarming. Interactie tussen markt en collectief kan bijvoorbeeld heel interessant zijn. Kijk bijvoorbeeld naar initiatieven zoals Groupon (collectieve aankopen op internet). Met een klein bedrijf worden prijsafspraken gemaakt. Het bedrijfje is zeker van klanten, de klanten van een voordelig tarief. Er worden bijvoorbeeld vijfhonderd kappersbeurten via internet verkocht. Het heeft ook nadelen, want de planning gaat wel eens de mist in en het gaat wel eens ten koste van de vaste klanten. Maar het is interessant om te zien dat ook de markt experimenteert met de macht van het collectief. En andersom kan je ook een collectief vormen om sterk te staan op de markt. En waarom dan ook geen partnerschap tussen de overheid en een collectief, zoals we ook al de PublicPrivatePartnerships kennen? We moeten vooral kijken naar mogelijkheden van interactie tussen alle spelers in de samenleving, ook collectiviteiten van burgers. Durf te denken in institutionele diversiteit. Die bestond vroeger ook. Buiten de common kon je gerust de commerciële toer op. Als je nog een koe op een eigen weitje had, kon je de melk daarvan best op de markt verkopen. Maar als je je binnen de common niet aan de regels houdt, krijg je een overgebruik van de grond en verstoor je het evenwicht. Je kunt de weidegronden ook niet eindeloos uitbreiden, want dan komen andere voorzieningen in het gedrang, die ook ruimte nodig hebben. Daar waar het kan, moet je dus institutionele diversiteit en zelfbeheer toelaten. Maar de commons zijn niet een oplossing voor alles."

 Lokale groepen

De collectieve instituties die De Moor wil bevorderen, zijn meestal lokale groepen. Is zoiets niet achterhaald in de geglobaliseerde wereld waarin we leven? De Moor vindt van niet: "Er is nog altijd erg veel dat lokaal geregeld wordt of zou kunnen worden. Genoeg mogelijkheden om collectiviteiten gemeenschappelijk te beheren. Denk bijvoorbeeld aan parken. Maar het gaat om meer. Je moet dit soort collectieve activiteiten juist stimuleren omdat mensen daardoor weer leren hun eigen verantwoordelijkheid te nemen en niet alles van de staat te verwachten. Die kan nu eenmaal niet alles oplossen. Nu komt via belasting alles bij de overheid, dat is op zich goed, want dat verdeelt de inkomsten beter over iedereen, maar tegelijkertijd heb je er zelf minder zeggenschap over en minder grip op hoe jouw belastinggeld wordt besteed.

Het is de armoede van onze tijd dat we mogelijkheden tot institutionele diversiteit niet eens meer (h)erkennen. We zien het als gepruts in de marge. Maar er waren tijden dat dat heel anders was. Ik zal nooit beweren dat het vroeger allemaal beter was, er was toen ook misère. Maar als historica pleit ik er voor om te leren van de geschiedenis. Er ligt daar een heel domein aan inspiratie dat we vergeten zijn. In de negentiende eeuw heeft men alles overboord gezet, omdat alles wat middeleeuws was als deel van het verfoeilijke feodale systeem zag. Men heeft het kind toen met het badwater weggegooid. Mensen denken niet meer in collectiviteiten. We zijn het kwijt, de kennis en de capaciteiten om ermee om te gaan."

"We moeten opnieuw leren geloven dat mensen iets kunnen en creatief genoeg zijn om samen iets vorm te geven. Je moet binnen de overheid de ruimte geven om ook collectieve initiatieven te ondersteunen. Natuurlijk zullen er een paar mislukken. Maar dat geldt voor private ondernemingen ook, die slagen ook niet allemaal. Je kunt collectieve instituties wel als communitaristisch terzijde schuiven, maar laten we dan eens een reële kosten-baten analyse maken van andere beheersstructuren. Je hoeft niet terug te schrikken voor een economische vergelijking, maar dan moet je ook alle factoren mee laten wegen en alle gevolgen van een bepaalde economische activiteit, ook bijvoorbeeld die op milieuvlak en op sociaal terrein. Die beïnvloeden evengoed het totale plaatje. Kijk dan ook naar alles wat je bij een private onderneming afwentelt op de samenleving en die de samenleving geld kosten. En wat een collectieve aanpak ook oplevert in termen van sociale cohesie en preventie van locale problemen. Dan krijg je een heel ander plaatje."

Hoofdredacteur van tijdschrift de Helling en medewerker van Bureau de Helling.
Alle artikelen
Filosoof, medewerker Rotterdam Vakmanstad en oud-redacteur van De Helling.
Alle artikelen