Het blauwe plein en daarachter

Denk groot en droom!

Cultuur speelt een belangrijke rol in de ontwikkeling van de openbare ruimte. In Amsterdam-Noord zorgen initiatieven van kunstenaars, de komst van het Filmmuseum, verschillende festivals en het nieuwe centrum de Tolhuistuin voor een opleving van allerlei publieke activiteiten, die ook de inrichting van de buurt grondig veranderen. Jan Donkers, auteur van het terecht veelgeprezen boek Zo dichtbij Amsterdam, geeft zijn visie op de culturele ontwikkeling van ‘Noord’.

Wij woonden aan de Purmerweg in Noord, mijn vader en moeder, mijn oudere zus en ik. Wij waren van de nette armoede, en niet alleen dat: mijn zus en ik moesten hogerop. En dus ging er van de 65 gulden loon die mijn vader zaterdags mee naar huis nam zes gulden in het gleufje ‘Pianoles Jan’ in de langwerpige bus met gleufjes waarvan verder de uitgaven ‘huur’, ‘huishouden’, ‘gas en elektra’ en nog een paar de rest van het geld opslokten.

Mijn zusje had ook pianoles gehad. Ze zat nu op ballet. Op zaterdagmiddagen kwam het voor dat ze samen met een buurjongen een quatre mains stuk bij ons thuis aan de piano vertolkten. Ik zie nog de buurman in zijn bretels op de stoel voor me zitten terwijl ze speelden, en de gezichten van mijn ouders. Er hing een vreugdeloze, bijna calvinistische sfeer in onze woonkamer. De muziek (ik herinner me volstrekt niet meer welke) was ernstig, er werd instemmend geknikt, niet geapplaudisseerd, hoogstens een bescheiden complimentje uitgedeeld toen het stuk was afgelopen en mijn moeder opstond om thee te zetten. De boodschap die ik er uit destilleerde, zonder er de woorden voor te kennen, was: dit was cultuur, dit was iets ernstigs, hier moest je serieus bij kijken. Maar ook (en daar kende ik nog minder de woorden voor): dit was iets dat geen economisch nut had, het droeg niets bij aan de huishoudpot, integendeel, het slorpte een buitenproportioneel groot deel ervan op.

Waren wij een uitzondering in Amsterdam Noord? Er bestond weliswaar een bloeiend verenigingsleven, dat ook het Waterlands Fanfare Korps en een mandolineclub omvatte, en er waren druk bezochte bibliotheken. Maar er was geen boekhandel, geen theater (maar merkwaardigerwijze wel een bioscoop, die er nu niet is). Er was geen ziekenhuis, geen middelbare school, er waren geen noemenswaardige activiteiten, zeker als je niet van voetbal hield. Artsen en zielenherders beschouwden Noord als een zendingsgebied. Wie naar iets meer op zoek was dan dit type activiteiten moest naar ‘de Stad’, en keerde in vele gevallen uiteindelijk niet meer terug.

Decennia lang zuchtte Noord onder die doem; er was niets te doen, er gebeurde niets behalve dat er hard gewerkt werd, het was hoofdzakelijk een plek waar je je verveelde.

En hoe kort is dit alles nog maar geleden! Nog maar elf jaar geleden werd door de Dienst Ruimtelijke Ordening in niet mis te verstane termen aangeraden dit Noord ook maar in zijn sop gaar te laten koken. Plannen voor de ontwikkeling van de IJ-oever werden in enkelvoud geformuleerd: dat er een Noordelijke IJ-oever bestond valt nergens uit op te maken. Immers: ‘Misschien staren we ons te veel dood op de gedachte dat Noord zich moet emanciperen tot een gewoon stukje Amsterdam.’ Hooguit zouden op het NDSM-terrein ‘kraamkamer- en broedplaatsactiviteiten’ bevorderd moeten worden waar ‘jong aanstormend talent zich in de kweekvijver Noord mag opmaken om de sprong over het IJ te wagen en de stad te veroveren.’ Inderdaad, als het echt talent had moest het vooral ook worden aangemoedigd Noord de rug toe te keren! En dit is maar één voorbeeld dat ik wil noemen van het dedain waarmee de Stad Noord behandelde.

Vergelijk dat eens met het Noord van nu. Je hoeft je er geen dag meer te vervelen. De plannen voor het nieuwe centrum getuigen van veel meer realiteitszin dan die van vorige eeuw, en hebben ook meer levensvatbaarheid door het aanhaken van de Noord/Zuidlijn. De filmindustrie heeft een hechte basis gevonden in Noord, er zijn talloze festivals, het Filmmuseum komt eraan. Grachtenfestival en Amsterdam Boekenstad doen bijna vanzelfsprekend ook Noord aan bij hun activiteiten. Er zijn prachtige plannen voor nieuwe bestemmingen van loodsen op het NDSM-terrein. En het ziet er nog steeds naar uit dat het culturele centrum de Tolhuistuin op afzienbare termijn een plek is waar niet alleen Noord, maar ook die lui uit de Stad en de rest van Nederland op af gaan komen.

Alle reden om tevreden te zijn. Of niet? Want wie hebben er weet van, op dit moment, buiten Noord? Wie even niet oplet ziet zijn enthousiasme voor deze ontwikkelingen toch wat getemperd. Het dédain van Amsterdam ten opzichte van zijn grootste stadsdeel mag dan onder een jongere generatie niet of nauwelijks meer bestaan, ik krijg sterk de indruk dat het daar waar de besluiten genomen worden niet helemaal verdwenen is. Als burgemeester Cohen zegt ‘ach, Noord zal altijd Noord blijven’ krijgt hij nog steeds de lachers op zijn hand. Dit soort dedain en milde spotzucht zijn niet meer zo vilein als vroeger, maar verdwenen zijn ze niet. Op de door het VVV verstrekte gratis stadsplattegrond houdt Amsterdam nog altijd op aan de bovenkant bij het Centraal Station. Op 29 januari lees ik een willekeurig bericht in de Volkskrant over het ‘zootje’ dat de nieuwe woningeigenaren in Zuidoost van hun huizen zouden maken. In dat bericht de volgende zin: ‘Het stadsdeel, voorheen de Bijlmer, doet zijn uiterste best de leefbaarheid te vergroten en heeft inmiddels de meeste van de roemruchte torenflats vervangen door laagbouw. Lastige bewoners werden over andere stadsdelen, vooral Noord, verspreid.’ Voor mijn geestesoog rees onmiddellijk de reeks Galgenput, Asterdorp, Ketjen op, alsmede nog enige andere voorbeelden van zaken waar men Noord in het verleden mee had opgescheept. [zie artikel Marius Ernsting, red.] Een traditie waarvan ik had gedacht dat ze tot het verleden behoorde, maar nee dus?

Nog maar enkele jaren geleden deed wethouder Carolien Gehrels de toezegging dat ze zich hard zou maken voor een ‘tweede icoon’ op of rond de Sixhaven. Daar zou nog een museum, culturele instelling of instituut moeten komen. Immers, Rien Hagens grote vrees dat hij met zijn Filmmuseum in een isolement zou komen te zitten mocht geen werkelijkheid worden. Ondertussen zijn we jaren verder en die vrees is nog even gegrond als toen. De plannen die er waren zijn niet realistisch gebleken. De halte Sixhaven van de Noordzuidlijn is geschrapt. Als er over een nieuw museum wordt gepraat denkt men toch in eerste instantie weer aan het Museumplein, en over 150 miljoen euro voor een cultuurpaleis aan de Zuidas wordt niet moeilijk gedaan. Terwijl de Tolhuistuin, dat toch de plek gaat worden die meer dan enig andere Overhoeks met de stad maar ook met het Noordse achterland zal verbinden, moet knokken voor elke euro om levensvatbaarheid te krijgen.

Mijn vrees is dat Noord het momentum, dat enkele jaren geleden met zoveel enthousiasme is ingezet, een beetje aan het verliezen is. Het duurt allemaal wel erg lang. Het Filmmuseum zou al dit jaar zijn deuren moeten openen, maar de eerste paal moet nog de grond in. Hier en daar hoor ik de vrees uitgesproken dat Overhoeks, voor er de eerste bewoner zijn gordijnen heeft opgehangen, nu al aan het vertrutten is (de term is niet van mij: wel veel horeca, maar geen culturele instelling, wel dure flats maar geen middelbare school). Zou men wel genoeg leren van de ontwikkelingen die je nu kunt zien op IJburg, de Zuidas, een dooie boel waar van een menging van diverse functies veel te weinig sprake is?

Er zijn diverse argumenten tegen mijn betoog aan te voeren. Binnen Noord zelf wordt ontzettend veel gedaan, het enthousiasme is enorm, zoals op netwerkbijeenkomsten en burgeravonden te zien is. Er is heel langzamerhand een demografische verschuiving te signaleren. Noord krijgt, zij het mondjesmaat, een middenklasse die zijn traditionele functie van cultuurdrager serieus neemt. Maar binnen dat Noord bestaat ook argwaan tegen de ontwikkeling van de noordelijke IJ-oever als een ‘gouden randje’. Ineens hoor je weer termen als ‘elitair’ in het rond slingeren, een woord dat ik associeer met een vervelende vorm van populisme. ‘Noord moet Noord blijven’ hoor je dan vaak zeggen, en daar ben ik het geheel mee eens als het gaat om de dingen die Noord aantrekkelijk maken: het water, het groen, de unieke dorpen-structuur. Wordt Noord ‘meer van hetzelfde’ als de demografische verandering doorzet? Is de ‘yuppificering’ van Noord een gevaar voor het stadsdeel?

Ik ben ervan overtuigd dat die vrees onterecht is. Als ik praat over de culturele kaart van Noord, dan heb ik het niet alleen over de Noordelijke IJ-oever en over het verankeren van de filmindustrie binnen het stadsdeel. Aan deze kant van het Blauwe Plein wonen bijna 100.000 mensen, van wie ik lang niet het idee heb dat ze allemaal zitten te wachten op wat Paradiso Noord en het Filmmuseum ze te bieden hebben. Ik ben geen propagandist van het oude sociaal-democratische ideaal om burgers te verheffen, ze als het ware op een ouderwetse VARA-manier met populaire cultuur te verleiden en ze dan op te voeden met cultuur die een stapje ‘hoger’ zou zijn. Er bestaat binnen het stadsdeel voldoende realisme, zowel bij de bestuurders als bij de plannenmakers om in te zien dat je wel zou kunnen willen dat de belangen van kunstenaars, nieuwe en oude bewoners zouden mengen, maar dat je dat niet van bovenaf kunt afdwingen. Op de succesvolle Noorderparkfestivals van afgelopen jaren zag je dat goed geïllustreerd: de ‘oude’ bewoners zaten bij het podium met het levenslied, terwijl de ‘nieuwe’ bewoners van een fadoconcert genoten. Is dat erg? Ik geloof er niets van. Tijdens de succesvolle eerste editie van IJjazz, vorig jaar, zag je oud en jong, oud-Noord en nieuw-Noord, mensen van hier en uit de stad overigens wel door elkaar. Ook tijdens Expeditie Noord, het jaar ervoor, lukte het wel degelijk oud- en nieuw-Noord te mengen.

Maar ik denk daar ook weer niet al te deterministisch over, je kunt mensen wél stimuleren door ze iets aan te reiken, ze een palet aan te bieden waar ze zelf een keuze uit kunnen maken, en wees niet verrast als die keuze anders uitpakt dan voorspeld. Mijn moeder kwam uit een arbeidersmilieu, maar haar lievelingsauteurs waren Faulkner en Hemingway, terwijl ze ook niet vies was van Camus en Dostojevski. Die boeken haalde ze uit de bibliotheek, die ook toen al tot de drukst bezochte van heel Amsterdam behoorde.

Natuurlijk realiseer ik me dat de bestuurders nog wel wat andere zaken dan cultuur aan hun hoofd hebben. Noord scoort nog steeds laag waar het gaat om inkomen en gezondheid van de bewoners. Ik besef ook dat het in deze tijd van economische crisis niet realistisch is te veel te vragen en te verwachten. Ik durf het woord Noord/Zuidlijn nauwelijks uit te spreken en besef dat ik maar even niet moet fulmineren tegen dat schrappen van de halte Sixhaven. Maar er valt een goede discussie te voeren over de mogelijkheid om door al die tegenslagen die halte juist nu wél te laten doorgaan, zoals er ook een goede discussie te voeren is over de mogelijkheid de economische crisis juist in het voordeel van de creatieve economie om te buigen.

Veel van mijn wrevel is terug te voeren op een uit mijn persoonlijke geschiedenis te verklaren ongeduld. Ik wil graag nog meemaken dat Noord een deel van de stad is en ook zo wordt gezien. Dat het Blauwe Plein niet toch een plein wordt dat slechts aan één zijde aantrekkelijk is om bezocht te worden. Ik realiseer me ook dat ‘tussen droom en daad’ etc.
Maar Noord zal, niet alleen in optische zin, pas echt een deel van Amsterdam worden zodra het Blauwe Plein, het IJ dus waar dat het smalst is en waar de beide stadsdelen elkaar het dichtst naderen, een realiteit is. Hier zou het ware hart van Amsterdam moeten kloppen. Met een evenwichtige verdeling van voorzieningen, attracties en iconen aan beide zijden. De IJ-oevers zijn een grootstedelijk project en beide zijden moeten vanuit een grootse, centrale visie geregisseerd worden. De eenheid van het plein zou geaccentueerd moeten worden door projecten die beide oevers omvatten, door lichtinstallaties, beeldende kunstmanifestaties etc.

Vaak wordt me tegengeworpen dat mijn niet aflatende pleidooi voor een betere aansluiting van de beide stadshelften alleen maar te verklaren valt uit de haat die ik in mijn jeugd ontwikkelde jegens het IJ, dat ik meerdere malen per dag in weer en wind op de (toen nog grotendeels onoverdekte) pont moest oversteken. Daar mag best wat in zitten want inderdaad: ik beschouwde het IJ als mijn vijand, het symbool van alles dat me scheidde van de Stad waar het écht gebeurde. Maar kijk eens naar enkele andere steden die door een rivier worden gescheiden: Parijs, Londen, Rotterdam (om maar eens wat stadjes te noemen). Allemaal steden die zich in zekere mate eveneens ongelijk ontwikkelden maar geen een die zich neerlegde bij een zo rigoureuze tweedeling als Amsterdam en die daarnaast ‘de overzijde’ met dedain bleef behandelen.

In de cultuur van de stad Amsterdam zit een positieve houding ten aanzien van kleine projecten ingebakken, en dat is goed. Maar met de opdeling in stadsdelen, en het primaat van projectontwikkelaars en woningbouwcorporaties lijkt het met een visie van bovenaf, met aandacht voor grote projecten wel gedaan. Ze hebben plaatsgemaakt voor wat ik seriële deelbesluitvorming zou willen noemen. De tijd van de Haussmanns en de Berlages is voorbij, helaas. Een dergelijke stadsbouwmeester zou allang inzien dat een brug over het IJ een onvermijdelijkheid is, dus waarom er niet nu aan begonnen? Ja, ik ken alle bezwaren, met de aanwezigheid van dat ellendige Centraal Station als belangrijkste, maar probeer daar nu eens overheen te denken! Een grootse en meeslepende visie kan van Amsterdam écht die stad rondom het water maken waarvan de Projectbureaus Noordwaarts en Zuidelijke IJ-oever ook pleitbezorgers zijn. Maar dan: til dat CS het IJ over, of stop het onder de grond. Trek het Damrak door naar het Tolhuis. Maak van dat Passenger Terminal een partycentrum en bouw een nieuw twee kilometer naar het westen, en dan naar het noordwesten om precies te zijn. Kost een cent allemaal maar dan heb je ook wat.

Ik besef dat ik me met dit betoog schaar in de groep van de ‘dromers’, die verweten wordt niet met beide benen op de grond te staan, terwijl de mannen van de daad het echte werk moeten opknappen. Maar alle grootse dingen die deze stad heeft voortgebracht zijn ooit als droom begonnen. Zonder dromers, zonder de kracht van de verbeelding komt er nooit iets tot stand.

Terug naar waar ik het in het begin over had. Het ballet van mijn zusje en het pianospel van mij hadden strikt gesproken geen economisch nut. Onze ouders lieten ons die lessen niet volgen omdat ze hoopten dat wij in die artistieke sectoren een grote carrière tegemoet gingen (en als ze dat wel hoopten scheepten ze ons nooit met die plaatsvervangende ambitie op). Ze deden dat omdat ze (en daar zal ik ze tot in lengte van dagen dankbaar voor blijven) op een voor tijd en plaats unieke manier aanvoelden dat cultuur een verrijking was voor het bestaan, zij het een moeilijk kwantificeerbare. Ik hoop dat dit besef niet vervliegt in de huidige economische tegenwind, bij de bestuurders, de projectontwikkelaars, de woningbouwcorporaties.

Tot slot dit: de Romeinse staatsman Cato besloot al zijn redevoeringen met de volgende woorden: ceterum censeo Carthaginem delendam esse. En overigens ben ik van mening dat Carthago verwoest moet worden. Ik neem me voor elk openbaar optreden voortaan te beëindigen met de woorden: ceterum censeo pontem trans IJem construendam esse. U weet allemaal wat dat betekent, maar ik geef de vertaling er toch maar bij omdat dat pontem voor verwarring kan zorgen: en overigens ben ik van mening dat er een brug over het IJ gebouwd moet worden.

Dit is een ingekorte en bewerkte versie van de eerste Roel Poppe- lezing. Poppe is de overleden initiatiefnemer van ANGSAW (Amsterdam Noord Stad Aan het Water), die Jan Donkers hield op 3 april 2009.

Jan Donkers is journalist.
Alle artikelen