Geld en geluk

Maakt geld niet toch een beetje gelukkig?

Geld maakt niet gelukkig? Wetenschappelijk onderzoek wijst anders uit. Andere opmerkelijke bevinding: welvaart van het land is belangrijker voor tevredenheid dan het eigen inkomen. 

Geld maakt niet gelukkig, zo luidt het Nederlands spreekwoord. Maar is dat ook zo? In 1995 werd ik aan de Erasmus Universiteit Rotterdam aangenomen als promovendus om dit spreekwoord eens aan een kritisch onderzoek te onderwerpen. De vraag of een materieel goed nou wel of niet gelukkig maakt, is een vraag die filosofen door de eeuwen heen heeft bezig gehouden en onverminderd actueel is. Zeker met het oog op de huidige teruggang in de economie.

Grofweg zou je kunnen spreken van twee visies op de relatie tussen geld en geluk: de positieve en de negatieve visie. In de positieve visie maakt geld wel gelukkig. Bijna overal ter wereld zijn economische welvaart en groei al decennialang belangrijke doelen voor overheidsbeleid, en politici gaan er impliciet van uit dat het automatisch ons geluk verhoogt. Daartegenover staat de negatieve visie. Hierbinnen wordt beweerd dat geld niet gelukkig maakt, of, nog erger: het kan ons zelfs ongelukkig maken. Zowel volgens de socioloog Durkheim als volgens meer recente auteurs, zoals bijvoorbeeld de Amerikaanse econome Juliet Schor, komt het slechte binnen de mens boven drijven (gierigheid) wanneer men hem of haar aardse rijkdommen geeft, wat niet bevorderlijk is voor de levenstevredenheid van mensen.

Het onderwerp van mijn onderzoek dwong me tot kritische zelfreflectie. De in mijn onderzoek gebruikte theorieën kan ik dan ook aan de hand van mijn eigen ervaring toelichten. Toen ik in 1995 begon, ging ik van een studiebeurs van ongeveer 800 gulden over naar een aio-salaris van 1600 gulden: een verdubbeling van mijn inkomen. Wat voorspellen de verschillende theorieën nu over mijn geluk of levenstevredenheid? In de eerste plaats verruimde de inkomensverbetering mijn mogelijkheden om dingen te kunnen kopen. Ik hoefde niet meer op de koopjes te letten in de supermarkt en andere winkels, maar kon me eindelijk eens te buiten gaan aan wat luxere producten, ik kon vaker uiteten gaan en naar de film en bovendien kon ik meer reizen dan voorheen. Al deze dingen gaven me een behoorlijke bevrediging. Dit ligt in de lijn van voorspellingen van de behoefte-theorie: mensen zijn tevredener met hun leven naar mate ze beter in staat zijn hun behoeften te bevredigen.

Roze bril

Maar, gewenningsdier als een mens nu eenmaal is, vond ik na een tijdje dat het geld wel erg snel op was en ging ik uitzien naar een volgende salarisverhoging. Bovendien ging ik mijn situatie vergelijken met die van vrienden die in de commerciële wereld waren terechtgekomen en tegenover hun salaris staken mijn 1600 gulden toch wel erg mager af. Dit wijst op het in werking treden van vergelijkingsmechanismen die maakten dat ik mijn inkomen ook als iets relatiefs ging zien, dat wil zeggen dat niet alleen de absolute hoogte van mijn inkomen van belang was.

Naast de behoeftebevrediging en de vergelijkingsmechanismen, speelt ook nog de eigen persoonlijkheid een rol. Bepaalde persoonlijkheidstrekken zorgen ervoor dat je de wereld door een roze of minder roze bril ziet die vervolgens andere gebeurtenissen of omstandigheden in je leven kleurt. In mijn geval betekende dat dat mijn altijd kritische instelling er voor zorgde dat ik niet zo snel ergens tevreden mee was, dus ook niet met mijn inkomen. Volgens de persoonlijkheidstheorie maakt niet geld gelukkig, maar zorgen persoonlijkheidstrekken ervoor dat je al dan niet tevreden bent met je leven.

Mijn doel was de drie theorieën te toetsen. Maar daarvoor moest ik natuurlijk eerst de begrippen ‘geluk’ of ‘levenstevredenheid’ definiëren. Hier beperk ik me tot de opmerking dat ik onder zowel geluk als levenstevredenheid versta de mate waarin een persoon de kwaliteit van zijn of haar leven als geheel positief evalueert, en dat ik me vervolgens voor wat betreft de operationalisering met name gericht heb op de levenstevredenheidsvraag, die luidt: alles bij elkaar genomen, hoe tevreden bent u tegenwoordig met uw leven als geheel? Waarop mensen vervolgens een score kunnen geven tussen de 1 en de 10.

India

Eerst heb ik landen vergeleken: wat is de relatie tussen de welvaart van een land en het gemiddeld geluk in dat land? Ik heb hiervoor data van veertig landen over de hele wereld met elkaar vergeleken en het blijkt dat in landen die welvarender zijn, mensen gemiddeld gelukkiger zijn. Een relatief arm land als bijvoorbeeld India heeft een lagere geluksscore dan een rijk land zoals Nederland. Er blijkt vooralsnog geen wet van afnemende meeropbrengsten op te gaan voor de relatie tussen welvaart en gemiddeld geluk: ook op de hoogste welvaartsniveau’s is er geen aftopping in gemiddeld geluk te vinden.

Echter, het zou kunnen zijn dat niet de rijkdom van een land zorgt voor een gelukkige bevolking, maar dat bepaalde cultuurkenmerken mensen gelukkig maken. Simpel gezegd: is het de economie of de cultuur die mensen binnen een land gelukkig maakt? Het blijkt dat wanneer de relatie tussen welvaart en geluk van een land gecontroleerd wordt voor de cultuur, deze relatie nog steeds overeind blijft. Binnen een groep landen met dezelfde cultuur zijn rijkere landen gemiddeld gelukkigere landen. De omgekeerde relatie, namelijk dat cultureel vrije landen (dat wil zeggen landen met meer burgerlijke en politieke vrijheden, een verder gevorderde emancipatie van vrouwen en een grotere mate van individualisme) ook gelukkiger landen zijn, onder controle van welvaart, heb ik echter niet gevonden.

Hoe zit het nu op het individuele niveau? Wat is de relatie tussen inkomen (meer precies: het huishoudinkomen) en de levenstevredenheid van een individu. Ik heb dit onderzocht in Rusland en Duitsland, voorbeelden van respectievelijk een relatief arm land en een relatief rijk land (voor Nederland waren niet de noodzakelijke gegevens beschikbaar), waarin samen meer dan zesduizend mensen over meerdere jaren gevolgd zijn. Wat blijkt: ook op het individuele niveau bestaat een positief verband tussen inkomen en geluk. Mensen met een hoger inkomen zijn meer tevreden met hun leven dan mensen met een laag inkomen. Dit verband is echter zwakker dan op het landenvergelijkend niveau. Bovendien is op het individuele niveau in tegenstelling tot het nationale niveau wel een afnemend effect te zien: boven een bepaald inkomen levert een inkomensverhoging minder extra levenstevredenheid op.

Pijn

Verder blijkt er sprake te zijn van gewenning: wanneer mensen in het verleden een inkomensverhoging hebben gehad, dan is men een jaar later meer tevreden met het eigen inkomen, maar dit effect ebt vervolgens weg. Binnen een periode van twee tot drie jaar neemt het effect van een inkomensverandering af tot nul. Van invloed is ook de richting van de inkomensverandering: de pijn van een terugval in inkomen blijft langer dan de tevredenheid bij een inkomensverhoging.

Tot slot de rol van de persoonlijkheid van mensen: het blijkt inderdaad dat Russen en Duitsers die over het algemeen tevreden met hun leven zijn, ook meer tevreden zijn met hun inkomen, ongeacht de hoogte van hun inkomen.

De bevindingen op lands- en individueel niveau kunnen ook gecombineerd worden. Dan komt aan het licht dat behalve dat mensen iets tevredener zijn met hun leven als ze een hoger inkomen hebben, ze óók tevredener zijn als het land waarin ze wonen welvarender is. De welvaart van een land blijkt zelfs bepalender te zijn voor de levenstevredenheid dan de dikte van de eigen portemonnee. Verder blijkt dat in armere landen de relatie tussen inkomen en geluk iets sterker is dan in rijke landen. Anders gezegd: arme mensen in arme landen zijn ontevredener met hun leven dan arme mensen in rijke landen.

Opmerkelijk is het wel dat welvaart van een land bepalender blijkt voor tevredenheid dan het eigen inkomen. Het wijst op het belang van infrastructuur, onderwijs, gezondheidszorg en politiek klimaat voor een tevreden leven. De verleiding is groot om hieruit te concluderen dat er dus maar flink geïnvesteerd moet worden in collectieve welvaart. Maar het is de vraag of wat hier geldt in een vergelijking tussen landen ook geldt voor een land door de tijd. De ongekende naoorlogse economische groei in Nederland heeft niet geleid tot een evenredige toename van onze levenstevredenheid. Daarnaast is de causale puzzel van oorzaak en gevolg (bijvoorbeeld: leidt welvaart tot meer democratie of vice versa?) nog niet opgelost.

Recessie

Wat kunnen we nu aan de hand van de gevonden resultaten concluderen over de drie theorieën? Op het landniveau blijken rijkere landen gemiddeld gelukkigere landen te zijn, ook na controle voor culturele kenmerken. Dit ligt meer in de lijn van de behoeftetheorie dan de vergelijkingstheorie. Op het individuele niveau blijken rijkere individuen iets tevredener te zijn met hun leven. Zowel het bevredigen van behoeften, als het vergelijken van het inkomen met bepaalde relatieve standaarden, als de persoonlijkheid spelen hier een rol. Op het gecombineerde niveau tot slot is de welvaart van het land waar men woont belangrijker voor iemands tevredenheid dan het eigen inkomen, en tevens zijn arme mensen in rijke landen iets tevredener met hun leven dan arme mensen in arme landen. Dit strookt meer met de behoeftetheorie.

Al met al lijkt het spreekwoord dat geld niet gelukkig maakt, niet te kloppen, althans niet met de data die ik heb gebruikt. Ik stel daarom voor om het oude spreekwoord te moderniseren tot: Geld maakt een beetje gelukkig.

Betekent dat nou dat de economische recessie ons ontevredener zal maken? Mijn verwachting is dat Nederland als geheel er niet zo veel ontevredener door wordt. Dit komt omdat het land gemiddeld een vrij hoog welvaartsniveau heeft en de meeste Nederlanders ruim boven het sociale minimum leven. Wat dat betreft is er een buffer om het een en ander te incasseren. Het zullen vooral een aantal kwetsbare groepen zijn die er in tevredenheid op achteruit gaan, zoals de sociale minima, en de mensen die hun baan verliezen.