Groen en de stad

Compacte stad is een slecht idee

De compacte stad is niet 'groen' en zeker niet links. De Nederlandse stedenbouw is toe aan innovatie; het voorbeeld ligt in het verleden. 

In het vorige nummer van de Helling is aandacht besteed aan de eco-kathedraal van de kunstenaar Louis G. Le Roy. Er is een goede reden om nog eens terug te komen op het gedachtegoed van Le Roy. In zijn boek Natuur uitschakelen natuur inschakelen, verschenen in 1973, besteedt hij namelijk ook aandacht aan het stedenbouwkundig beleid in Nederland. Zijn visie is nog altijd buitengewoon interessant en actueel.

Na de poging van Jan Pronk als minister van VROM in het laatste kabinet Kok om met de Vijfde Nota over de ruimtelijke ordening het stedenbouwkundig beleid vast te leggen, is het beleid tot stilstand gekomen. Pronk heeft zijn nota namelijk niet meer kunnen verdedigen in de Tweede Kamer. Daarmee is het fraaie boekwerk dus een archiefstuk geworden, want het ligt niet voor de hand dat het tweede kabinet Balkenende de door Pronk uitgezette route zal willen volgen. De ruimtelijke ordening blijft dus een politiek twistpunt. Het is daarom nuttig om nog eens na te denken over de vraag hoe een groene politiek geformuleerd kan worden die tegelijk links is.

De afgelopen jaren is in Nederland een stedenbouwkundig beleid gevoerd waarover in progressieve kring brede consensus bestaat. Sterker nog, zowel in Den Haag als in de gemeenteraden van de grote steden is sprake van een brede meerderheid voor het gevoerde beleid: streven naar een compacte stad. Het ideaal is een toekomstig Nederland bestaande uit enerzijds een onbedorven landelijk gebied en anderzijds steden met een hoge bewoningsdichtheid. Over de sociale consequenties voor de modale stedeling is in linkse kring nooit serieus nagedacht.

Beroofd

Inmiddels kunnen we zien wat die compacte stad concreet betekent, omdat de zogenoemde herstructurering van de naoorlogse wijken gestalte begint te krijgen. Amsterdam kan als voorbeeld dienen. In de Westelijke Tuinsteden van de hoofdstad, Slotermeer, Geuzenveld, Slotervaart en Osdorp, zijn tussen 1950 en 1965 aangename groene wijken gebouwd met een voor Amsterdamse begrippen lage dichtheid. De 50 duizend woningen werden verhuurd door nette woningbouwverenigingen, en in de loop der jaren werden deze huurwoningen verhoudingsgewijs steeds goedkoper. De wachttijd voor een huurwoning in Amsterdam-West is zes jaar, wanneer er een woning leeg komt melden zich vierhonderd gegadigden. Geen wonder, want de Westelijke Tuinsteden zijn de enige volksbuurten in Amsterdam met veel parken; het is gezond wonen, met name ook voor stadsbewoners die niet zo mobiel zijn: kinderen en ouderen. Amsterdam-West is de gerealiseerde utopie van de socialistische volkshuisvestingspolitiek.

Het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam, dat in 1935 werd goedgekeurd door de gemeenteraad en waar de Westelijke Tuinsteden onderdeel van uitmaakten, wordt in de internationale vakliteratuur nog altijd beschouwd als een hoogtepunt uit de geschiedenis van de stedenbouw. De ontwerper, C. van Eesteren, sprak graag van ‘sociale stedenbouw’, waarbij elke stedeling recht heeft op een hoogwaardige en gezonde woonomgeving. Dit was een radicale breuk met de negentiende-eeuwse stedenbouwkundige praktijk. Recreatie in de open lucht werd van essentieel belang geacht. Voor moeders met een kinderwagen gold een maximum afstand van 400 meter tot groenvoorzieningen. Voor kinderen van verschillende leeftijden waren sportvoorzieningen gedacht met verschillende fietsafstanden. Volkstuincomplexen werden gezien als een onaantastbaar onderdeel van de stad.

Volgens het nieuwe ideaal van de compacte stad zijn de dichtheden in Amsterdam-West echter veel te laag. De wensdroom van bijna elk Amsterdams gezin met kinderen, een eengezinswoning met een tuintje en een betaalbare huur, is politiek taboe verklaard. Er moet verdicht worden, ten koste van het groene karakter van de tuinsteden. Bovendien heeft Remkes, toen hij nog staatssecretaris van Volkshuisvesting was, bedacht dat bij de herstructurering van de naoorlogse wijken flink wat goedkope huurwoningen vervangen moeten worden door dure koopwoningen. De optelsom van compacte stad en herstructurering leidt ertoe dat de modale Amsterdammer dubbel beroofd wordt. De kwaliteit van de Westelijke Tuinsteden gaat sterk achteruit en er verdwijnen grote aantallen goedkope huurwoningen. Er worden 13 duizend woningen gesloopt, zonder uitzondering goedkope huurwoningen, en er zullen 25 duizend nieuwe woningen gebouwd worden, waarvan het merendeel koopwoningen. In feite gaan er nog meer aantrekkelijke huurwoningen verloren want de corporaties verkopen stilletjes hun afgeschreven eengezinswoningen. De opbrengst is pure winst. Uiteraard niet voor degenen die gehoopt hadden ooit nog eens zo’n woning te huren.

Lachen

Wat heeft Le Roy hier nu mee te maken? Zijn visie op de stad sluit aan op een ideaal dat lange tijd dominant was in de Nederlandse stedenbouw. Hij pleit namelijk voor zoveel mogelijk gevarieerde groencomplexen in de directe woonomgeving van de stedeling. Volkstuincomplexen en kleine ecologische landbouwbedrijven spelen daarbij een belangrijke rol. En volkstuincomplexen die geschikt zijn voor permanente bewoning. Het schema voor de ideale stad dat Le Roy in zijn boek tekent is een ecologische versie van de opengelegde groene stad die al veel eerder was bedacht als reactie op de negentiende-eeuwse industriesteden.

Le Roy had in 1973 al begrepen dat het landelijk gebied door de agrarische industrie in een steppe is veranderd. Anders dan in de tijd van Jac.P. Thijsse heeft dit gebied nog maar weinig recreatieve waarde voor de stedeling. Vandaar zijn pleidooi om juist van de stad een ecologische oase te maken – kijk eens naar de oude villawijken die nu al puur natuur zijn vergeleken bij een maïsveld. Dit heeft het grote voordeel dat het groen te voet en per fiets bereikbaar is voor de stedeling. Het dwaze idee van de compacte stad keert dit precies om. De stad en haar directe omgeving worden onbewoonbaar gemaakt met hoge dichtheden en bedrijventerreinen, en de natuur wordt onbereikbaar voor bewoners zonder auto.

Het ideaal van de compacte stad berust op de wonderlijke interpretatie van het stadsleven dat iedereen gestapeld hoort te wonen. Aangenaam verpozen in een park dat niet overvol is, is in die visie een nodeloze luxe. Een volkstuin met een eenvoudig houten huisje, voor bewoners van een etagewoning een ware overlevingsstrategie tijdens de zomermaanden, is overbodig. De dienst Ruimtelijke Ordening in Amsterdam dacht serieus na over het volbouwen van volkstuincomplexen die essentieel zijn voor de groenstructuur van de stad. Terwijl we daar juist modale gezinnen met kleine kinderen zien, en ouderen die van een nog kleiner inkomen leven.

Tegenwoordig is het bon ton onder politici en stedenbouwers om meewarig te lachen om die groene wijken. Men spreekt neerbuigend van ‘groene moes’. Toen waren we nog arm, toen had niet iedereen een auto. Je maakte gewoon een ommetje in een buurtpark, je ging in een plantsoen op een bank zitten, waar je een praatje maakte met stadgenoten. Allemaal voorbij natuurlijk, die simpele wereld. En die eenvoudige huisjes, ook niet meer van deze tijd. We zijn nu toch veel rijker, en we zullen in de toekomst alsmaar rijker worden.

Verspilling

In de compacte stad lijken geen gewone mensen te wonen, slechts succesvolle jongelui in gestapelde luxe appartementen, die zich suf werken om de hypotheek te betalen en hun schaarse vrije tijd besteden aan terrasbezoek, winkelen en eten in restaurants. Op zondag misschien met de auto naar een natuurreservaat gaan, en twee keer per jaar met het vliegtuig naar de super natuur, ver weg. Dit is een wonderlijke interpretatie van het stadsleven. Juist de zwakste groepen van de Nederlandse samenleving zijn overweldigend geconcentreerd in de grote steden, en het ziet er niet naar uit dat hierin op korte termijn verandering zal komen.

De conclusie is onvermijdelijk. Het compacte stad-beleid is in feite niet ‘groen’ en zeker niet links. De herstructurering van de naoorlogse woonwijken is in haar huidige vorm een a-sociale operatie ten koste van de huisvesting en de kwaliteit van leven van de zwakste groepen. Het wordt hoog tijd dat de echte linkse partijen hun stem verheffen. Op de PvdA hoeven we waarschijnlijk niet te rekenen. In Amsterdam is deze partij de meest enthousiaste voorstander van verdichten, herstructureren en de bouw van zoveel mogelijk dure koopwoningen. Daarmee wordt het allerlaatste stukje socialistisch gedachtegoed overboord gezet.

Verspilling is voor velen een lonkend toekomstperspectief. Men leutert over duurzaam bouwen, maar eerst worden er duizenden woningen gesloopt. De ware triomf van de wegwerpmaatschappij. En dat er misschien toch nog eens een wereld komt zonder automobiliteit moet voor deze stedenbouwers en politici wel een waar schrikbeeld zijn. Wat dan? Dan zitten we opgesloten in die compacte stad, zonder groen, zonder sportvelden, zonder volkstuinen. Met een beetje pech is er dan ook nog een gemene vorm van tbc aangevoerd, uit een ver land. Dan zijn we dus gewoon weer terug bij af, namelijk de stad van 1870.

Groene Hart

Nederland mag niet op een chaotische wijze vollopen met suburbs en bedrijventerreinen. Dat vinden de voorstanders van het trekken van zogenaamde rode en groene contouren om respectievelijk de stad en de natuur zodat die van elkaar gescheiden blijven. Elke suggestie om de compacte stad los te laten wordt begroet met verontwaardiging, want dan zal het laatste restje natuur in ons land volgebouwd worden. Niets is minder waar. Maak om te beginnen de steden groter door gemeenten samen te voegen. Het zou veel beter zijn om de noordvleugel van de Randstad Amsterdam te noemen, dan kunnen zowel de werkgelegenheid als huisvesting gespreid worden over een veel groter stedelijk gebied. Het is heel jammer dat het Regionaal Orgaan Amsterdam bij referendum afgewezen is. Verder zijn niet alle landschappen in Nederland even waardevol. Almere, in feite een voorstad van Amsterdam, kan nog flink groeien zonder fatale gevolgen voor het Nederlandse landschap. De zandgronden die nu verpest worden door de intensieve veehouderij, de smerigste industrie van Nederland, zijn ideaal voor bewoning in lage dichtheden. Ook in het Groene Hart is al het groen niet even waardevol, zoals Guus Borger met zijn waarderingskaart heeft aangetoond.

Tot slot zou er ook eens gedacht kunnen worden over de mogelijkheid nieuwe stedenbouw te ontwikkelen die minder storend is in het landschap dan het eeuwige nieuwbouwwijkje met zijn rijtjeshuizen en de bijbehorende miezerige tuintjes. De nieuwe landgoederen en buitenplaatsen zijn een interessant experiment. Hiervoor zijn de oude villawijken al een keer genoemd. Met hun vele ruimte voor natuur zijn dit de meest duurzame wijken van Nederland. Een dergelijke ruime opzet van woonwijken is op de langere termijn een betere keuze dan het gangbare Nederlandse minimum. Naar de enorme villa’s van weleer is weinig vraag meer, maar het is natuurlijk wel mogelijk om kleine appartementengebouwen te ontwerpen in de vorm van grote villa’s, omringd door ruime tuinen. De wijk Brandevoort bij Helmond getuigt van een originele kijk. Zowel in de landschapsarchitectuur als in de stedenbouw is innovatie dringend gewenst. Woningbouw is in Nederland te veel een massaproduct. De nieuwe Vinexwijken zijn bijna zonder uitzondering benepen en eentonig, ondanks de pogingen van architecten om lollige architectuur te maken.

Natuurlijk moet de ruimtelijke ordening goed georganiseerd worden, maar de keuze voor de compacte stad heeft een veel te hoge prijs, die vooral betaald wordt door de minst draagkrachtigen.

Literatuur:

- Louis G. Le Roy, Natuur uitschakelen natuur inschakelen, Deventer 1973.
- Vincent van Rossem, Het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam. Geschiedenis en ontwerp, Rotterdam 1993.
- Guus Borger, Adriaan Haartsen, Paul Vesters, Het Groene Hart, Utrecht 1997.
- Hans van Rossum, Frank van Wijk, Lodewijk Baljon, De stad in uitersten. Verkenningstocht naar Vinex-land, Rotterdam 2001.

Architectuurhistoricus.
Alle artikelen