Hervormingen in het Midden-Oosten

Interview met Asef Bayat

De politieke islam in de Arabische landen maakt een omwenteling door. Niet Khomeini’s Iran is meer het grote voorbeeld, maar het Iran van de democratische hervormer Khatami. Aldus Midden-Oostenkenner Asef Bayat.

In een klassiek Hollands grachtenpand aan het Leidse Rapenburg zetelt het puikje van het Nederlandse onderzoek naar moslimsamenlevingen. Het Internationaal Institute for the Study of Islam in the Modern World, kortweg ISIM, is een samenwerking van vier universiteiten met een grote ambitie. Het wil de sociale, culturele en politieke ontwikkeling in de islam in beeld brengen, niet alleen in het Midden-Oosten maar wereldwijd en dus ook in Europa. En dat doen ze op gepaste afstand van het hyperige en vluchtige islam-debat in de Nederlandse politiek en media. Het profiel van de wetenschappelijk directeur van het ISIM sluit daar goed bij aan. Asef Bayat is een bescheiden, genuanceerd en bedachtzaam formulerende wetenschapper. Bayat is afkomstig uit Iran, hij studeerde en promoveerde in Groot-Brittannië, bekleedde verschillende gasthoogleraarschappen en was vijftien jaar lang docent Midden-Oostenstudies aan de Amerikaanse Universiteit van Caïro. Hij is een kenner van de recente sociaal-politieke ontwikkelingen in Iran en Egypte. Dit voorjaar hield hij in Leiden zijn oratie onder de enigszins provocerende titel: ‘Islam en democratie, de perverse charme van een irrelevante vraag’. Bayat: “Het is een domme vraag. Er is niets, helemaal niets in de islam dat het inherent ondemocratisch of democratisch maakt. Je kan de koran op vele manieren interpreteren, maar dat is een religieus debat, geen politiek.”

Toch wordt die vraag voortdurend opgeworpen. Hoe verklaart u die twijfel?
“Het is een raar idee dat voortkomt uit de westerse verbeelding; het is het Oriëntalisme van Midden-Oostendeskundigen als de Amerikaan Bernard Lewis [adviseur van de Bush-regering; red.]. Dat idee gaat ervan uit dat islam nooit verandert, en niet kan moderniseren. Cruciaal daarbij is het toe-eigenen van de definitiemacht: een moslim kan niet democratisch zijn en dus is een democratische moslim geen moslim meer.

Critici zeggen: er bestaat geen democratisch islamitische praktijk.
“Turkije heeft toch een redelijk goed functionerende democratie. Maar ja, hoe definieer je een islamitische staat? Als de mensen die er leven islamitisch zijn? Als de regering zich als islamitisch betiteld? En wanneer kan je een land democratisch noemen? Wat zijn de criteria? Is dat altijd totale individuele vrijheid? We weten dat economische vrijheid leidt tot grote materiële ongelijkheid. In VS is het politieke systeem open maar alleen als je heel veel geld hebt maak je kans om in het parlement te komen. Toch wordt de VS een democratie genoemd. Je hebt blijkbaar meer soorten democratie, waaronder misschien islamitische varianten.”

Wat kenmerkt de politiek-islamitische opvatting van de staat?
“De opvatting dat de islam zichtbaar moet zijn in de publieke sfeer. De mate waarin islamisten dat willen verschilt per land, met het Taliban-bewind in Afghanistan als een uiterste. Aan de andere kant heb je landen zoals Algerije waar de rol van islam beperkt is tot alleen wat familiewetten. Uiteindelijk verschillen die laatsten niet veel van de fundamentalistische christenen in de VS die ook een rol voor het geloof opeisen in de publieke ruimte.”

In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, hebben de meeste moslimlanden een seculier regime. De politieke islam zit, met uitzondering van de regerende AKP in Turkije, meestal in de oppositie, en is soms verboden en gewelddadig, zoals in Algerije, en soms een echte sociale beweging, zoals de Moslim Brotherhood in Egypte, die zich bezighoudt met allerlei vormen van hulpverlening, van gezondheidszorg en onderwijs tot voedselvoorziening. Er zijn maar een paar landen die zich daadwerkelijk ‘islamitisch’ noemen, waaronder (naast Mauritanië, Afghanistan en Pakistan) Iran.

De Iraanse revolutie van 1979, die uitmondde in de vestiging van een islamitische republiek, heeft niet alleen een enorme invloed gehad op het Westen, maar vooral op de landen in de regio. Bayat: “Het islamistische activisme, zoals in Tunesië en Egypte, raakte enorm geïnspireerd en gemotiveerd: in Iran werd een droom werkelijkheid. Maar aan de andere kant was het een waarschuwing aan de gevestigde machten om die oppositionele krachten de kop in de drukken. Dat gebeurde op de klassieke manier van controle en concessie. In Egypte is de staat zondermeer islamitischer geworden, te zien aan de toegenomen censuur op ‘immoraliteit’ en de groei van het aantal staatsmoskeeën.”

U deed onderzoek naar de vraag wat de reden was waarom Iran wel een islamitische revolutie beleefde en Egypte niet.
“Iran was in de jaren zeventig een groeiende economie met een welvarende en opgeleide middenklasse, terwijl Egypte in jaren tachtig en negentig er veel slechter voor stond met een snel armer wordende middenklasse. Vandaar mijn vraag: waarom wel revolutie in Iran en waarom niet in Egypte, en de aanvullende vraag: hoe islamitisch was de Iraanse revolutie eigenlijk? Het antwoord is dat die dat in het begin niet was. De Iraanse revolutionaire beweging was gericht tegen een dictatoriaal bewind. Het kwam voort uit een middenklasse die weliswaar steeds welvarender werd maar politiek werd uitgesloten. De revolutie had geen islamitische idealen als inzet, kende ook nauwelijks islamitische taalgebruik; dat gebeurde pas achteraf toen het oude bewind was afgezet en Khomeini de macht overnam. Het was een politieke revolutie met een islamitische uitkomst die van bovenaf werd opgelegd door de nieuwe machthebbers. In Egypte liep het heel anders. Daar bestaat al heel lang een sociale islamistische beweging van onderaf. In de jaren tachtig en negentig kreeg die beweging wind in de zeilen. Het Egyptische regime reageerde daarop door concessies te doen. Zodoende in Egypte geen revolutie maar wel islamitische hervorming.”

Waar staan Egypte en Iran nu? Wat is het verschil tussen de twee?
“Vergeleken met Iran heeft Egypte een veel betrouwbaarder bestuur, in de zin dat het reageert op noden en verlangens van de bevolking en ook op die van de internationale gemeenschap. Het toont zich gevoelig voor de internationale standaard van handelen. Toch is er inmiddels ook in Iran veel veranderd. Ik zie een post-islamitische trend. In de eerste jaren wilden de machthebbers een sterke morele staat die de totale umma (islamitische gemeenschap) zou omsluiten. Maar in plaats daarvan heeft het regime zich juist totaal vervreemd van de bevolking. Die urbaniseerde, moderniseerde, werd veel hoger opgeleid. Khatami, die in 1997 president werd, kwam met een ander opvatting over de plek van de islam en hij bracht een proces op gang van secularisatie van de staat. Geloof wordt steeds meer een individuele aangelegenheid. De hervormers, zoals de theoloog Abdulkarim Soroush, die dit najaar de Erasmusprijs won, willen een seculiere staat in een religieuze samenleving. Ze vinden het wel belangrijk dat de samenleving gelovig is, want dat zorgt voor een sterke moraal en mechanismen voor zelfcontrole. Je zou Soroush kunnen voorleggen dat hij daarmee eigenlijk het Amerikaanse model nastreeft.”

“Het opmerkelijk nu is dat voor de politieke islam in allerlei moslimlanden, zoals bijvoorbeeld Tunesië, Khatami’s Iran het rolmodel is geworden in plaats van Khomeini’s. Khatami ziet een belangrijke rol weggelegd voor de civil society en dat spreekt deze islamitische bewegingen aan. Een dergelijk model versterkt hun positie. Inmiddels is in Iran de klad gekomen in de hervormingen: de conservatieven bleken sterker in het zadel te zitten, onder andere omdat ze anders dan de hervormers geweld niet schuwen. Toch ben ik optimistisch over Iran. Er zijn sociale krachten losgekomen en belangrijker nog: er is een intellectuele infrastructuur. Ondanks de terugslag van de afgelopen periode zal de democratie centimeter voor centimeter plek veroveren.”

Khatami treedt af na twee periodes president te zijn geweest. Bayat verwacht dat bij de verkiezingen (op 17 juni en die dus hebben plaatsgevonden als u dit blad leest) het stokje zal worden overgenomen door Rafsanjani, een liberaal in economische zin, een vrije-marktdenker, en een pragmatisch politicus.”

Welke rol kan het Westen spelen in het versterken van democratisering in het Midden-Oosten.
“Steun de democratische oppositie door te pleiten voor humanitaire en politieke rechten, heb kritiek als mensenrechten worden geschonden. Buitenlandbeleid kan een rol spelen in het bevorderen van pluralisme, maar dat moet wel subtiel. Koppel je handels- of financiële relatie aan de mensenrechtenpolitiek van een land. Het rechtstreeks steunen van oppositiegroepen is geen goed idee. Als je je als oppositie in zo’n land bijvoorbeeld verbindt met Amerika verlies je meteen je krediet. De bevolking vindt dat verdacht.”

Een plan van het GroenLinks Kamerlid Farah Karimi voor een satelliet-tv-zender gericht op Iran krijgt financiële steun van de Nederlandse regering. Is dat een goed plan?
“Het is tricky. Ik ben erg voor vergroting van de vrije informatie, maar ik weet niet of overheidssteun voor zo’n zender erg verstandig is. Iran wil graag goede relaties met Europa, anders dan twintig jaar geleden, maar zo’n directe interventie kan schadelijk zijn.”

“Wat belangrijk is, is dat het Westen erop aandringt dat ook islamitische bewegingen en partijen legaal kunnen functioneren. Dat doen westerse landen nauwelijks, omdat ze bij voorbaat bang zijn voor alle islamitische krachten. Ten onrechte. Ik denk dat het goed zou zijn als de Moslim Brotherhood in Egypte een politieke partij mag worden. Het is waar: dan zullen ze waarschijnlijk meteen de verkiezingen winnen en aan de macht komen, maar alleen door deelname aan het politieke spel kunnen ze bewijzen wat ze waard zijn.”

Dan neem je het risico van een wolf in schaapskleren.
“Dat risico loop je altijd. Kijk naar Turkije, daar heeft de islamitische partij eerst ook fouten gemaakt maar inmiddels hebben ze zich toch bewezen. Als dergelijke partijen aan de macht komen, kunnen ze leren. Ik heb gesproken met leiders van de Egyptische Moslimbroeders en ook zij hebben Khomeini’s politieke model ingeruild voor Khatami’s model als het grote voorbeeld. Vorig jaar hebben de Moslimbroeders zich uitgesproken voor burgerrechten en voor vrije verkiezingen. Daar kan je argwanend over zijn, want ze zitten nu buiten de macht en hebben dus baat bij openheid en verkiezingen. Maar geef ze de kans om deze waarden te internaliseren. Ze moeten verjongen, ze moeten minder orthodox worden dan ze nu zijn, maar geef ze daarvoor de ruimte.”

Ziet u in Nederland een islamitische politieke beweging ontstaan?
“Nee, ik verwacht in geen enkel Europees land een nationale moslimbeweging. De islam in Europa is transnationaal, dus wellicht dat er internationale beweging komt in Europa. Die zal er heel anders uitzien dan in het Midden-Oosten. Omdat ze niet in een moslimwereld operen. Ze zijn weg van hun natuurlijke biotoop, ze verschillen sterk van hun omgeving. Daardoor zijn het ‘extra’-moslims, zoals ik ze noem: ze springen meer in het oog, vallen meer op en daardoor wordt onvermijdelijk hun moslim-identiteit versterkt.

“Eén Nederlandse moslimbeweging zie ik ook niet komen om de reden dat moslims hier enorm etnisch gescheiden zijn. Op een bijeenkomst met de Iraanse Nobelprijswinnaar Shirin Ebadi zie ik alleen maar Iraniërs, geen Marokkanen. Komt Tariq Ramadan, dan zijn er geen Iraniërs, alleen maar Marokkanen. Toch begrijp ik niet waarom in Nederland mensen bang zijn voor een islamitische politieke partij. Waar zijn ze bang voor? Er zijn toch ook christen-democratische partijen. Ik begrijp die angst niet. Kijk naar Bradford in Groot-Brittannië, die stad wordt zo ongeveer bestuurd door moslims. Het is ook een kwestie van leiderschap, misschien dat dit hier ontbreekt. En er is in Engeland natuurlijk meer ervaring. De paniek hier is voorbarig, over enige tijd is zij voorbij.”

Monique Kremer is medewerker van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.
Alle artikelen
Jelle van der Meer is journalist en publicist.
Alle artikelen