Il est interdit d’interdire

Nicolas Sarkozy heeft zijn rechtse kiezers vorig jaar beloofd dat hij de erfenis van mei 1968 gaat ‘liquideren’. Toch had hij met zijn onconventionele manier van politiek bedrijven en turbulente huwelijksleven volgens velen nooit verkozen kunnen worden zonder de mentaliteitsverandering die destijds in gang is gezet. Wanneer de president serieus van plan is om zijn belofte gestand te doen, dan krijgt hij het nog moeilijk. De protestgeneratie van toen heeft in Frankrijk namelijk een veel beter imago dan bij ons.

Geestverruimend was het deze zomer niet direct, alle commotie rond het actieverleden van Wijnand Duyvendak. De verbeelding komt voorlopig niet aan de macht in Nederland, dat is duidelijk. Toch leek het er eerder dit jaar even op dat er ruimte was voor een voorzichtige herwaardering van het erfgoed uit jaren zestig. In ieder geval werden de roerige meidagen van 1968 opmerkelijk uitgebreid herdacht in onze media. En dat terwijl er destijds in Nederland eigenlijk niks opmerkelijks gebeurde. Provo had zichzelf precies een jaar eerder al opgeheven en de nog altijd tot de verbeelding sprekende Maagdenhuisbezetting vond pas in maart 1969 plaats. In Parijs, daar was het te doen, veertig jaar geleden. Studentenrellen en een algemene staking brachten velen in een revolutionaire roes, gebarricadeerde straten en brandende auto’s wekten sterk de indruk dat er een burgeroorlog gaande was.

Vanzelfsprekend was de  herdenking van Mai soixante-huit in Frankrijk zelf dan ook nog vele malen uitbundiger dan bij ons. De boekwinkels puilden uit, kranten en tijdschriften schreven er vele pagina’s over vol en je kon de televisie niet aanzetten of je zag de vrolijke, uitdagende blik van Daniel Cohn-Bendit. Van ‘Dany’ lag er een nieuw boekje in de winkels getiteld ‘Forget 68’. Laten we nou eens ophouden over die meimaand van toen, zo stelt hij, we leven in een andere tijd, met andere problemen. Een boodschap waarmee hij zich vooral richt tot Nicolas Sarkozy, die in april 2007 tijdens een geruchtmakende verkiezingsbijeenkomst strijdvaardig aankondigde de erfenis van mei ‘68 te zullen ‘liquideren’. Het verval van de normen en waarden, de problemen in het onderwijs, de sociale desintegratie, het algehele cynisme en zelfs de onverantwoorde speculatiezucht en fixatie op korte termijn gewin in het bedrijfsleven, het was volgens Sarkozy allemaal te wijten aan de geestelijke omwenteling die toen in gang is gezet. Daarmee overdrijft hij de invloed van de meirevolte een beetje, stelt Cohn-Bendit quasi-bescheiden. Hij is niet zonder zelfkritiek. Zo hadden ze destijds de illusie dat er een post-democratische maatschappij zou kunnen ontstaan, met een hoge mate van autonomie voor arbeiders, boeren, studenten en consumenten, volledig geëmancipeerd van de kapitalistische vervreemding. Wel is er na mei ‘68 ontegenzeggelijk meer individuele vrijheid gekomen, stelt Cohn-Bendit. Als tegenwoordig algemeen geaccepteerd is dat mannen en vrouwen gelijke rechten hebben, dan is dat te danken aan de mentaliteitsverandering die toen in gang is gezet. En Sarkozy zelf had met zijn allochtone (Hongaarse) vader en turbulente huwelijksleven waarschijnlijk nooit president kunnen worden in het oerconservatieve Frankrijk van voor mei 1968. Overigens schat Cohn-Bendit de mogelijkheden om noodzakelijke hervormingen door te voeren in de Franse maatschappij nog steeds niet hoog in, daarom acht de voormalige studentenleider een nieuwe revolte zeker niet uitgesloten.

Deblokkeren 

Voor André Glucksmann, bevriend met Cohn-Bendit en eveneens ‘soixant-huitard’, was de behoefte aan verandering reden om dit keer op Sarkozy te stemmen. Samen met zijn zoon, de journalist Raphaël Glucksmann, legt hij in ‘Mai 68 expliqué à Nicolas Sarkozy’ geduldig aan de president uit waar het destijds om draaide: het deblokkeren van een vastgeroeste maatschappij. Op dit moment is Sarkozy volgens vader en zoon Glucksmann  de enige politicus die problemen voortvarend aanpakt. Dat de socialisten flirten met het gedachtegoed van mei ‘68 en Sarkozy demoniseren kan niet verbloemen dat ze nauwelijks beleidsalternatieven bieden en in de periodes waarin ze aan de macht waren de zaken grondig hebben laten versloffen. Met als gevolg een blijvend hoge werkloosheid, politieke apathie en ook een uiterst immoreel en cynisch buitenlands beleid. Zo was Frankrijk in 1994 onder president Mitterrand mede verantwoordelijk voor de massamoord in Rwanda, stelt Raphaël Glucksmann. Zijn vader herinnert eraan dat ook de soixante-huitards destijds op z’n minst naïef waren, als het als het om het buitenland ging. Mao, Ho Tsji Min, Castro, Che Guevara, alles wat Marxistisch was werd toegejuicht. Velen, waaronder André Glucksmann zelf, werden Maoïst. Maar de studenten moesten niets hebben van de autoritaire, Stalinistische Franse communistische partij. “Er kleeft rood bloed aan je witte haren,” schijnt Cohn-Bendit ooit tegen de oude communistische dichter Aragon te hebben geroepen.

Omgekeerd stonden de Franse communisten uiterst argwanend tegenover al die studerende rijkeluiszoontjes, al was het maar omdat die op hun spandoeken teksten schreven als ‘Il est interdit d’interdire’ (het is verboden om te verbieden). Maar de vlaggen op de door studenten bezette Sorbonne waren wel degelijk rood gekleurd. De vooraanstaande Trotskisten Daniel Bensaïd en Alain Krivine benadrukken in hun boek ‘1968 Fins et suites’ dat het in die meidagen zeker niet alleen draaide om het openbreken van een paternalistische, conservatieve maatschappij en om de vrijheid die hedonistisch ingestelde types als Cohn-Bendit opeisten. Minstens zo belangrijk als de studentendemonstraties en ‘sit-ins’ waren de bedrijfsbezettingen en de algemene staking die het land meer dan een maand lang lamlegden. Het was veruit de grootste staking uit de Franse geschiedenis, zo’n acht tot negen miljoen arbeiders legden het werk neer. Uiteindelijk leidden onderhandelingen tot grote sociale vooruitgang, zoals een wet op de ondernemingsraden en flinke loonsverhogingen. Solidariteit en gelijkheid, dat waren de sleutelwoorden in mei 1968, stellen Bensaïd en Krivine. Het is een heel ander soort idealisme dan dat van de vrije marktliberaal Sarkozy en de familie Glucksmann.

Daniel Cohn-Bendit benadrukt daarentegen in zijn boek dat het er om ging een alternatief te vinden voor de conventionele machtsblokken links en rechts, het ging om anders denken. Dat laatste is de titel van een boek dat de door Cohn-Bendit bewonderde Alain Touraine in oktober vorig jaar publiceerde. Deze inmiddels 83-jarige socioloog kreeg destijds veel lof voor zijn analyse van de mei-revolte. Niet het bezit van productiemiddelen, maar kennis en informatie waren de belangrijkste machtsfactoren geworden in de moderne samenleving, stelde hij. Vandaar dat de revolte van ‘68 op de universiteiten ontstond. In zijn nieuwe boek ‘Penser autrement’ constateert Touraine dat steeds meer mensen het geloof in de maakbaarheid van de samenleving hebben verloren en zelfs nauwelijks meer in staat lijken te zijn hun eigen leven in te richten zoals ze dat willen. Het gevolg is dat velen zich overgeven aan ongebreideld narcisme en geldzucht, of vluchten in (extreem) nationalisme. Touraine benadrukt hoe belangrijk het uiteindelijk ook voor de samenleving als geheel is dat mensen hun eigen keuzes kunnen maken. Alleen dan zullen mensen in staat zijn om via buurtinitiatieven en sociale bewegingen te proberen maatschappelijke en ook mondiale problemen aan te pakken.

Herdenkingsziekte 

Hoewel de meiherdenking van 2008 in Frankrijk een aantal boeiende publicaties heeft opgeleverd, zijn de uitgevers zich wel een beetje te buiten gegaan. De meeste van de tientallen boeken die over de gebeurtenissen van toen verschenen – waaronder ook romans en strips – hebben bar slecht verkocht. Niek Pas, als universitair docent verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en onder meer gespecialiseerd in Franse contemporaine geschiedenis, blijkt zich desgevraagd nogal te hebben geërgerd aan alle aandacht voor Mai ’68. “Een Franse collega van me sprak over ‘commémorite’, herdenkingsziekte. Men zoekt naar spectaculaire, sterk symbolisch geladen momenten, die aan alle kanten worden uitgemolken. Met serieus historisch onderzoek heeft dat weinig van doen.” Zelf publiceerde hij onlangs het boek ‘Aan de wieg van het nieuwe Nederland’, waarin hij een lans breekt voor de jaren vijftig als tijdperk van vernieuwing.

Toch heeft Pas waardering voor de wijze waarop zijn Franse collega’s bezig blijven met de revolte van ’68. “Bij ons zijn de jaren zestig totaal verdwenen als het gaat om serieus onderzoek; daar hoef je echt niet meer mee aan te komen. In Frankrijk worden er nog regelmatig proefschriften over geschreven en houden historici van naam zich ermee bezig. Misschien omdat het debat erover daar meer leeft. In Nederland blijft het bij een paar kreten, overwegend negatief, het tegengeluid in Frankrijk is veel sterker.” Misschien speelt daarbij mee dat het er in de jaren zestig zo ludiek aan toeging in Nederland. “Fransen en ook Duitsers konden dat niet serieus nemen. In hun ogen was het te weinig gefundeerd op theorieën, ideeën en utopieën. Praktijkgericht activisme was ze veel te dunnetjes. Het was in Mai ‘68 belangrijk dat je intellectuelen kon citeren; daar hoefde je bij de Provo's niet mee aan te komen. De Franse samenleving is veel intellectualistischer dan de Nederlandse en ook meer gepolitiseerd.”

Europarlementariër Thijs Berman, die als journalist jarenlang in Frankrijk correspondent was, bevestigt dat het historische en politieke bewustzijn daar veel groter is dan bij ons. “Je kan er moeiteloos de straat op gaan om meningen te peilen, mensen hebben vaak een hele duidelijke analyse. In landen waar een revolutie heeft plaatsgevonden, is elke burger zich bewust van de potentiële macht van een volksbeweging. Men weet dat het wat uitmaakt om een mening te hebben, dat je daarmee ook werkelijk grote invloed kan hebben.”

Een andere verklaring voor het feit dat de idealen van de protestgeneratie er meer voortleven dan bij ons zou kunnen zijn dat Frankrijk ook na mei 1968 een centralistisch bestuurd, tamelijk conservatief land is gebleven, met een zeer hiërarchisch georganiseerd bedrijfsleven. Al was dat daarvoor nog veel erger. Berman: “Er is een wet op de ondernemingsraden gekomen, er kwam meer openheid in de media, een democratiseringsgolf in het onderwijs, vrouwenemancipatie, allemaal ontwikkelingen die door mei 68 een enorme impuls hebben gekregen, zo niet zijn ingezet. Nog afgezien van het feit dat het minimumloon met dertig procent werd verhoogd. Dat is allemaal niet gering. Maar voor heel veel Franse burgers is er bij lange na niet genoeg veranderd. In een land van zestig miljoen inwoners gooi je het roer minder makkelijk om dan bij ons. Bovendien was de democratische cultuur in Nederland toch al sterker ingebed.”

CPN

Een ander belangrijk verschil tussen Nederland en Frankrijk betreft de communisten. Berman: “Bij ons was de rol van de CPN marginaal eind jaren zestig, er was geen schijn van kans dat die partij in de regering zou komen. In Frankrijk was de PCF een echte machtsfactor, die meer dan twintig procent van de stemmen haalde. De socialisten daar konden weinig anders dan zoeken naar een coalitie met ze. Bovendien was de communistische CGT veruit de machtigste vakbond. De PCF was Stalinistischer dan de  CPN, en dat stond haaks op de maatschappijvisie van de studenten. Die hebben daarom vanaf het begin afstand genomen van de communisten. Velen hebben zich een tijdje gekeerd tot het Maoïsme, in de illusie dat dat anders was. In Nederland was de marginale CPN populair onder de studenten, die partij vertegenwoordigde het verzet tegen het establishment. Dat is een essentieel verschil.”

Anno 2008 is de Franse communistische partij weliswaar veel minder groot en invloedrijk dan destijds, maar ze bestaat nog wel degelijk en is met vijftien zetels in het parlement vertegenwoordigd. Daarnaast speelt de Trotskistische LCR een belangrijke rol in het publieke debat. Haar voorman, de 34-jarige Olivier Besancenot, kwam in juni uit een opiniepeiling van Le Figaro naar voren als populairste oppositiepoliticus. “Het politieke spectrum is veel breder dan in Nederland. Links is hier nog veel linkser en rechts is rechtser.” Dat stelt Marijn Kruk, correspondent in Parijs voor Trouw en de Groene Amsterdammer. “Links wordt hier nog serieus genomen. Dat snauwen naar de ‘linkse kerk’, dat heb je in Frankrijk niet zo. Je hebt gerenommeerde linkse intellectuelen, die oeuvres achter hun naam hebben staan, zoals Daniel Bensaïd, de huisfilosoof van de Trotskisten. Zo iemand wordt niet bij voorbaat gediskwalificeerd, zoals je dat in Nederland vaak wel gebeurt.”

Toch ligt ook in Frankrijk de erfenis van de protestgeneratie regelmatig onder vuur. Kruk: “Een van de interessantste boeken die dit voorjaar verscheen was ’La pensée anti-68’, waarin Serge Audier de tegenstanders van de soixant-huitards in kaart brengt. Er is de afgelopen twintig jaar met zwaar ideologisch geschut op ze geschoten. Uiteraard door extreem-rechts en veel conservatieve liberalen, maar ook door de communisten en de Maoïsten, die niets moesten hebben van al die libertijnse soixante-huitards. Daarnaast is er de kritiek geweest dat toen de basis is gelegd voor de uitwassen van onze moderne consumentensamenleving en het moderne liberalisme. Dat is bijvoorbeeld gesteld door filosofen als Luc Ferry en Alain Renaud.”

Maar ondanks alle aanvallen leeft Mai ‘68 nog altijd en geven peilingen aan dat een overgrote meerderheid van de Fransen positief denkt over de gebeurtenissen van toen. Als verklaring wijst Kruk, net als Pas en Berman, op het grote historische bewustzijn in Frankrijk en op de bijzondere rol die intellectuelen er in de samenleving spelen. Over dat laatste onderwerp hoopt hij eind dit jaar het boek ‘Parijs denkt’ te publiceren. Kruk: ”Laatst sprak ik met de hoofdredacteur van Esprit, het oudste Franse intellectuele tijdschrift. Die stelt dat de Franse republiek is ontstaan vanuit het negatief van de Franse katholieke kerk. De rol van de priester is overgenomen door de intellectueel, die een zalvende, maar ook vormende rol heeft. De École Normale Supérieure, waar nagenoeg alle spraakmakende Fransen intellectuelen zijn opgeleid, is ooit opgericht vanuit de gedachte dat de Republiek een elite moest hebben, die haar verlichtingswaarden zou kunnen uitdragen. Dat is even wat anders dan onze handelsgeest.”

Literatuur:

- Serge Audier, La pensée anti-68. Essai sur les origines d’une restauration intellectuelle, Paris, Editons La Découverte 2008.
- Daniel Cohn-Bendit, Forget 68, La Tour d'Aigues, Editions de l’aube, 2008.
- Daniel Bensaïd en Alain Krivine, 1968 Fins et suites, Paris, Nouvelles Editions Lignes 2008.
- André en Raphaël Glucksmann, Mai 68 expliqué à Nicolas Sarkozy, Paris, Editions De Noel 2008.
- Alain Touraine, Penser autrement , Paris, Editions Fayard 2007.

Sylvester Hoogmoed is journalist.
Alle artikelen